Uitspraak ECLI:NL:GHAMS:2019:2961

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 14-08-2019. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof Amsterdam op 13-08-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHAMS:2019:2961, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 200.248.552/01


Bron: Rechtspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.248.552/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam : 6508167 CV EXPL 17-27963

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 13 augustus 2019

inzake

[appellant]

wonend te [woonplaats] ,appellant in principaal appel, tevens geïntimeerde in incidenteel appel,advocaat: mr. J. Niggelie te Utrecht,
tegen

HEWLETT-PACKARD NEDERLAND B.V.

gevestigd te Amstelveen,geïntimeerde in principaal appel, tevens appellante in incidenteel appel,advocaat: mr. B. Westerhout te Amsterdam.

ECLI:NL:GHAMS:2019:2961:DOC
nl

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.248.552/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam : 6508167 CV EXPL 17-27963

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 13 augustus 2019

inzake

[appellant]

wonend te [woonplaats] ,appellant in principaal appel, tevens geïntimeerde in incidenteel appel,advocaat: mr. J. Niggelie te Utrecht,
tegen

HEWLETT-PACKARD NEDERLAND B.V.

gevestigd te Amstelveen,geïntimeerde in principaal appel, tevens appellante in incidenteel appel,advocaat: mr. B. Westerhout te Amsterdam.
1

- memorie van grieven, met producties;- memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in voorwaardelijk incidenteel appel, met producties;- memorie van antwoord in incidenteel appel.
Partijen worden hierna [appellant] en HP genoemd.

[appellant] is bij dagvaarding van 23 juli 2018, gevolgd door een herstelexploot van 22 oktober 2018, in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter) van 24 april 2018, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellant] als eiser en HP als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellant] heeft in het principale appel geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad - alsnog zal verklaren voor recht dat onder de pensioenrichtleeftijd van het sociaal plan 2012-2013 van Hewlett-Packard Nederland B.V. voor [appellant] verstaan dient te worden de voor [appellant] geldende AOW-leeftijd, zijnde de datum waarop [appellant] daadwerkelijk aanspraak kan maken op een AOW-uitkering, en HP zal veroordelen tot betaling aan [appellant] van een bedrag groot € 90.765,55 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente en met buitengerechtelijke incassokosten, een en ander met veroordeling van HP in de kosten van de procedure in beide instanties met nakosten.

HP heeft in principaal appel geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van [appellant] in de kosten van de procedure in hoger beroep, met rente. In incidenteel appel heeft HP voorwaardelijk, voor het geval dat het hof een of meer grieven van [appellant] gegrond acht, geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis, voor zover de kantonrechter daarin heeft geoordeeld dat [appellant] geen finale kwijting heeft verleend ten aanzien van alle niet (rechtstreeks) uit de als productie 4 bij dagvaarding in eerste aanleg overgelegde beëindigingsovereenkomst voortvloeiende verplichtingen uit hoofde van de beëindiging van hun arbeidsovereenkomst, en tot afwijzing van de door [appellant] op basis van het sociaal plan gevorderde vergoeding, met - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van [appellant] in de kosten van de procedure in hoger beroep, met rente.

[appellant] heeft in voorwaardelijk incidenteel appel geconcludeerd tot, kort gezegd, verwerping van dat beroep, met beslissing over de proceskosten.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 1.1 tot en met 1.8 de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.

2.1
[appellant] , geboren op [geboortedatum] 1958, is van 1 december 1990 tot 29 januari 2014 in dienst geweest van HP tegen een salaris van laatstelijk € 6.553,47 bruto per maand, exclusief vakantiebijslag en overige emolumenten.
2.2
In verband met een reorganisatie zijn in 2013 bij HP arbeidsplaatsen vervallen, waaronder die van [appellant] . Bij brief van 1 april 2013 heeft HP de beëindiging van het dienstverband als gevolg van de voorgenomen reorganisatie schriftelijk aan [appellant] aangezegd. In deze brief staat verder dat het Sociaal Plan 1 januari 2012 - 31 december 2013 (hierna: het Sociaal Plan) op [appellant] van toepassing is.
2.3
Partijen hebben door middel van een beeïndigingsovereenkomst van 23 april 2013 de arbeidsovereenkomst met ingang van 29 januari 2014 met wederzijds goedvinden beëindigd. Daarin is onder meer bepaald dat tot 29 januari 2014 een bemiddelingsperiode zal gelden waarin [appellant] is vrijgesteld van de verplichting de overeengekomen arbeid te verrichten. Ook is daarin opgenomen dat HP [appellant] overeenkomstig paragraaf 5.B.1 van het Sociaal Plan na beëindiging van de arbeidsovereenkomst een vergoeding van € 258.833,24 bruto en een bedrag van maximaal € 550,00 netto als vergoeding van juridische kosten zal voldoen.
2.4
[appellant] heeft gedurende de voor hem geldende maximale periode van 38 maanden een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontvangen. Hij is er niet in geslaagd een ander dienstverband bij een derde te vinden.
2.5
In paragraaf 2 van het Sociaal Plan, “Definities”, is bepaald dat onder “pensioenrichtleeftijd” wordt verstaan: “.”
2.6
In paragraaf 5.B van het Sociaal Plan is onder “N.B. Toeslag bij vergoeding ex paragraaf 5.B.1.” voor zover thans van belang het volgende bepaald:
“Voorts kan een Medewerker die in 2012 of 2013 op de Aanzegdatum 54 jaar of ouder is én op de Aanzegdatum 8 Dienstjaren heeft, in aanmerking komen voor een eenmalige bruto toeslag indien 1) de Datum einde dienstverband is gelegen op het einde van de voor hem toepasselijke maximale duur van de Bemiddelingsperiode, 2) de Medewerker actief heeft gewerkt aan zijn bemiddeling vanuit de Werk-naar-werk Afdeling, 3) de Medewerker na afloop van de maximale Bemiddelingsperiode geen nieuw dienstverband bij een Derde heeft gevonden én 4) de Medewerker 38 aaneengesloten maanden aansluitend aan het einde van het Dienstverband volledig aanspraak heeft gemaakt op de voor hem van toepassing zijnde wettelijk maximale WW- danwel bijstandsuitkering. De hoogte van de eenmalige bruto toeslag wordt als volgt berekend: 70% van het laatst genoten Brutomaandsalaris van de Medewerker tot een maximum van 70% van het Maximumdagloon berekend over de periode vanaf Datum einde dienstverband tot aan de toepasselijke Pensioenrichtleeftijd, minus de eenmalige bruto vergoeding berekend conform paragraaf 5.B.1 én minus de ontvangen maximale WW-uitkering, in veel gevallen 3 jaar en twee maanden. (…)

Voor de Medewerker met een Brutojaarsalaris van EUR 115.000 of hoger zal de eenmalige bruto vergoeding conform paragraaf 5.B.1 én de hiervoor genoemde eenmalige bruto toeslag bij keuze 5.B.1 (100% respectievelijk 50%) bij elkaar opgeteld nooit meer bedragen dan

1 Brutojaarsalaris (…)”.

2.7
Paragraaf 19 van het Sociaal Plan (hierna: de hardheidsclausule) luidt als volgt:
“Als de toepassing van dit Plan leidt tot een apert onbillijk resultaat voor een bepaalde Medewerker, mag de HR-Director van HP in gezamenlijk overleg met de Vertrouwenscommissie beslissen om ten voordele van de betrokken Medewerker af te wijken van dit Plan.”

2.8
De berekening van de hiervoor in 2.6 bedoelde toeslag (hierna: de toeslag) komt in het geval van [appellant] , uitgaande van een pensioenrichtleeftijd van 65 jaar, uit op een negatief bedrag. [appellant] heeft HP bij brief van 15 juni 2017 met een beroep op de hardheidsclausule verzocht om hem desondanks in aanmerking te brengen voor de toeslag.
2.9
HP heeft het verzoek van [appellant] bij brief van 21 juli 2017 na overleg met haar HR-Director en de Vertrouwenscommissie afgewezen omdat zij van mening is dat van een apert onbillijke situatie in de zin van de hardheidsclausule bij [appellant] geen sprake is.
overwegingen

3

3.1
In eerste aanleg heeft [appellant] gevorderd te verklaren voor recht dat de pensioenrichtleeftijd van het Sociaal Plan aldus geïnterpreteerd dient te worden dat deze ziet op de toepasselijke AOW-leeftijd, en HP te veroordelen tot betaling aan [appellant] van een bedrag groot € 100.119,00 bruto, primair op basis van paragraaf 5.B.1 van het Sociaal Plan en subsidiair op basis van paragraaf 19 van het Sociaal Plan, te vermeerderen met de wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten, een en ander met veroordeling van HP in de kosten van de procedure.
3.2
[appellant] heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat het begrip pensioenrichtleeftijd in het Sociaal Plan dient te worden opgevat als de toepasselijke AOW-gerechtigde leeftijd. Als rekening wordt gehouden met zijn AOW-gerechtigde leeftijd van inmiddels 67 jaar heeft [appellant] aanspraak op een eenmalige toeslag van € 100.119,00 bruto. Voor zover nodig heeft [appellant] zich beroepen op de hardheidsclausule en gesteld dat de definitie van het begrip pensioenrichtleeftijd in het Sociaal Plan aangepast had moeten worden aan de wettelijke verhoging van de AOW-gerechtigde leeftijd en hij gezien zijn specifieke omstandigheden evident onbillijk wordt benadeeld door het uitblijven hiervan. HP heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen deze vordering.
3.3
De kantonrechter heeft de vordering van [appellant] afgewezen en hem veroordeeld in de kosten van de procedure. De kantonrechter heeft daartoe allereerst overwogen dat het Sociaal Plan er tekstueel gezien geen misverstand over laat bestaan dat onder de pensioenrichtleeftijd de leeftijd van 65 jaar moet worden verstaan. In het Sociaal Plan zijn ook overigens geen aanknopingspunten te vinden om voor de pensioenrichtleeftijd aan te knopen bij de AOW-gerechtigde leeftijd van [appellant] , 67 jaar en enkele maanden. Daarbij is van belang dat [appellant] bij het aangaan van de beëindigingsovereenkomst zich ervan bewust was dat met 65 jaar werd gerekend, dat hij zich toen liet bijstaan door een juridisch deskundige en dat hij wist dat hij geen aanspraak meer had op een AOW-uitkering bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd. Ten slotte heeft de kantonrechter van belang geacht dat [appellant] geen voorbehoud heeft gemaakt ten aanzien van de pensioenrichtleeftijd bij het aangaan van de beëindigingsovereenkomst. De kantonrechter heeft het beroep van [appellant] op de hardheidsclausule verworpen omdat in het geval van [appellant] naar zijn oordeel niet kon worden gesproken van een apert onredelijk resultaat. Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellant] met zijn grieven op. De grieven van [appellant] lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
Het begrip pensioenrichtleeftijd in het Sociaal Plan

3.4
Allereerst dient te worden beoordeeld hoe het begrip ‘pensioenrichtleeftijd’ in paragraaf 2 van het Sociaal Plan dient te worden uitgelegd.
3.5
Een dergelijke bepaling in een Sociaal Plan moet worden uitgelegd aan de hand van de zogenoemde cao-norm aangezien deze bepaling mede de rechtspositie van derden beïnvloedt, die niet betrokken zijn geweest bij de totstandkoming van die bepaling. Die derden hebben dus geen invloed kunnen uitoefenen op de inhoud of formulering daarvan en voor hen kunnen de bedoelingen van de wel bij die totstandkoming betrokken partijen slechts kenbaar zijn uit de in Sociaal Plan opgenomen bepalingen of een daarbij behorende schriftelijke toelichting. Volgens vaste rechtspraak houdt de cao-norm in dat aan een bepaling van een cao, of, zoals in casu, van een sociaal plan waarover met de betrokken vakorganisaties overeenstemming is bereikt en dat een vergelijkbare status heeft als een cao, een uitleg naar objectieve maatstaven moet worden gegeven, waarbij in beginsel de bewoordingen van die bepaling gelezen in het licht van de gehele tekst van de cao van doorslaggevende betekenis zijn, zodat het niet aankomt op de bedoelingen van de partijen die de cao tot stand hebben gebracht, voor zover deze niet uit de daarin opgenomen bepalingen kenbaar zijn, maar op de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen waarin de cao is gesteld. Bij deze uitleg kan onder meer acht worden geslagen op de elders in de cao gebruikte formuleringen en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijke, tekstinterpretaties zouden kunnen leiden. Ook de bewoordingen van de eventueel bij de cao behorende schriftelijke toelichting moeten bij de uitleg van de cao worden betrokken. Indien de bedoeling van de partijen bij de cao naar objectieve maatstaven volgt uit de cao-bepalingen en de eventueel daarbij behorende schriftelijke toelichting, en dus voor de individuele werknemers en werkgevers die niet bij de totstandkoming van de overeenkomst betrokken zijn geweest, kenbaar is, kan ook daaraan bij de uitleg betekenis worden toegekend.
3.6
Voor de beantwoording van de hiervoor bedoelde vraag overweegt het hof allereerst dat de tekst van de definitiebepaling van het begrip ‘pensioenrichtleeftijd’ met ingang van 1 april 2012 ondubbelzinnig inhoudt de dag waarop de medewerker de leeftijd van 65 jaar zal bereiken. Het hof is van oordeel dat er geen grond is om aan te nemen dat die bepaling aan de hand van de CAO-norm dient te worden uitgelegd als de voor de medewerker geldende AOW-gerechtigde leeftijd en overweegt daartoe het volgende.
3.7
[appellant] heeft allereerst gesteld dat de uitleg die hij voorstaat voor de hand ligt gelet op de wijziging in de definitie van de pensioenrichtleeftijd per 1 april 2012 waaruit blijkt dat aansluiting is gezocht met de wijziging van de ingangsdatum van de AOW per die datum. Anders dan [appellant] acht het hof de wijziging in de definitie van de pensioenrichtleeftijd per 1 april 2012 van dat de medewerker de leeftijd van 65 jaar bereikt naar waarop de medewerker de leeftijd van 65 jaar bereikt geen omstandigheid waaraan gewicht toekomt bij beantwoording van de vraag of het begrip pensioenrichtleeftijd in het Sociaal Plan dient te worden opgevat als de voor de individuele medewerker geldende AOW-gerechtigde leeftijd.
3.8
Vervolgens heeft [appellant] gesteld dat de uitleg die hij verdedigt voor de hand ligt bezien in het licht van de gehele tekst van het Sociaal Plan. Het woord pensioenrichtleeftijd komt op verschillende plaatsen in het Sociaal Plan voor. In paragraaf 5 is bepaald dat de opschorting van een keuze tussen de Vertrekstimuleringsregeling en de bemiddeling Werk-naar-Werk nooit langer zal zijn dan tot de voor de medewerker toepasselijke pensioenrichtleeftijd en derhalve zal eindigen op deze pensioenrichtleeftijd. Ook in de berekening van de zogenoemde ‘vertrekstimuleringsregeling’ in paragraaf 5.A wordt rekening gehouden met de voor de medewerker toepasselijke pensioenrichtleeftijd evenals in de berekening van de periode van bemiddeling via de Werk-naar-Werk Afdeling in paragraaf 5.B. In al deze gevallen dient de pensioenrichtleeftijd opgevat te worden als de AOW-gerechtigde leeftijd omdat pas vanaf dat moment de arbeidsovereenkomst tussen HP en de medewerker van rechtswege eindigt en de medewerker inkomen uit AOW- en aanvullend pensioen heeft, aldus [appellant] .
3.9
Dit betoog van [appellant] berust op de gedachte dat de genoemde voorzieningen in het Sociaal Plan bedoeld zijn om de medewerker te bemiddelen naar ander werk gedurende de gehele periode tot het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd, dan wel een financiële compensatie van de gevolgen van het verlies van de arbeidsovereenkomst met HP te bieden, berekend over de gehele periode tot het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd. Uit niets blijkt echter dat dat de bedoeling is geweest van partijen bij het Sociaal Plan. [appellant] heeft niet gesteld en evenmin is gebleken dat er een schriftelijke toelichting behorende bij het Sociaal Plan bestaat van de gezamenlijke partijen bij het Sociaal Plan. De (ongedateerde) publicatie naar aanleiding van voorstellen van HP voor het Sociaal Plan waarop [appellant] heeft gewezen en waarin sprake is van: is afkomstig van de vakbonden en van de ondernemingsraad van HP. In een artikel van 25 januari 2012 ‘HP sluit sociaal plan met bonden’ dat [appellant] heeft overgelegd staat, voor zover thans van belang: Ten slotte heeft [appellant] een screenshot van 6 december 2018 overgelegd van de website van Stichting Pensioenfonds HP waar het begrip ‘pensioenleeftijd’ wordt gedefinieerd als “de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de deelnemer de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt”. Voor al deze documenten geldt dat zij geen schriftelijke toelichting op het Sociaal Plan van de gezamenlijke partijen bij dat Sociaal Plan vormen maar afkomstig zijn van derden en daarom in het kader van de CAO-norm niet relevant zijn bij de uitleg van het begrip pensioenrichtleeftijd.
3.10
[appellant] heeft zich nog beroepen op de koppeling tussen de ingangsdatum van het HP-pensioen en de AOW-gerechtigde leeftijd. Het hof gaat hier aan voorbij omdat de relevantie daarvan voor de uitlegvraag die in de onderhavige zaak aan de orde is, niet valt in te zien.
3.11
De door [appellant] verdedigde uitleg is ook onaannemelijk, allereerst gezien de daaraan verbonden (rechts)gevolgen, zoals de onvoorziene lastenverzwaring voor HP, die HP onweersproken heeft aangevoerd, en de noodzaak om het Sociaal Plan (alsdan) met het verstrijken van de tijd verschillend uit te leggen, en voorts gezien het feit dat partijen bij het Sociaal Plan geen gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheid als voorzien in artikel 20 om het Sociaal Plan gedurende de looptijd op dit punt aan te passen. Daarbij kan overigens in het midden blijven of partijen bij het Sociaal Plan daar al dan niet na onderling overleg van hebben afgezien.
3.12
De conclusie is daarom dat het begrip ‘pensioenrichtleeftijd’ de betekenis heeft die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen in de definitie van dat begrip in paragraaf 2 van het Sociaal Plan, te weten - vanaf 1 april 2012 - de dag waarop de medewerker de leeftijd van 65 jaar zal bereiken.
Beroep op de hardheidsclausule.

3.13
[appellant] heeft als argumenten voor zijn stelling dat toepassing van het Sociaal Plan voor hem tot een apert onbillijk resultaat leidt, aangevoerd dat het onbegrijpelijk is dat de toeslag in zijn geval op nihil uitkomt. Hij stelt dat de door hem op grond van het Sociaal Plan reeds ontvangen eenmalige vergoeding geen, dan wel een zeer beperkte, rol dient te spelen bij de beoordeling van zijn situatie omdat iedere boventallige werknemer op die vergoeding aanspraak kan maken. De toeslag daarentegen is bedoeld voor oudere medewerkers met een lastige en relatief uitzichtloze arbeidsmarktpositie. Vergeleken met oudere of lager betaalde medewerkers, of medewerkers die minder lang in dienst zijn geweest bij HP, ondervindt hij extra nadeel terwijl hij jarenlang trouw aan HP is geweest, aldus [appellant] .
3.14
Het hof is van oordeel dat [appellant] onvoldoende heeft aangevoerd om tot het oordeel te kunnen komen dat toepassing van het Sociaal Plan voor hem apert onbillijk uitpakt. Vast staat dat in het Sociaal Plan rekening wordt gehouden met de lengte van het dienstverband, zowel bij de berekening van de duur van de bemiddelingsperiode als bij de berekening van de eenmalige vergoeding. Ook de hoogte van het inkomen is een factor bij de berekening van de eenmalige vergoeding. Dit heeft er in het geval van [appellant] toe geleid dat hij gedurende negen maanden met behoud van salaris en met begeleiding van een outplacementbureau heeft kunnen solliciteren naar ander werk en vervolgens een eenmalige vergoeding van € 258.833,24 bruto, overeenkomend met ruim twee en een half jaar salaris, heeft ontvangen. Uiteraard dient deze door [appellant] ontvangen eenmalige vergoeding wél te worden meegewogen bij de beoordeling van zijn situatie. Bij de berekening van de toeslag wordt immers ook rekening gehouden met de hoogte van het inkomen en met de ontvangen bedragen aan eenmalige vergoeding en WW-uitkering. Doordat [appellant] aanzienlijke bedragen aan eenmalige vergoeding en WW-uitkering heeft ontvangen, komt hij niet voor de toeslag in aanmerking. Daargelaten of de conclusies die [appellant] heeft getrokken over de situatie van oudere of lager betaalde medewerkers, of medewerkers die minder lang in dienst zijn geweest bij HP, juist zijn, is het resultaat van toepassing van het Sociaal Plan in het geval van [appellant] (minst genomen) niet apert onbillijk te noemen.
Slotsom en conclusie

3.15
De slotsom luidt dat alle grieven falen. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. Aan beoordeling van het voorwaardelijk incidentele appel komt het hof daarom niet toe. Feiten of omstandigheden die, indien bewezen, tot een ander oordeel dan het voorgaande zouden kunnen leiden, zijn noch (voldoende gemotiveerd) gesteld noch (gespecificeerd) te bewijzen aangeboden, zodat het hof aan het door partijen gedane bewijsaanbod voorbij gaat. De uitkomst van het hoger beroep brengt mee dat [appellant] in de kosten van het principale appel zal worden veroordeeld. Voor een kostenveroordeling in het voorwaardelijke incidentele appel bestaat geen aanleiding.
beslissing

4

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in principaal hoger beroep, tot op heden aan de zijde van HP begroot op € 1.978,00 aan verschotten en € 1.959,00 voor salaris, te vermeerderen met de wettelijke rente indien niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de kostenveroordeling is voldaan;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.M.A. Verscheure, R.J.M. Smit en F.J. Verbeek en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 13 augustus 2019.