Uitspraak ECLI:NL:GHAMS:2019:3279

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 09-09-2019. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof Amsterdam op 09-09-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHAMS:2019:3279, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 23-002169-18


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:GHAMS:2019:3279:DOC
nl

afdeling strafrechtparketnummer: 23-002169-18 datum uitspraak: 9 september 2019
TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 13 juni 2018 in de strafzaak onder parketnummer 13-095136-18 tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985, adres: [adres].
Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 26 augustus 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 7 februari 2018 te Amsterdam een of meer wapens van categorie III, te weten een (CZ) Crvena Zstava 70 7,65mm pistool, en/of munitie van categorie III, te weten acht 7,65mm volmantel patronen, voorhanden heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de politierechter.

Bewijsoverweging

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep primair vrijspraak bepleit van het tenlastegelegde. Daartoe heeft hij – kort weergegeven – aangevoerd dat er sprake is van onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. Het wapen kan van iemand anders zijn, nu de auto niet op de naam van de verdachte stond en er meerdere mensen gebruik maakten van de auto. Mogelijk was het wapen van de medeverdachte [medeverdachte]. Daarnaast kan het zijn dat het DNA van de verdachte door middel van secundaire overdracht op het wapen terecht is gekomen.

Het hof overweegt als volgt.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte, als bestuurder, en zijn medeverdachte [medeverdachte], als bijrijder, op 7 februari 2018 in een Volkswagen Golf reden in Amsterdam. De verbalisanten hebben het voertuig laten stoppen op de Overtoom nadat zij een melding hadden ontvangen met betrekking tot deze auto. Bij de daarop gevolgde controle leek de verdachte erg zenuwachtig. Bij de met toestemming van de verdachte verrichte doorzoeking in de auto werd in het opbergvak aan de achterzijde van de passagiersstoel een vuurwapen gevonden. Op de ruwe delen van het vuurwapen is DNA-materiaal aangetroffen dat – kort samengevat – overeenkomt met het DNA-profiel van de verdachte.

Bovengenoemde feiten en omstandigheden zijn naar het oordeel van het hof redengevend voor het bewijs dat de verdachte het vuurwapen voorhanden had, terwijl de verdachte geen aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven. De enkele ontkenning van de verdachte dat hij wist van het wapen is daarvoor onvoldoende. De door de raadsman geopperde mogelijkheid dat het wapen van een ander was, wellicht van de medeverdachte [medeverdachte], is onvoldoende aannemelijk geworden. Dat geldt evenzeer voor de geopperde mogelijkheid dat het DNA-materiaal van de verdachte door secundaire overdracht op het wapen terecht is gekomen.

Het verweer van de raadsman wordt derhalve verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 7 februari 2018 te Amsterdam, een wapen van categorie III, te weten een (CZ) Crvena Zastava 70 7,65mm pistool, en munitie van categorie III, te weten acht 7,65mm volmantel patronen, voorhanden heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie,

en,

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden, met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

De raadsman heeft (subsidiair, in geval van bewezenverklaring) oplegging van een taakstraf, eventueel in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf, bepleit.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan overtreding van de Wet wapens en munitie door een vuurwapen en munitie voorhanden te hebben in een auto op de openbare weg in Amsterdam. Een vuurwapen vormt in handen van een daartoe niet bevoegde een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen. Tegen onbevoegd wapenbezit dient daarom krachtig te worden opgetreden, hetgeen zijn weerslag vindt in de straf die rechters in dergelijke zaken veelal opleggen, te weten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanmerkelijke duur. Het aantal slachtoffers van vuurwapengeweld en de daardoor veroorzaakte gevoelens van onveiligheid in de samenleving onderstrepen de noodzaak hiervan.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 7 augustus 2019 is hij eerder voor een soortgelijk feit onherroepelijk veroordeeld, hetgeen het hof in zijn nadeel weegt.

In de ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerde omstandigheden vindt het hof geen aanleiding een mildere of andersoortige straf op te leggen dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Tevens is het hof van oordeel dat de door de advocaat-generaal gevorderde gevangenisstraf van 5 maanden onvoldoende recht doet aan de ernst van het feit.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op artikelen 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

beslissing

BESLISSING


Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een voor de duur van .

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. H.A. van Eijk, mr. M.L.M. van der Voet en mr. B.A.A. Postma, in tegenwoordigheid van A. Ivanov, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 9 september 2019.

mr. H.A. van Eijk en mr. B.A.A. Postma zijn buiten staat om dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================
[medeverdachte]