Uitspraak ECLI:NL:GHAMS:2019:3941

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 04-11-2019. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof Amsterdam op 04-11-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHAMS:2019:3941, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 23-000041-18


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:GHAMS:2019:3941:DOC
nl

afdeling strafrechtparketnummer: 23-000041-18 datum uitspraak: 4 november 2019
TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 20 december 2017 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 96-109829-17 en 96-181608-17 tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1948, adres: [adres].
Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 21 oktober 2019

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlasteleggingen

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

Zaak A (parketnummer 96-109829-17):zij op of omstreeks 19 juni 2017 te Amsterdam, terwijl zij wist of redelijkerwijs moest weten dat de geldigheid van een op haar naam gesteld rijbewijs ingevolge artikel 131, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994, voor een of meer categorieën van motorrijtuigen was geschorst, gedurende de tijd dat die schorsing van kracht was, op een weg, de Basisweg, een motorrijtuig, (personenauto), van de categorie of categorieën, waarop de schorsing betrekking had, heeft bestuurd;

Zaak B (parketnummer 96-181608-17, gevoegd):zij op of omstreeks 18 augustus 2017 te Schagen, terwijl zij wist of redelijkerwijs moest weten dat de geldigheid van een op haar naam gesteld rijbewijs ingevolge artikel 131, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994, voor een of meer categorieën van motorrijtuigen was geschorst, gedurende de tijd dat die schorsing van kracht was, op een weg, de Witte Paal, een motorrijtuig, (personenauto), van de categorie of categorieën, waarop de schorsing betrekking had, heeft bestuurd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd omdat het hof, in tegenstelling tot de politierechter, de verdachte zal vrijspreken.

Vordering van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden vrijgesproken.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte in de zaken A en B is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Het hof overweegt hiertoe als volgt:

Tegen het besluit van het CBR van 1 juni 2017, waarbij de geldigheid van het rijbewijs van de verdachte was geschorst, heeft de verdachte een administratiefrechtelijke procedure gevoerd. Deze procedure heeft geresulteerd in het besluit van het CBR van 2 januari 2018, waarin het bezwaar van de verdachte gegrond is verklaard.

Een (administratief) bezwaar of beroep tegen het schorsen van de geldigheid van het rijbewijs heeft geen schorsende werking. Indien echter de schorsing van de geldigheid van het rijbewijs naar aanleiding van een dergelijke procedure is herzien of ingetrokken heeft deze – achteraf gezien – nooit gegolden. Dit dient te leiden tot de vrijspraak van de ten laste gelegde feiten.

beslissing

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 96-109829-17 en in de zaak met parketnummer 96-181608-17 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.L.M. van der Voet, mr. I.M.H. van Asperen de Boer-Delescen en mr. H.A. van Eijk, in tegenwoordigheid van mr. S. Pesch, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 4 november 2019.

De griffier is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.