Uitspraak ECLI:NL:GHAMS:2019:1619

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 14-05-2019. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof Amsterdam op 14-05-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHAMS:2019:1619, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 200.257.847/01


Bron: Rechtspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.257.847/01 SKG

zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland : 7482534/VV EXPL 19-12

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 14 mei 2019

inzake

ECLI:NL:GHAMS:2019:1619:DOC
nl

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.257.847/01 SKG

zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland : 7482534/VV EXPL 19-12

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 14 mei 2019

inzake

1

zonder bekende woon- of verblijfplaats in of buiten Nederland, 2. ,wonend te [woonplaats] ,appellanten,advocaat: mr. S. Roble-van Deursen te Den Haag,
tegen

STICHTING PRÉ WONEN

gevestigd te Haarlem,geïntimeerde,advocaat: mr. D. de Vries te Amsterdam.
1

Partijen worden hierna [appellante sub 1] , [appellant sub 2] en Pré Wonen genoemd. Appellanten gezamenlijk worden [appellanten] genoemd.

[appellanten] . zijn bij dagvaarding van 5 april 2019 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland van 11 maart 2019, in kort geding gewezen tussen Pré Wonen als eiseres en [appellanten] als gedaagden, voor zover daarbij de vordering tot ontruiming jegens hen is toegewezen en zij in de kosten van het geding zijn veroordeeld. De appeldagvaarding bevat de grieven. Op de rol hebben [appellanten] geconcludeerd overeenkomstig de dagvaarding en de bij de dagvaarding behorende producties in het geding gebracht.

Pré Wonen heeft een memorie van antwoord, met producties, ingediend.

Partijen hebben de zaak op 2 mei 2019 doen bepleiten door hun hiervoor genoemde advocaten, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. [appellanten] hebben bij deze gelegenheid nog producties in het geding gebracht.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellanten] hebben, samengevat, geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en alsnog de vordering tot ontruiming zal afwijzen, met veroordeling van Pré Wonen in de kosten van het geding in beide instanties, inclusief de nakosten en met rente. Pré Wonen heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met beslissing over de proceskosten, met rente.
2

De kantonrechter heeft in het vonnis onder 2.1 tot en met 2.4 de feiten opgesomd die bij de beoordeling van de zaak tot uitgangspunt zijn genomen. Die feiten zijn in hoger beroep niet bestreden, met dien verstande dat Pré Wonen onder 44 van de memorie van antwoord een iets andere lezing geeft van de inhoud van artikel 6.5 van de toepasselijke Algemene Huurvoorwaarden, welke lezing naar het oordeel van het hof inderdaad juister is. Aldus aangepast zijn de opgesomde feiten niet in geschil en dienen die derhalve ook het hof als uitgangspunt. Het gaat dan om het volgende.

2.1
Pré Wonen verhuurt sinds 1 juli 2017 de woning aan de [adres] (hierna ook: de woning) aan [appellante sub 1] op basis van een schriftelijke huurovereenkomst. In de huurovereenkomst is onder VI bepaald dat de huurder tijdens de huurovereenkomst in de woning dient te wonen.
2.2
Op de huurovereenkomst zijn Algemene Huurvoorwaarden van toepassing. Artikel 6.4 van deze voorwaarden houdt in dat de huurder de woning gedurende de huurtijd zelf moet gebruiken als woonruimte voor hem en de leden van zijn huishouden en er zijn hoofdverblijf dient te hebben. Artikel 6.5 van de voorwaarden bepaalt dat de huurder zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de verhuurder de woning niet in gebruik mag geven aan derden dan wel mag onderverhuren. Voor, kort gezegd, kamerverhuur zal die toestemming worden verleend, mits de huurder hoofdverblijf in de woning heeft en geen overbewoning plaatsvindt.
2.3
Uit een in eerste aanleg overgelegd overzicht uit de Basisregistratie Personen (BRP) van [plaats 1] blijkt dat op de desbetreffende datum op het adres [adres] naast [appellant sub 2] en [minderjarige] (geboren in 2005), vijf volwassen mannen waren ingeschreven, die laatsten sedert september respectievelijk november 2018. [appellante sub 1] is niet vermeld, terwijl van vier (andere) kinderen met de achternaam [achternaam] is vermeld dat zij op 21 augustus 2018 zijn vertrokken.
2.4
[appellante sub 1] woonde ten tijde van de behandeling in eerste aanleg niet in de woning, maar [appellant sub 2] wel.
overwegingen

3

3.1
Bij de inleidende dagvaarding heeft Pré Wonen gevorderd dat [appellanten] en de vier op dat moment nog op het adres van de woning ingeschreven mannelijke volwassenen als genoemd onder 2.3, worden veroordeeld tot ontruiming van de woning, met nevenvorderingen. Aan deze vorderingen heeft Pré Wonen ten grondslag gelegd dat [appellante sub 1] tekortschiet in de nakoming van haar verplichtingen uit de huurovereenkomst. Het belangrijkste verwijt is dat [appellante sub 1] niet langer hoofdverblijf heeft in de woning. Pré Wonen betwist dat tussen [appellante sub 1] en [appellant sub 2] een (naar Nederlands recht te erkennen) huwelijk bestaat, terwijl, als [appellant sub 2] wel als wettelijke medehuurder zou moeten worden beschouwd, de tekortkoming van [appellante sub 1] ook aan hem kan worden toegerekend, zodat ook jegens hem de vordering tot (ontbinding en, vooruitlopend daarop) ontruiming toewijsbaar is. Ook het in gebruik geven van delen van de woning aan de vijf onder 2.3 genoemde mannen acht Pré Wonen in strijd met de huurovereenkomst, nu daarvoor door haar geen toestemming is gegeven.
3.2
De vier hiervoor genoemde mannelijke volwassenen hebben in eerste aanleg geen verweer gevoerd.
3.3
[appellanten] hebben in eerste aanleg wel verweer gevoerd. Dat verweer kwam, kort gezegd, erop neer dat zij in 2004 in [plaats 2] zijn gehuwd, welk huwelijk ook in Nederland is erkend door de opneming daarvan in de BRP, zodat [appellant sub 2] als medehuurder moet worden aangemerkt. [appellante sub 1] heeft haar hoofdverblijf in de woning niet opgegeven, maar is in de zomer van 2018 met de jongste kinderen van [appellanten] naar Engeland gegaan om te onderzoeken of een leven daar mogelijk is. Dochter [minderjarige] is bij haar vader [appellant sub 2] in de woning achtergebleven vanwege haar schoolverplichtingen. Het is niet de bedoeling van [appellanten] om uit elkaar te gaan, zij vormen met hun kinderen nog steeds een gezin. De vijf mannen die op het adres stonden ingeschreven gebruikten het adres alleen als postadres, maar woonden niet in de woning, aldus [appellanten]
3.4
De kantonrechter heeft de ontruiming jegens alle gedagvaarde partijen toegewezen en daartoe, samengevat, het volgende overwogen. Pré Wonen heeft spoedeisend belang bij het rechtmatige gebruik van haar schaarse sociale huurwoningen. Door erkenning ter zitting staat vast dat [appellante sub 1] niet meer in de woning woont. [appellant sub 2] kan niet als wettelijk medehuurder worden beschouwd bij gebreke van bewijs van een naar Nederlands recht erkend huwelijk. [appellante sub 1] hebben ook geen verzoek tot verlening van medehuurderschap op grond van artikel 7:267 BW ingediend. Dat de op het adres ingeschreven andere mannen het adres alleen als postadres hebben gebruikt is gemotiveerd betwist. [appellante sub 1] is derhalve tekortgeschoten in de nakomingen van haar verplichtingen uit de huurovereenkomst en de overige gedaagde partijen verblijven zonder recht of titel in de woning. Het is voldoende aannemelijk dat in de bodemprocedure een vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst en veroordeling tot ontruiming zal worden toegewezen, zodat ook in kort geding de vordering tot ontruiming jegens alle gedaagden toewijsbaar is.
3.5
De appeldagvaarding bevat de grieven, dat wil zeggen: uit de appeldagvaarding is voldoende duidelijk waarom [appellanten] van mening zijn dat het bestreden vonnis niet in stand kan blijven en de vordering tot ontruiming jegens hen alsnog moet worden afgewezen. Dat in de dagvaarding geen afzonderlijke, als grieven in strikte zin te beschouwen klachten tegen het vonnis zijn te onderscheiden, neemt niet weg dat voor Pré Wonen voldoende duidelijk moet zijn geweest waarover het in dit hoger beroep moet gaan: (a) het spoedeisend belang, (b) het bestaan van een huwelijk tussen [appellante sub 1] en [appellant sub 2] , (c) de verplaatsing van haar hoofdverblijf door [appellante sub 1] , (d) de terbeschikkingstelling van de woonruimte aan eerdergenoemde vijf volwassen mannen, (e) de vraag of zich de situatie voordoet dat de tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis de ontbinding van de huurovereenkomst niet rechtvaardigt (hierna: de “tenzij-clausule”) en (f) de vraag of de toewijzing van de ontruimingsvordering in de bodemprocedure zo aannemelijk is dat daarop in kort geding vooruit kan worden gelopen. Op al deze kwesties is Pré Wonen in haar memorie en pleidooi ook daadwerkelijk ingegaan. Het betoog van Pré Wonen dat [appellanten] vanwege de wijze waarop de memorie van grieven is vormgegeven, niet ontvankelijk moeten worden verklaard, wordt derhalve verworpen.
a. spoedeisend belang

3.6
Met de kantonrechter is het hof van oordeel dat Pré Wonen als toegelaten instelling van volkshuisvesting een spoedeisend belang erbij heeft te bewerkstelligen dat haar - schaarse - sociale huurwoningen op een rechtmatige manier worden bewoond. Het door een woningcorporatie op dat punt gevoerde beleid wint aanmerkelijk aan slagkracht én, naar mag worden aangenomen, aan afschrikwekkende werking, als daarbij gebruik kan worden gemaakt van het instrument van de vordering tot ontruiming in kort geding.
b. huwelijk tussen [appellante sub 1] en [appellant sub 2]

3.7
Over de (familie)relatie tussen [appellante sub 1] en [appellant sub 2] bestaan nog veel onduidelijkheden, die ter zitting in hoger beroep niet zijn opgehelderd. Zo is in het bestreden vonnis uitgegaan van vijf gezamenlijke kinderen, van wie vier met [appellante sub 1] naar Engeland zijn gereisd. Dit stemt overeen met de vermelding in het onder 2.3 vermelde overzicht. In de appeldagvaarding en ter zitting in hoger beroep is door [appellanten] echter melding gemaakt van zeven gezamenlijke kinderen, van wie zes zijn meegereisd naar Engeland. In de appeldagvaarding is vermeld dat [appellant sub 2] ook nog vier voorkinderen zou hebben en dus elf kinderen in totaal, maar daarnaar gevraagd heeft [appellant sub 2] ter zitting gezegd dat hij drie voorkinderen heeft en zeven gezamenlijke kinderen. Het totale aantal van tien kinderen komt overeen met de inhoud van een door [appellanten] ten behoeve van de zitting nog overgelegd uittreksel uit de BRP [plaats 1] .
3.8
Ook is wisselend verklaard over het moment en de wijze waarop [appellant sub 2] zich, na het gestelde huwelijk in [plaats 2] in 2004, bij [appellante sub 1] in Nederland zou hebben gevoegd. In de appeldagvaarding is vermeld dat [appellant sub 2] in 2014 vanuit Zweden naar Nederland is gekomen, terwijl ter zitting in hoger beroep is verklaard dat hij in 2012 vanuit Zwitserland naar Nederland is gekomen. Over de verblijfsgrond is in de appeldagvaarding vermeld dat [appellant sub 2] zijn verblijfsvergunning ontleende aan verblijf bij zijn oudste dochter [A] (geboren in 2001 in [plaats 2] ), een van de drie of vier voorkinderen, maar ter zitting in hoger beroep werd het standpunt ingenomen dat het ging om verblijf bij eerdergenoemde dochter [minderjarige] , dus bij een van de gezamenlijke kinderen. Afgezien van de tegenstrijdigheid roept dit laatste de vraag op waarom [appellant sub 2] geen verblijf heeft aangevraagd bij zijn - naar hij stelt - echtgenote [appellante sub 1] . Hij heeft ter zitting verklaard dat het verblijfsrecht was gebaseerd op de stelling dat hij zijn dochter moest beschermen tegen besnijdenis, maar die stelling impliceert dat [appellant sub 2] zijn dochter [minderjarige] zou moeten beschermen tegen [appellante sub 1] , met wie hij stelt nog steeds een hecht gezin te vormen, terwijl hij haar bovendien met hun andere dochters naar Engeland heeft laten vertrekken.
3.9
Over het al dan niet bestaan van een huwelijksakte en de wijze waarop de vermelding van het huwelijk in de BRP tot stand is gekomen, hebben [appellanten] eveneens tegenstrijdig verklaard. In de appeldagvaarding is gesteld dat [appellanten] de akte in het verleden in hun bezit hebben gehad, maar na de inschrijving in de (lees:) BRP niet meer hebben gezien, implicerend dat de gemeente die akte heeft zoekgemaakt, maar in hoger beroep heeft Pré Wonen aangetoond dat de inschrijving is gebaseerd geweest op een beëdigde verklaring van [appellanten] zelf zonder onderliggende bewijsstukken, waarna dit ter zitting door [appellanten] als juist is erkend; er zou eerder een misverstand hebben bestaan.
3.10
Tegenover al bovengenoemde onduidelijkheden en tegenstrijdigheden, waarvan de opsomming niet uitputtend is bedoeld, staat echter het gegeven dat [appellant sub 2] al in het gezin aanwezig was in de periode dat [appellante sub 1] haar vorige woning van Pré Wonen huurde. Ook lijkt het op grond van de vermelding in de BRP erop dat de kinderen van [appellante sub 1] de achternaam van [appellant sub 2] dragen, althans een van die achternamen. Er is derhalve wel degelijk een zekere uitwendige schijn van het bestaan van een huwelijk en van kinderen die daaruit zijn geboren. Voor de gesignaleerde onduidelijkheden en tegenstrijdigheden zijn onschuldige verklaringen denkbaar. Naar het oordeel van het hof moet nader onderzoek worden verricht naar het al dan niet bestaan van een huwelijk tussen [appellante sub 1] en [appellant sub 2] en de mogelijkheid tot erkenning daarvan naar Nederlands recht. Voor een dergelijk onderzoek leent het kort geding zich echter niet.
c. hoofdverblijf [appellante sub 1]

3.11
Het vertrek van [appellante sub 1] met vier of zes kinderen naar Engeland merkt het hof voorshands aan als een verplaatsing van haar hoofdverblijf. Dat het verblijf in Engeland als tijdelijk was bedoeld, is in het geheel niet aannemelijk geworden. Hieraan doet niet af dat [appellante sub 1] heeft verklaard inmiddels weer terug te zijn in Nederland, naar zij stelt vanwege de Brexit (welke kwestie overigens ook ten tijde van haar vertrek al voluit speelde). Zelfs als zij nu definitief terug zou zijn, doet dat niet af aan een eerdere overtreding van de huurvoorwaarden. Of deze verhuizing grond kan opleveren voor een vordering tot ontruiming van de woning, is echter afhankelijk van de hiervoor reeds behandelde vraag of [appellante sub 1] en [appellant sub 2] al dan niet gehuwd zijn. Als zij zijn gehuwd (en dat huwelijk in Nederland kan worden erkend), is [appellant sub 2] van rechtswege medehuurder. Gelet op de systematiek van de wet en het doel van de regeling met betrekking tot het medehuurderschap van de echtgenoot in artikel 7:266 BW acht het hof het verlies van hoofdverblijf van de huurder, terwijl de medehuurder/echtgenoot in de woning achterblijft, zo al een tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst, in ieder geval een vorm van tekortkoming die de ontbinding van de huurovereenkomst niet rechtvaardigt. Het medehuurderschap is de echtgenoot immers juist toegekend ten behoeve van de situatie dat de huurder het huurderschap verliest (lid 3). Dit aspect maakt ook dat tekortkomingen van [appellante sub 1] in dit geval niet zonder meer aan [appellant sub 2] kunnen worden tegengeworpen, zoals door Pré Wonen wel is betoogd onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 3 april 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH0762). Als [appellante sub 1] en [appellant sub 2] zijn getrouwd is de ontstane situatie te vergelijken met die van een echtpaar waarvan de huurder/echtgenoot voor een bepaalde periode voor zijn of haar werk is uitgezonden naar het buitenland, terwijl de andere in Nederland achterblijft, dan wel met de situatie van een echtpaar waarvan de huurder/echtgenoot ‘de benen neemt’. In beide situaties is niet aannemelijk dat de rechter de andere echtgenoot tot ontruiming zou veroordelen wegens het verlies van hoofdverblijf van de huurder. Als [appellante sub 1] en [appellant sub 2] niet zijn getrouwd, ligt echter de ontbinding van de huurovereenkomst voor de hand en verblijft [appellant sub 2] daarna zonder recht of titel in de woning.
d. de terbeschikkingstelling van de woning aan derden

3.12
Ten slotte resteert nog het verwijt van terbeschikkingstelling van delen van de woning aan de vijf onder 2.d genoemde mannen. [appellanten] voeren aan niet in strijd te hebben gehandeld met artikel 6.5 van de Algemene Huurvoorwaarden, aangezien de vijf het adres van de woning slechts, om hen moverende redenen, hebben gebruikt als postadres. Tegen dit betoog pleit in ieder geval dat in de BRP niet is aangetekend dat het adres voor de vijf slechts een postadres was, hoewel dat, zoals niet is weersproken, wel mogelijk is. Anderzijds is gebleken dat Pré Wonen (nog) geen eigen onderzoek naar de gestelde inwoning heeft verricht, zoals wel van haar had mogen worden verwacht, maar geheel is afgegaan op de inschrijvingen zelf, in combinatie met één enkele, nogal vage, anonieme melding. Ter zitting in hoger beroep is namens Pré Wonen verklaard dat door een medewerker van Burgerzaken van de gemeente [plaats 1] is verklaard dat in het kader van een controle van de juistheid van de gegevens in de BRP [appellant sub 2] hem een rondleiding door de woning heeft gegeven en heeft aangewezen waar elk van de vijf mannen sliep. Daarmee geconfronteerd heeft [appellant sub 2] ter zitting betwist tijdens het bezoek van de gemeente aan de woning dergelijke mededelingen te hebben gedaan. Als in een later stadium zou blijken dat deze betwisting in strijd met de waarheid is, zal de bodemrechter daaraan de gevolgen kunnen verbinden die hem geraden voorkomen. Op dit moment kan het hof echter niet op de enkele mondelinge mededeling ter zitting van Pré Wonen afgaan. Over het hoe en waarom van de inschrijvingen op het adres van de woning zal nog nader onderzoek moeten plaatsvinden, waarvoor in kort geding geen plaats is.
e. en f. de tenzij-clausule en de toewijsbaarheid van een vordering tot ontruiming in kort geding

3.13
Toewijzing van een vordering tot ontruiming van een woning in kort geding is een ver gaande maatregel, waarvoor minst genomen is vereist dat in hoge mate waarschijnlijk is dat de veroordeling tot ontruiming ook in een bodemprocedure zal worden uitgesproken. In het onderhavige geval klemt dit temeer, nu ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat [minderjarige] , die is geboren in 2005 en dus minderjarig en schoolgaand is, daadwerkelijk in de woning woont, ook al betwist Pré Wonen dat. Hiervoor is al overwogen dat nog nader onderzoek moet worden verricht naar het bestaan van het gestelde huwelijk van [appellante sub 1] en [appellant sub 2] en naar de inschrijving van de vijf (andere) mannen op het adres van de woning. Dit betekent dat de toewijzing van de vordering tot (ontbinding en) ontruiming in de bodemzaak, mede gezien de mogelijkheid van toepassing van de “tenzij-clausule”, onvoldoende zeker is om toewijzing van de ontruimingsvordering in kort geding te rechtvaardigen. Wat betreft de verboden terbeschikkingstelling verdient in dit verband nog opmerking dat weliswaar ook kamerverhuur zonder schriftelijke toestemming geheel verboden is, maar in de Algemene Huurvoorwaarden duidelijk is omschreven onder welke omstandigheden die toestemming zal worden verleend, zodat, áls zou komen vast te staan dat die omstandigheden zich hier voordeden, in zoverre toepassing van de tenzij-clausule aannemelijk is.
slotsom

3.14
Het bestreden vonnis kan niet in stand blijven. De vordering tot ontruiming, voor zover gericht tegen [appellanten] , zal alsnog worden afgewezen. Als de in het ongelijk gestelde partij wordt Pré Wonen verwezen in de kosten van het geding in beide instanties. [appellanten] zullen echter niet ontvankelijk worden verklaard in hun zelfstandige tegenvorderingen, aangezien dergelijke vorderingen niet voor het eerst in hoger beroep kunnen worden ingesteld.
beslissing

4

Het hof:

vernietigt het bestreden vonnis waarbij [appellanten] zijn veroordeeld tot ontruiming van de woning en in de kosten van het geding;

en opnieuw rechtdoende:

wijst jegens [appellanten] de vordering tot ontruiming af;

veroordeelt Pré Wonen in de kosten van het geding in beide instanties, tot op heden aan de zijde van [appellanten] in eerste aanleg begroot op € 360,= voor salaris en in hoger beroep op 428,54 aan verschotten en € 3.222,= voor salaris en € 157,= voor nasalaris, te vermeerderen met € 82,= voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na dit arrest dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de kostenveroordeling is voldaan;

verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

verklaart [appellante sub 1] niet ontvankelijk in hun (overige) vorderingen in hoger beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. D.J. van der Kwaak, J.C.W. Rang en I.L. Gerrits en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 14 mei 2019.