Uitspraak ECLI:NL:GHAMS:2019:1296

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht; Ondernemingsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 16-04-2019. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof Amsterdam op 16-04-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHAMS:2019:1296, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 200.122.906/01 OK


Bron: Rechtspraak

beschikking _________________________________________________________
2. de stichting
5 de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

10. de rechtspersoon naar het recht van België
12. de rechtspersoon naar het recht van Ierland
15. de naamloze vennootschap
17. de stichting




GERECHTSHOF AMSTERDAMONDERNEMINGSKAMER18 [V] ,wonende te [....] ,19 [W] ,20 [X] ,22 [Y] , 24 [BB] , 25 [CC] ,27 [GG] , 28 [HH] ,29 [II] , 30 [JJ] , 31 [KK] , 32 [LL] , 33 [MM] , 34 [OO] ,35 [PP] ,36 [QQ] ,

zaaknummer: 200.122.906/01 OK

beschikking van de Ondernemingskamer van 16 april 2019

inzake

DE MINISTER VAN FINANCIËN

zetelend te ’s-Gravenhage,
VERZOEKER

advocaten:en , beiden kantoorhoudende te Amsterdam,
t e g e n

1.1 de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid
VERENIGING VAN EFFECTENBEZITTERS

(), gevestigd te ’s-Gravenhage,1.2 , wonende te [....] ,1.3 , wonende te [....] ,
BELANGHEBBENDEN

advocaten: voorheen en, beiden kantoorhoudende te Amsterdam, thans en, beiden kantoorhoudende te Haarlem,
e n t e g e n

STICHTING BEHEER SNS REAAL

gevestigd te Utrecht,
BELANGHEBBENDE

advocaten: en , beiden kantoorhoudende te Amsterdam,
e n t e g e n

3.1 de naamloze vennootschap
BNP PARIBAS FUND III N.V.

gevestigd te Amsterdam,3.2 de rechtspersoon naar het recht van Luxemburg
BNP PARIBAS L1

gevestigd te Luxemburg,
BELANGHEBBENDEN

advocaten: en , beiden kantoorhoudende te Amsterdam,
e n t e g e n

4.1 de maatschap
MAATSCHAP CONVERTENTIE

gevestigd te Eindhoven,4.2 , wonende te [....] ,4.3 , wonende te [....] ,4.4 , wonende te [....] ,4.5 , wonende te [....] ,4.6 , wonende te [....] ,4.7 , wonende te [....] ,4.8 de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
JURIS HOLDING B.V.

gevestigd te Amstelveen,4.9 , wonende te [....] , 4.10, wonende te [....] ,4.11, wonende te [....] ,4.12, wonende te [....] ,
BELANGHEBBENDEN

advocaat: aanvankelijk , kantoorhoudende te Amstelveen, thans zonder advocaat,
e n t e g e n

FEDERATIE NEDERLANDSE VAKBEWEGING

gevestigd te Amsterdam,
BELANGHEBBENDE

advocaten: en , beiden kantoorhoudende te Amsterdam,
e n t e g e n

6.1 de rechtspersoon naar het recht van Frankrijk
AVIVA VIE S.A.

gevestigd te Bois-Colombes, Frankrijk,6.2 de rechtspersoon naar het recht van Frankrijk
AVIVA EPARGNE RETRAITE S.A.

gevestigd te Bois-Colombes, Frankrijk,6.3 de rechtspersoon naar het recht van Frankrijk
ANTARIUS S.A.

gevestigd te Parijs, Frankrijk, 6.4 de rechtspersoon naar het recht van Frankrijk
AVIVA INVESTORS FRANCE S.A.

gevestigd te Parijs, Frankrijk, 6.5 de naamloze vennootschap
HDI-GERLING VERZEKERINGEN N.V.

gevestigd te Rotterdam,6.6 de rechtspersoon naar het recht van de Britse Maagdeneilanden
SCORE TRADE LTD,

(rechtsopvolger van ), gevestigd te Road Town, Britse Maagdeneilanden,6.7 de rechtspersoon naar het recht van de Britse Marshalleilanden
FAIRVEST HOLDING LTD

gevestigd te Majuro, Britse Marshalleilanden,6.8 de rechtspersoon naar het recht van de Britse Maagdeneilanden
ORTIKALIA VENTURES LTD

(rechtsopvolger van ), gevestigd te Road Town, Britse Maagdeneilanden,6.9 de rechtspersoon naar het recht van de Britse Maagdeneilanden
SILVERTOWN TRADING LTD

gevestigd te Tortola, Britse Maagdeneilanden,6.10 de stichting
STICHTING OBLIGATIEHOUDERS SNS

statutair gevestigd te Boekel,6.11 de rechtspersoon naar het recht van Belize
DRAFY GROUP S.A.

gevestigd te Belize City, Belize,6.12 de rechtspersoon naar het recht van Belize
CHILLER LIMITED

gevestigd te Belize City, Belize,6.13 de rechtspersoon naar het recht van Panama,
GAPAGO TRADE S.A.

gevestigd te Panama City, Panama,
BELANGHEBBENDEN

advocaat: , kantoorhoudende te ’s-Gravenhage,
e n t e g e n

7.1 de rechtspersoon naar het recht van de Kaaimaneilanden
BRIGADE DISTRESSED VALUE MASTER FUND LTD

7.2 vennootschap naar het recht van de Kaaimaneilanden
BRIGADE LEVERAGED CAPITAL STRUCTURES FUND LTD

7.3 de vennootschap naar het recht van de Kaaimaneilanden
BRIGADE CREDIT FUND 1 LTD

allen gevestigd te Grand Cayman, Kaaimaneilanden,7.4. de vennootschap naar het recht van Ierland
BURLINGTON LOAN MANAGEMENT LIMITED

gevestigd te Dublin, Ierland,
BELANGHEBBENDEN

advocaten: voorheen en , beiden kantoorhoudende te ’s‑Gravenhage, thans en, beiden kantoorhoudende te Amsterdam,
e n t e g e n

8.1 de rechtspersoon naar het recht van Italië
ALPHA VALUE MANAGEMENT ITALY LTD.

8.2 , ,8.3 ,8.4 ,8.5 , allen wonende of gevestigd in [....] ,
BELANGHEBBENDEN

advocaat: , kantoorhoudende te Amsterdam,
e n t e g e n

8.6 ,wonende te [....] ,
BELANGHEBBENDE

aanvankelijk bijgestaan door mr. M.W.E. Evers en mr. D.J.M. Lange, beiden kantoorhoudende te Amsterdam, en vervolgens door mr. J. Meuleman, advocaat te Amsterdam, thans zonder advocaat,
e n t e g e n

9.1 de rechtspersoon naar het recht van Italië
UNIPOL ASSICURAZIONI S.P.A.

gevestigd te Bologna, Italië,9.2 de rechtspersoon naar het recht van Italië
UNIPOL GRUPO FINANZIARIO S.P.A.

gevestigd te Bologna, Italië,9.3 de rechtspersoon naar het recht van Italië
ARCA VITA S.P.A.

gevestigd te Verona, Italië,9.4 de rechtspersoon naar het recht van Italië
FONDIARIA SA.I S.P.A.

gevestigd te Turijn, Italië,9.5 de rechtspersoon naar het recht van Italië
MILANO ASSICURAZIONI S.P.A.

gevestigd te Milaan, Italië,
BELANGHEBBENDEN

advocaten: voorheen en , beiden kantoorhoudende te Amsterdam, thans zonder advocaat,
e n t e g e n

INTÉGRALE GEMEENSCHAPPELIJKE VERZEKERINGSKAS

gevestigd te Luik, België,
BELANGHEBBENDE

advocaten: en , beiden kantoorhoudende te ’s‑Gravenhage,
e n t e g e n

11.1 de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
TURFMIJ B.V.

gevestigd te Amstelveen,11.2 de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
CASTRIFON B.V.

gevestigd te Amsterdam, 11.3 ,
BELANGHEBBENDEN

advocaten: en , beiden kantoorhoudende te Amsterdam,
e n t e g e n

ANDALUSIAN GLOBAL LIMITED

gevestigd te Dublin, Ierland,
BELANGHEBBENDE

advocaten: en , allen kantoorhoudende te Amsterdam,
e n t e g e n

13.1 de rechtspersoon naar het recht van Luxemburg
CCP CREDIT ACQUISITION HOLDINGS LUXCO SARL

13.2 de rechtspersoon naar het recht van Luxemburg
CSCP 11 ACQUISITION LUXCO SARL

beide gevestigd te Luxemburg, Luxemburg,
BELANGHEBBENDEN

advocaten: en , beiden kantoorhoudende te Amsterdam,
e n t e g e n

14.1 de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid
BELEGGINGSCLUB 'T STOCKPAERT

gevestigd te Rotterdam,14.2 de stichting
STICHTING VALUE PARTNERS FAMILY OFFICE

gevestigd te Moordrecht, gemeente Zuidplas,14.3 de naamloze vennootschap
OPHORST VAN MARWIJK KOOY VERMOGENSBEHEER N.V.

gevestigd te Moordrecht, gemeente Zuidplas, 14.4 , wonende te [....] ,
BELANGHEBBENDEN

advocaat: , kantoorhoudende te Rotterdam,
e n t e g e n

HOF HOORNEMAN BANKIERS N.V.

gevestigd te Gouda,
BELANGHEBBENDE

advocaat: voorheen , kantoorhoudende te Amsterdam, thans geen,
e n t e g e n

16.1 de rechtspersoon naar het recht van Italië
UBI PRAMERICA SGR S.P.A.

16.2 de rechtspersoon naar het recht van Italië
INTESA SAN PAOLO VITA S.P.A.

beide gevestigd te Italië,
BELANGHEBBENDEN

advocaten: en , beiden kantoorhoudende te Amsterdam,
e n t e g e n

STICHTING COMPENSATIE SNS PARTIPATIE CERTIFICATEN

gevestigd te Deurne,
BELANGHEBBENDE

advocaat: , kantoorhoudende te Amsterdam,
e n t e g e n

BELANGHEBBENDE

advocaat: , kantoorhoudende te Arnhem,
e n t e g e n

wonende te [....] ,
BELANGHEBBENDE

advocaat: , kantoorhoudende te Heerlen,
e n t e g e n

wonende te [....] ,
BELANGHEBBENDE

advocaat: , kantoorhoudende te Alkmaar,
e n t e g e n

wonende te [....] ,
BELANGHEBBENDE,

advocaat: voorheen , kantoorhoudende te Zwolle, thans geen,
e n t e g e n

wonende te [....] ,BELANGHEBBENDEmr. R.J. Borghans
e n t e g e n

wonende te [....] ,
BELANGHEBBENDE

advocaat: , kantoorhoudende te Amsterdam,
e n t e g e n

wonende te [....] ,
BELANGHEBBENDE

in persoon verschenen,
e n t e g e n

wonende te [....] ,
BELANGHEBBENDE

in persoon verschenen,
e n t e g e n

wonende te [....] ,
BELANGHEBBENDE

in persoon verschenen,
e n t e g e n

wonende te [....] ,
BELANGHEBBENDE

in persoon verschenen,
e n t e g e n

wonende te [....] ,
BELANGHEBBENDE

in persoon verschenen,
e n t e g e n

wonende te [....] ,
BELANGHEBBENDE

in persoon verschenen,
e n t e g e n

wonende te [....] ,
BELANGHEBBENDE

in persoon verschenen,
e n t e g e n

wonende te [....] ,
BELANGHEBBENDE

in persoon verschenen,
e n t e g e n

wonende te [....] ,
BELANGHEBBENDE

advocaat: voorheen geen, thans , kantoorhoudende te ’s-Gravenhage,
e n t e g e n

wonende te [....] ,
BELANGHEBBENDE

advocaat: voorheen , kantoorhoudende te Wassenaar, thans , kantoorhoudende te Leiden,
e n t e g e n

21.1
de stichting
STICHTING MELDPUNT COLLECTIEF ONRECHT

gevestigd te Heerhugowaard,
21.2
DE 48 PERSONEN GENOEMD IN BIJLAGE 1 BIJ HET VERWEERSCHRIFT VAN BELANGHEBBENDE SUB 21.1

BELANGHEBBENDEN

advocaat: kantoorhoudende te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer,
e n t e g e n

23.1
[Z]

23.2
[AA]

beiden wonende te [....] ,
BELANGHEBBENDEN

advocaat: , kantoorhoudende te Arnhem,
e n t e g e n

26.1
[DD]

wonende te [....] ,
26.2
[EE]

wonende te [....] ,
26.3
[FF]

wonende te [....] ,
BELANGHEBBENDEN

in persoon verschenen,
e n t e g e n

37.1
[RR] ,

37.2
[SS] ,

37.3
[TT] ,

37.4
[UU] ,

37.5
[VV] ,

37.6
[WW] ,

37.7
[XX] ,

37.8
[YY] ,

37.9
[ZZ] ,

37.10
[AAA] ,

allen wonende te [....] ,
BELANGHEBBENDEN

advocaat: , kantoorhoudende te ’s-Gravenhage.

ECLI:NL:GHAMS:2019:1296:DOC
nl

beschikking _________________________________________________________
2. de stichting
5 de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

10. de rechtspersoon naar het recht van België
12. de rechtspersoon naar het recht van Ierland
15. de naamloze vennootschap
17. de stichting




GERECHTSHOF AMSTERDAMONDERNEMINGSKAMER18 [V] ,wonende te [....] ,19 [W] ,20 [X] ,22 [Y] , 24 [BB] , 25 [CC] ,27 [GG] , 28 [HH] ,29 [II] , 30 [JJ] , 31 [KK] , 32 [LL] , 33 [MM] , 34 [OO] ,35 [PP] ,36 [QQ] ,
zaaknummer: 200.122.906/01 OK

beschikking van de Ondernemingskamer van 16 april 2019

inzake

DE MINISTER VAN FINANCIËN

zetelend te ’s-Gravenhage,
VERZOEKER

advocaten:en , beiden kantoorhoudende te Amsterdam,
t e g e n

1.1 de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid
VERENIGING VAN EFFECTENBEZITTERS

(), gevestigd te ’s-Gravenhage,1.2 , wonende te [....] ,1.3 , wonende te [....] ,
BELANGHEBBENDEN

advocaten: voorheen en, beiden kantoorhoudende te Amsterdam, thans en, beiden kantoorhoudende te Haarlem,
e n t e g e n

STICHTING BEHEER SNS REAAL

gevestigd te Utrecht,
BELANGHEBBENDE

advocaten: en , beiden kantoorhoudende te Amsterdam,
e n t e g e n

3.1 de naamloze vennootschap
BNP PARIBAS FUND III N.V.

gevestigd te Amsterdam,3.2 de rechtspersoon naar het recht van Luxemburg
BNP PARIBAS L1

gevestigd te Luxemburg,
BELANGHEBBENDEN

advocaten: en , beiden kantoorhoudende te Amsterdam,
e n t e g e n

4.1 de maatschap
MAATSCHAP CONVERTENTIE

gevestigd te Eindhoven,4.2 , wonende te [....] ,4.3 , wonende te [....] ,4.4 , wonende te [....] ,4.5 , wonende te [....] ,4.6 , wonende te [....] ,4.7 , wonende te [....] ,4.8 de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
JURIS HOLDING B.V.

gevestigd te Amstelveen,4.9 , wonende te [....] , 4.10, wonende te [....] ,4.11, wonende te [....] ,4.12, wonende te [....] ,
BELANGHEBBENDEN

advocaat: aanvankelijk , kantoorhoudende te Amstelveen, thans zonder advocaat,
e n t e g e n

FEDERATIE NEDERLANDSE VAKBEWEGING

gevestigd te Amsterdam,
BELANGHEBBENDE

advocaten: en , beiden kantoorhoudende te Amsterdam,
e n t e g e n

6.1 de rechtspersoon naar het recht van Frankrijk
AVIVA VIE S.A.

gevestigd te Bois-Colombes, Frankrijk,6.2 de rechtspersoon naar het recht van Frankrijk
AVIVA EPARGNE RETRAITE S.A.

gevestigd te Bois-Colombes, Frankrijk,6.3 de rechtspersoon naar het recht van Frankrijk
ANTARIUS S.A.

gevestigd te Parijs, Frankrijk, 6.4 de rechtspersoon naar het recht van Frankrijk
AVIVA INVESTORS FRANCE S.A.

gevestigd te Parijs, Frankrijk, 6.5 de naamloze vennootschap
HDI-GERLING VERZEKERINGEN N.V.

gevestigd te Rotterdam,6.6 de rechtspersoon naar het recht van de Britse Maagdeneilanden
SCORE TRADE LTD,

(rechtsopvolger van ), gevestigd te Road Town, Britse Maagdeneilanden,6.7 de rechtspersoon naar het recht van de Britse Marshalleilanden
FAIRVEST HOLDING LTD

gevestigd te Majuro, Britse Marshalleilanden,6.8 de rechtspersoon naar het recht van de Britse Maagdeneilanden
ORTIKALIA VENTURES LTD

(rechtsopvolger van ), gevestigd te Road Town, Britse Maagdeneilanden,6.9 de rechtspersoon naar het recht van de Britse Maagdeneilanden
SILVERTOWN TRADING LTD

gevestigd te Tortola, Britse Maagdeneilanden,6.10 de stichting
STICHTING OBLIGATIEHOUDERS SNS

statutair gevestigd te Boekel,6.11 de rechtspersoon naar het recht van Belize
DRAFY GROUP S.A.

gevestigd te Belize City, Belize,6.12 de rechtspersoon naar het recht van Belize
CHILLER LIMITED

gevestigd te Belize City, Belize,6.13 de rechtspersoon naar het recht van Panama,
GAPAGO TRADE S.A.

gevestigd te Panama City, Panama,
BELANGHEBBENDEN

advocaat: , kantoorhoudende te ’s-Gravenhage,
e n t e g e n

7.1 de rechtspersoon naar het recht van de Kaaimaneilanden
BRIGADE DISTRESSED VALUE MASTER FUND LTD

7.2 vennootschap naar het recht van de Kaaimaneilanden
BRIGADE LEVERAGED CAPITAL STRUCTURES FUND LTD

7.3 de vennootschap naar het recht van de Kaaimaneilanden
BRIGADE CREDIT FUND 1 LTD

allen gevestigd te Grand Cayman, Kaaimaneilanden,7.4. de vennootschap naar het recht van Ierland
BURLINGTON LOAN MANAGEMENT LIMITED

gevestigd te Dublin, Ierland,
BELANGHEBBENDEN

advocaten: voorheen en , beiden kantoorhoudende te ’s‑Gravenhage, thans en, beiden kantoorhoudende te Amsterdam,
e n t e g e n

8.1 de rechtspersoon naar het recht van Italië
ALPHA VALUE MANAGEMENT ITALY LTD.

8.2 , ,8.3 ,8.4 ,8.5 , allen wonende of gevestigd in [....] ,
BELANGHEBBENDEN

advocaat: , kantoorhoudende te Amsterdam,
e n t e g e n

8.6 ,wonende te [....] ,
BELANGHEBBENDE

aanvankelijk bijgestaan door mr. M.W.E. Evers en mr. D.J.M. Lange, beiden kantoorhoudende te Amsterdam, en vervolgens door mr. J. Meuleman, advocaat te Amsterdam, thans zonder advocaat,
e n t e g e n

9.1 de rechtspersoon naar het recht van Italië
UNIPOL ASSICURAZIONI S.P.A.

gevestigd te Bologna, Italië,9.2 de rechtspersoon naar het recht van Italië
UNIPOL GRUPO FINANZIARIO S.P.A.

gevestigd te Bologna, Italië,9.3 de rechtspersoon naar het recht van Italië
ARCA VITA S.P.A.

gevestigd te Verona, Italië,9.4 de rechtspersoon naar het recht van Italië
FONDIARIA SA.I S.P.A.

gevestigd te Turijn, Italië,9.5 de rechtspersoon naar het recht van Italië
MILANO ASSICURAZIONI S.P.A.

gevestigd te Milaan, Italië,
BELANGHEBBENDEN

advocaten: voorheen en , beiden kantoorhoudende te Amsterdam, thans zonder advocaat,
e n t e g e n

INTÉGRALE GEMEENSCHAPPELIJKE VERZEKERINGSKAS

gevestigd te Luik, België,
BELANGHEBBENDE

advocaten: en , beiden kantoorhoudende te ’s‑Gravenhage,
e n t e g e n

11.1 de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
TURFMIJ B.V.

gevestigd te Amstelveen,11.2 de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
CASTRIFON B.V.

gevestigd te Amsterdam, 11.3 ,
BELANGHEBBENDEN

advocaten: en , beiden kantoorhoudende te Amsterdam,
e n t e g e n

ANDALUSIAN GLOBAL LIMITED

gevestigd te Dublin, Ierland,
BELANGHEBBENDE

advocaten: en , allen kantoorhoudende te Amsterdam,
e n t e g e n

13.1 de rechtspersoon naar het recht van Luxemburg
CCP CREDIT ACQUISITION HOLDINGS LUXCO SARL

13.2 de rechtspersoon naar het recht van Luxemburg
CSCP 11 ACQUISITION LUXCO SARL

beide gevestigd te Luxemburg, Luxemburg,
BELANGHEBBENDEN

advocaten: en , beiden kantoorhoudende te Amsterdam,
e n t e g e n

14.1 de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid
BELEGGINGSCLUB 'T STOCKPAERT

gevestigd te Rotterdam,14.2 de stichting
STICHTING VALUE PARTNERS FAMILY OFFICE

gevestigd te Moordrecht, gemeente Zuidplas,14.3 de naamloze vennootschap
OPHORST VAN MARWIJK KOOY VERMOGENSBEHEER N.V.

gevestigd te Moordrecht, gemeente Zuidplas, 14.4 , wonende te [....] ,
BELANGHEBBENDEN

advocaat: , kantoorhoudende te Rotterdam,
e n t e g e n

HOF HOORNEMAN BANKIERS N.V.

gevestigd te Gouda,
BELANGHEBBENDE

advocaat: voorheen , kantoorhoudende te Amsterdam, thans geen,
e n t e g e n

16.1 de rechtspersoon naar het recht van Italië
UBI PRAMERICA SGR S.P.A.

16.2 de rechtspersoon naar het recht van Italië
INTESA SAN PAOLO VITA S.P.A.

beide gevestigd te Italië,
BELANGHEBBENDEN

advocaten: en , beiden kantoorhoudende te Amsterdam,
e n t e g e n

STICHTING COMPENSATIE SNS PARTIPATIE CERTIFICATEN

gevestigd te Deurne,
BELANGHEBBENDE

advocaat: , kantoorhoudende te Amsterdam,
e n t e g e n

BELANGHEBBENDE

advocaat: , kantoorhoudende te Arnhem,
e n t e g e n

wonende te [....] ,
BELANGHEBBENDE

advocaat: , kantoorhoudende te Heerlen,
e n t e g e n

wonende te [....] ,
BELANGHEBBENDE

advocaat: , kantoorhoudende te Alkmaar,
e n t e g e n

wonende te [....] ,
BELANGHEBBENDE,

advocaat: voorheen , kantoorhoudende te Zwolle, thans geen,
e n t e g e n

wonende te [....] ,BELANGHEBBENDEmr. R.J. Borghans
e n t e g e n

wonende te [....] ,
BELANGHEBBENDE

advocaat: , kantoorhoudende te Amsterdam,
e n t e g e n

wonende te [....] ,
BELANGHEBBENDE

in persoon verschenen,
e n t e g e n

wonende te [....] ,
BELANGHEBBENDE

in persoon verschenen,
e n t e g e n

wonende te [....] ,
BELANGHEBBENDE

in persoon verschenen,
e n t e g e n

wonende te [....] ,
BELANGHEBBENDE

in persoon verschenen,
e n t e g e n

wonende te [....] ,
BELANGHEBBENDE

in persoon verschenen,
e n t e g e n

wonende te [....] ,
BELANGHEBBENDE

in persoon verschenen,
e n t e g e n

wonende te [....] ,
BELANGHEBBENDE

in persoon verschenen,
e n t e g e n

wonende te [....] ,
BELANGHEBBENDE

in persoon verschenen,
e n t e g e n

wonende te [....] ,
BELANGHEBBENDE

advocaat: voorheen geen, thans , kantoorhoudende te ’s-Gravenhage,
e n t e g e n

wonende te [....] ,
BELANGHEBBENDE

advocaat: voorheen , kantoorhoudende te Wassenaar, thans , kantoorhoudende te Leiden,
e n t e g e n

21.1
de stichting
STICHTING MELDPUNT COLLECTIEF ONRECHT

gevestigd te Heerhugowaard,
21.2
DE 48 PERSONEN GENOEMD IN BIJLAGE 1 BIJ HET VERWEERSCHRIFT VAN BELANGHEBBENDE SUB 21.1

BELANGHEBBENDEN

advocaat: kantoorhoudende te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer,
e n t e g e n

23.1
[Z]

23.2
[AA]

beiden wonende te [....] ,
BELANGHEBBENDEN

advocaat: , kantoorhoudende te Arnhem,
e n t e g e n

26.1
[DD]

wonende te [....] ,
26.2
[EE]

wonende te [....] ,
26.3
[FF]

wonende te [....] ,
BELANGHEBBENDEN

in persoon verschenen,
e n t e g e n

37.1
[RR] ,

37.2
[SS] ,

37.3
[TT] ,

37.4
[UU] ,

37.5
[VV] ,

37.6
[WW] ,

37.7
[XX] ,

37.8
[YY] ,

37.9
[ZZ] ,

37.10
[AAA] ,

allen wonende te [....] ,
BELANGHEBBENDEN

advocaat: , kantoorhoudende te ’s-Gravenhage.
1

1.1
Partijen zullen hierna als volgt worden aangeduid:
-

verzoeker als de Minister;

belanghebbenden sub 1 als VEB c.s.;

belanghebbende sub 2 als Stichting Beheer;

belanghebbenden sub 3 als BNP c.s.;

belanghebbenden sub 4 als Maatschap Convertentie c.s.;

belanghebbende sub 5 als FNV;

belanghebbenden sub 6 als Aviva c.s.;

belanghebbenden sub 7 als Brigade Fund c.s.;

belanghebbenden sub 8 als Alpha Value c.s.;

belanghebbende sub 9 als Unipol c.s.;

belanghebbende sub 10 als Intégrale Gemeenschappelijke Verzekeringskas;

belanghebbenden sub 11 als Turfmij c.s.;

belanghebbende sub 12 als Andalusian Global;

belanghebbenden sub 13 als CCP c.s.;

belanghebbenden sub 14 als ‘t Stockpaert c.s.;

belanghebbende sub 15 als Hof Hoorneman Bankiers;

belanghebbenden sub 16 als UBI Pramerica c.s.;

belanghebbenden sub 17 als Stichting Compensatie;

belanghebbende sub 18 als [V] ;

belanghebbende sub 19 als [W] ;

belanghebbende sub 20 als [X] ;

belanghebbenden sub 21 als Stichting Meldpunt c.s.;

belanghebbende sub 22 als [Y] ;

belanghebbenden sub 23 als [Z] c.s.;

belanghebbende sub 24 als [BB] ;

belanghebbende sub 25 als [CC] ;

belanghebbenden sub 26 als [DD] c.s.;

belanghebbende sub 27 als [GG] ;

belanghebbende sub 28 als [HH] ;

belanghebbende sub 29 als [II] ;

belanghebbende sub 30 als [JJ] ;

belanghebbende sub 31 als [KK] ;

belanghebbende sub 32 als [LL] ;

belanghebbende sub 33 als [MM] ;

belanghebbende sub 34 als [OO] ;

belanghebbende sub 35 als [PP] ;

belanghebbende sub 36 als [QQ] ; en

belanghebbenden sub 37 als [RR] c.s.

1.2
Voor het eerdere verloop van het geding verwijst de Ondernemingskamer naar haar beschikkingen van 11 juli 2013, 26 februari 2016, 16 augustus 2016 en 3 november 2017, alle in de zaak met nummer 200.122.906/01 OK, en haar beschikking van 14 december 2017 in de zaak met nummer 200.122.906/02 OK.
1.3
In de beschikking van 26 februari 2016 heeft de Ondernemingskamer kort gezegd:
- een onderzoek door deskundigen gelast ter beantwoording van de vraag:
- tot deskundigen benoemd:
Wat was op 1 februari 2013, onmiddellijk voorafgaande aan de onteigening – op het hiervoor in 3.11 vermelde peilmoment – , naar uw oordeel de werkelijke waarde in de zin van artikel 6:8 lid 2 Wft van elk van de op de hierna volgende lijst vermelde effecten en vermogensbestanddelen naar de hiervoor onder 3.10 genoemde maatstaf en met inachtneming van hetgeen overigens in deze beschikking is overwogen?

mr. A.A.M. Deterink, te Schijndel (hierna: Deterink);dr. H. Oosterhout, te Amsterdam (hierna: Oosterhout);mr. E.M. Jansen Schoonhoven MBA, te Den Haag (hierna: Jansen Schoonhoven).
1.4
De deskundigen hebben op 27 april 2018 hun bericht uitgebracht.
1.5
Op 29 juni 2018 heeft de Minister ter griffie van de Ondernemingskamer een akte na deskundigenbericht, met producties ingediend. De Minister heeft daarbij zijn verzoek gewijzigd. Aanvankelijk strekte zijn verzoek tot vaststelling van de schadeloosstelling op nihil voor alle onteigende effecten en vermogensbestanddelen. Thans verzoekt de Minister – kort gezegd – de schadeloosstelling (a) ten aanzien van de onteigende effecten en vermogensbestanddelen van SNS Bank vast te stellen op € 10 miljoen, althans € 129,55 miljoen, althans € 249,1 miljoen, (b) ten aanzien van de participatiecertificaten op € 45,19 miljoen, althans € 48,05 miljoen, althans € 50,9 miljoen en (c) ten aanzien van de achtergestelde effecten en vermogensbestanddelen van SNS Reaal op nihil.
1.6
Op 30 juli 2018 heeft de Minister ter griffie van de Ondernemingskamer een akte uitlating kosten deskundigenonderzoek en draagplicht partijen dienaangaande ingediend.
1.7
Op 22 oktober 2018 heeft de Ondernemingskamer producties ontvangen van [PP] .
1.8
Op 29 oktober 2018 heeft de Ondernemingskamer een brief met bijlage van [PP] ontvangen.
1.9
Op 13 september 2018 zijn ter griffie van de Ondernemingskamer ontvangen:- een antwoordakte na deskundigenbericht met productie van ‘t Stockpaert c.s.;- een antwoordakte na deskundigenbericht met productie van Stichting Compensatie;
1.10
Op 14 september 2018 zijn ter griffie van de Ondernemingskamer ontvangen:- een akte na deskundigenbericht, tevens antwoordakte van VEB c.s.;- een antwoordakte na deskundigenbericht met producties van Stichting Beheer;- een antwoordakte na deskundigenbericht met producties van BNP c.s.;- een antwoordakte na deskundigenbericht met producties van FNV;- een antwoordakte na deskundigenbericht met producties van Aviva c.s.;- een antwoordakte na deskundigenbericht met producties van Brigade Fund c.s.;- een antwoordakte na deskundigenbericht met producties van Alpha Value c.s.;- een akte na deskundigenbericht met producties van Intégrale Gemeenschappelijke Verzekeringskas;- een akte na deskundigenbericht met producties van Turfmij c.s.;- een antwoordakte na deskundigenbericht met producties van Andalusian Global;- een antwoordakte na deskundigenbericht met productie van CCP c.s.;- een antwoordakte na deskundigenbericht met productie van UBI Pramerica c.s.; en - een antwoordakte na deskundigenbericht met producties van [PP] .
1.11
Op 29 oktober 2018 is ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen een brief van mr. Sluysmans waarmee hij zich voor [RR] c.s. als belanghebbenden in deze procedure heeft gemeld.
1.12
Op 2 november 2018 heeft de Ondernemingskamer een brief van [PP] ontvangen.
1.13
Op 8 november 2018 heeft de Ondernemingskamer een brief van ’t Stockpaert c.s. ontvangen.
1.14
Op 12 november 2018 heeft de Minister ter griffie van de Ondernemingskamer een nadere (antwoord)akte na deskundigenbericht, met producties ingediend.
1.15
Op 20 november 2018 zijn ter griffie van de Ondernemingskamer ontvangen:- een brief van [BB] , [Z] en [V] ; en- een brief van [OO] .
1.16
Op 21 november 2019 zijn ter griffie van de Ondernemingskamer ontvangen:- een reactie op nadere antwoordakte na deskundigenbericht met productie van Stichting Beheer;- een nadere antwoordakte na deskundigenbericht met productie van FNV;- een aanvullende antwoordakte na deskundigenbericht met producties van Brigade Fund c.s.;- een nadere antwoordakte na deskundigenbericht van Andalusian Global; en- een nadere antwoordakte na deskundigenbericht van CCP c.s.
1.17
Op 22 november 2018 zijn ter griffie van de Ondernemingskamer ontvangen:- een nadere antwoordakte met producties van VEB c.s.;- een nadere antwoordakte na deskundigenbericht van Aviva c.s.;- een nadere akte met productie van ‘t Stockpaert c.s.; en- een nadere antwoordakte na deskundigenbericht van [PP] .
1.18
Op 23 november 2018 is ter griffie van de Ondernemingskamer ontvangen:- een brief met producties van Stichting Compensatie c.s.
1.19
Op 26 november 2018 is ter griffie van de Ondernemingskamer ontvangen:- een e-mail met bijlage van [QQ] .
1.20
De mondelinge behandeling na deskundigenbericht vond plaats ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 29 november 2018. Bij die gelegenheid hebben de volgende advocaten de standpunten van de door hen vertegenwoordigde partijen toegelicht, allen aan de hand van - aan de Ondernemingskamer en de wederpartij overgelegde - aantekeningen:
- mr. De Haan en mr. Van Calker, namens de Minister;- mr. Cornegoor, namens VEB c.s.;- mr. Soerjatin, namens FNV- mr. Te Winkel, namens Brigade Fund c.s.;- mr. Spinath, namens Stichting Beheer;- mr. Wolters, namens Turfmij c.s.
Voorts heeft mr. Voerman namens CCP c.s. het woord gevoerd.

1.21
Verder hebben de belanghebbenden [PP] , [MM] , [OO] en [BBB] namens Stichting Compensatie het woord gevoerd, ieder aan de hand van - aan de Ondernemingskamer en de wederpartij overgelegde - aantekeningen en wat [OO] betreft onder overlegging van op voorhand aan de Ondernemingskamer en de wederpartijen toegezonden aantekeningen. [BBB] heeft aanvullende producties overgelegd.
1.22
Partijen, hun advocaten en vertegenwoordigers en de deskundigen hebben vragen van de Ondernemingskamer beantwoord en inlichtingen verstrekt.
beslissing

2

Uitgangspunten

2.1
De Ondernemingskamer gaat bij de verdere beoordeling uit van de feiten zoals die blijken uit haar eerdere beschikkingen en de beschikking van de Hoge Raad van 20 maart 2015 (ECLI:NL:HR:2015:661, hierna: de beschikking van de Hoge Raad).
2.2
De Ondernemingskamer dient zelfstandig te onderzoeken welke schadeloosstelling aan de onteigenden toekomt en is daarbij niet gebonden aan het advies van de door haar benoemde deskundigen. Ook is de Ondernemingskamer niet gebonden aan de standpunten van partijen over de hoogte van de schadeloosstelling. Indien de stukken van het geding daartoe aanknopingspunten verschaffen, dient de Ondernemingskamer ambtshalve onderzoek te doen naar de betekenis van die aanknopingspunten voor de schadeloosstelling. De Ondernemingskamer mag in een zodanig geval in beginsel geen gevolgen verbinden aan het nalaten van partijen om uit eigen beweging (tijdig) gegevens te verschaffen. Wel kan zij daartoe aan partijen instructies geven en mag zij gevolgen verbinden aan de wijze waarop partijen aan die instructies gehoor geven (Hoge Raad 9 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1069). Tegen deze achtergrond zal de Ondernemingskamer voor zover van belang hierna nader ingaan op het deskundigenbericht en de standpunten van partijen. Daarbij geldt dat indien het standpunt van een door een partij geraadpleegde deskundige afwijkt van dat van de deskundigen, de Ondernemingskamer haar beslissing om de zienswijze van de deskundigen te volgen in het algemeen niet verder hoeft te motiveren dan door te overwegen dat de door de deskundigen gebezigde motivering haar overtuigend voorkomt. Wel zal de Ondernemingskamer ingaan op specifieke bezwaren van partijen tegen de zienswijze van de deskundigen, indien deze bezwaren een voldoende gemotiveerde betwisting inhouden van de juistheid van deze zienswijze (Hoge Raad 3 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1468).
2.3
In de beschikking van 26 februari 2016 heeft de Ondernemingskamer in rov. 3.70 als volgt overwogen:

“Met inachtneming van hetgeen hierboven is overwogen met betrekking tot de bij de vaststelling van de schadeloosstelling te hanteren maatstaf en uitgangspunten, zal de Ondernemingskamer aan de deskundigen de volgende vraag voorleggen:

Wat was op 1 februari 2013, onmiddellijk voorafgaande aan de onteigening – op het hiervoor in 3.11 vermelde peilmoment – , naar uw oordeel de werkelijke waarde in de zin van artikel 6:8 lid 2 Wft van elk van de op de hierna volgende lijst vermelde effecten en vermogensbestanddelen naar de hiervoor onder 3.10 genoemde maatstaf en met inachtneming van hetgeen overigens in deze beschikking is overwogen?

Lijst

1. Effecten, uitgegeven door of met medewerking van SNS Reaal, onderscheidenlijk SNS Bank, onteigend ten name van de Staat:

a. b. e. f. g. 3°. 6.25% achtergestelde obligaties SNS Bank; 4°. 6.625% achtergestelde obligaties SNS Bank;
h. i.
2. Vermogensbestanddelen van SNS Reaal, onderscheidenlijk SNS Bank, onteigend ten name van de Stichting Afwikkeling Onderhandse Schulden SNS Reaal:

1°. de Van Doorn lening 2000-2020 (7.13%);

2°. de Van Doorn lening 2000-2020 (7.10%); 3°. de Stichting lening 1997-2014;
4°. de Poseidon lening 1999-2019; 5°. de Ohra Stichting lening 1999-2024.
Bij deze waardebepaling geldt, zoals hiervoor bij de overwegingen omtrent de maatstaf is vastgesteld, het volgende.

De deskundigen dienen uit te gaan

- -
Tot de feiten en omstandigheden die zich op het peilmoment voordeden behoren

- - -
Bij dit een en ander dient te worden geabstraheerd van het concrete voornemen tot en de voorbereidingen voor de onteigening alsmede van de omstandigheid dat de Minister als gegadigde tot op zekere hoogte in een dwangpositie verkeerde, omdat SNS Bank als systeemrelevante instelling moet worden beschouwd. Een gevonden waarde van het onteigende dient te worden gecorrigeerd, indien en voor zover deze waarde mede hierdoor wordt bepaald.

De Ondernemingskamer acht het voorshands aannemelijk dat DNB, in de situatie dat geen onteigening zou hebben plaatsgevonden, kort na 1 februari 2013 de rechtbank Amsterdam zou hebben verzocht om toepassing van de noodregeling als bedoeld in artikel 3:160 Wft en dat de rechtbank dit verzoek zou hebben toegewezen. Het staat de deskundigen evenwel vrij een ander toekomstperspectief (mede) in hun beoordeling te betrekken indien zij aanwijzingen hebben dat (er een aanzienlijke kans zou zijn geweest dat) DNB niettemin zou hebben afgezien van een verzoek om toepassing van de noodregeling en/of dat de rechtbank toepassing van de noodregeling zou hebben afgewezen.

De deskundigen dienen het voorts tot hun taak te rekenen om te onderzoeken of en in welke mate de door de Staat in 2008 in de vorm van Core Tier 1 capital securities verleende staatssteun (€ 750 miljoen waarvan nog € 565 miljoen resteert), gelet op de (resterende) terugbetalingsverplichting, de boeterente en verdere voorwaarden, per saldo – op het peilmoment – een kwantificeerbaar waardeverhogend effect had op de onteigende effecten en vermogensbestanddelen. Dit geldt op overeenkomstige wijze voor eventuele andere steun die zou zijn verleend, bijvoorbeeld in de vorm van door de Staat verstrekte garanties.

De deskundigen dienen de SNS Participatie Certificaten 3 te waarderen zowel ervan uitgaande dat deze als achtergesteld moeten worden beschouwd, als ervan uitgaande dat deze niet als achtergesteld worden beschouwd.

Alle overige te waarderen obligaties en andere vorderingen moeten als achtergesteld worden aangemerkt zoals neergelegd in de desbetreffende overeenkomsten, ook de Stichting Beheer SNS Reaal Core Tier 1 securities en de FNV Stichting lening 1997-2014.

De crediteuren van de achtergestelde vorderingen op SNS Bank moeten – bij hun aanspraken uit artikel 2:403 BW op SNS Reaal – worden aangemerkt als concurrente crediteuren van SNS Reaal.

De deskundigen dienen de vraag – bij voorkeur gezamenlijk – gemotiveerd te beantwoorden. Zij dienen daarbij alle omstandigheden in aanmerking te nemen die voor die waarde bepalend zijn, daaronder begrepen de relevante voorwaarden en verdere bepalingen die op de onderscheiden effecten en vermogensbestanddelen van toepassing zijn.”

Het deskundigenbericht

2.4
De deskundigen hebben op 28 april 2018 hun bericht uitgebracht. De deskundigen hebben in hun bericht allereerst onderzocht wat het te verwachten toekomstperspectief was van SNS Reaal en SNS Bank op 1 februari 2013. Uitgaande van dat toekomstperspectief hebben de deskundigen, op grond van de bestaande vermogenspositie van respectievelijk SNS Bank en SNS Reaal per 1 februari 2013, geanalyseerd wat de te verwachten gevolgen zouden zijn voor de onteigende effecten en vermogensbestanddelen. De deskundigen hebben vervolgens op basis van de uitkomst van die analyse een inschatting gemaakt van de prijs die redelijk handelende personen voor de onteigende effecten en vermogensbestanddelen zouden zijn overeengekomen als zij volledig op de hoogte waren geweest van de gevolgen van het te verwachten toekomstperspectief. Op basis daarvan hebben de deskundigen in hun bericht een waardering opgesteld voor elk van de onteigende effecten en vermogensbestanddelen. Het bericht houdt in hoofdstuk 2 als ‘managementsamenvatting’ onder meer het volgende in:
“2.2 Relevante feiten en omstandigheden

SNSR [Ondernemingskamer: SNS Reaal] verkeerde in een moeilijke financiële situatie, reeds sinds een langere periode voorafgaand aan de peildatum. De belangrijkste oorzaak van de problemen betrof Property Finance (PF), onderdeel van SNS Bank, bestaande uit een portefeuille van vastgoedleningen, ter grootte van ongeveer € 7 tot 8 mrd en tevens uit een verzameling vastgoedobjecten (Property Projects), zoals uitgewonnen vanuit voormalige probleemleningen, met een omvang van ongeveer € 0,5 mrd. De financiering van de leningen en vastgoedobjecten vond plaats vanuit SNS Bank. PF was door SNSR geacquireerd in 2006, vlak na de eigen beursgang, voor ongeveer € 800 mio. Na aanvang van de financiële crisis bleek dat er veel probleemleningen in de portefeuille van PF zaten, met name risicovolle projectfinancieringen. Bovendien bleek ook dat de controle op en over deze leningen te wensen overliet. Het gevolg was dat de benodigde voorzieningen op leningen met betalingsproblemen hand over hand toenamen en hiermee een steeds groter gat sloegen in het eigen vermogen van de moeder van PF, SNS Bank.
Laatstgenoemde was, buiten PF, een traditionele Nederlandse spaar- en hypotheekbank, met per peildatum ongeveer € 50 mrd aan woonhypotheken, gefinancierd met ca. € 32 mrd aan spaargelden, voor het overige met reguliere marktschuldfinanciering en met een relatief klein eigen vermogen. Qua omvang was SNS Bank de 4e bank van Nederland, waarbij zij in grootte ongeveer 1/3e deel was van het gemiddelde van de drie Nederlandse grootbanken, ABN AMRO, ING Bank en Rabobank. De hypotheekportefeuille van SNS Bank was van gemiddelde, tot wellicht iets lagere, kwaliteit in vergelijking met die van haar 3 grote concurrenten. De rentemarge (tussen voornamelijk hypotheekrente-inkomsten en kosten van financiering - rente op spaargelden en marktschuldfinanciering) vormde de belangrijkste inkomstenbron van SNS Bank.
double leverage

Na de financiële crisis (vanaf medio 2008) kwam ook Reaal in zwaarder weer terecht; zeker toen vanaf 2009 ook de lange rente een stevige daling begon in te zetten, hetgeen verzekeraars, vanwege hun businessmodel, hard raakt. Bovendien verliep de integratie van de verzekeringsactiviteiten niet voortvarend. In 2008 moest SNSR dan ook staatssteun accepteren – middels een injectie van € 1,25 mrd zorgden de Staat en grootaandeelhouder Stichting Beheer voor extra vermogen in ruil voor zogenaamde Core Tier-1 capital securities, een vorm van superachtergesteld risicodragend vreemd vermogen, welke meegeteld mochten worden bij het eigen vermogen van SNSR, hoewel het de facto een superachtergestelde lening betrof. In eerste instantie zorgde deze injectie voor relatieve rust – SNSR kon zelfs in 2011 een deel van de injectie terugbetalen. Achteraf gezien was dit echter overmoedig; de Eurocrisis brak uit, leidend tot nog lagere renteniveaus, en met name vastgoedmarkten die zwaar onder druk kwamen te staan. PF begon hierdoor steeds meer te knellen – niet alleen vanwege het kwalitatief mindere karakter van de leningen, maar vooral ook door de onvoorspelbaarheid van de mogelijke verliezen op langere termijn. Grotere transacties op de vastgoedmarkten waren inmiddels een zeldzaam fenomeen geworden met prijzen vooral gedreven door psychologie en minder door economie.

Vandaar dat zowel SNSR, alsook haar toezichthouder DNB en mede-eigenaar op afstand MinFin [het ministerie van Financiën, Ondernemingskamer], zich vanaf eind 2011 sterk gingen richten op directe oplossingen voor deze problematiek: een erg onzekere vastgoedleningentak, die vooral verliezen opstapelde, en een te lage solvabiliteit, voornamelijk bij de bank doch ook bij de verzekeraar. Gezien deze kernproblemen lag de focus op een structurele oplossing voor PF en het aantrekken van extra risicodragend vermogen.

Deskundigen hebben deze zoektocht naar oplossingen in detail in kaart gebracht en nader geanalyseerd. Immers, mede en met name hier ligt de basis voor de mogelijke relevante toekomstperspectieven per peildatum, voor zowel SNS Bank als SNSR. De volgende observaties zijn hierbij van belang:• Vanwege de onzekere financiële markten, zeker voor banken en verzekeraars, was het aantrekken van extra risicodragend vermogen geen sinecure. Bovendien creëerde de lange termijn onzekerheid van PF een nagenoeg onneembare horde voor een grote publieke emissie van aandelen dan wel voor het aantrekken van meer risicovolle vormen van schuldfinanciering; • Hierdoor lag de sleutel voor een oplossing bij PF. Zoals elders in Europa inmiddels ook meerdere malen was geschied, was het duidelijk dat PF moest worden gesepareerd van de beide overige onderdelen middels een Asset Protection Scheme of een Bad Bank. Via een dergelijke oplossing zou duidelijkheid worden gecreëerd voor SNS (Retail) Bank en Reaal en zou hiermee een externe financiering voor beide wellicht wel mogelijk zijn geworden;• MinFin twijfelde echter: zij zou bij een dergelijk vehikel te hulp moeten schieten (via garanties dan wel met extra funding), daar waar bij haar een grote voorkeur bestond voor burden sharing, zodat private partijen de rekening van de oplossing voor het (over)grote deel zouden betalen. Daarom drong MinFin erop aan om eerst de overige oplossingsmogelijkheden ook grondig te onderzoeken, zoals het verkennen van M&A-opties oftewel de verkoop van onderdelen;• Meest logisch qua mogelijke verkoop was de verzekeraar Reaal of één van haar onderdelen. SNSR startte met het peilen van belangstelling voor de schadeverzekeraar, een relatief eenvoudig te separeren onderdeel, dat betrekkelijk weinig last had van de inmiddels gestage rentedaling. Echter, verkoop van dit onderdeel zou te weinig nieuw vermogen opbrengen; hiervoor was de problematiek binnen SNS Bank inmiddels te groot, net als de double leverage op de Holding (die was eind 2012 ca. € 900 mio, een bedrag dat afgelost moest worden). Vervolgens werd vanaf medio 2012 gekeken naar verkoop van de gehele verzekeraar, maar ook deze zoektocht bleek tevergeefs. De nijpende positie van SNSR was reeds bekend en concurrerende verzekeraars hadden elk hun eigen uitdagingen;• In deze zoektocht naar kopers doken ook CVC, private equity speler, en ASR op. CVC had interesse om een actieve rol te gaan spelen bij het consolideren van de Nederlandse verzekeringsmarkt (over de noodzaak van een consolidatie waren alle spelers het eens) en ook ASR wilde doorontwikkelen en zo op verdere afstand komen staan van haar toenmalige eigenaar, de Nederlandse Staat. Beiden hadden belangstelling voor Reaal, maar ASR zag, althans gedurende de 2e helft van 2012, geen brood in een combinatie met CVC. Vandaar dat gesprekken in deze richting ook zeer moeizaam verliepen, voorzover er al gesproken werd; • Ondertussen tikte de tijd voort en had DNB de drie Nederlandse grootbanken ontboden om mee te denken over een oplossing voor SNS Bank, want ook deze drie waren hier zeer bij gebaat. Een eventueel faillissement van SNS Bank zou het Deposito Garantie Stelsel in werking stellen en tot enorme kosten gaan leiden voor de drie banken. Het idee was dat de Staat en de drie banken het probleem 50-50% zouden oplossen – grote vraag hierbij was echter hoe de vermogensinjectie van de drie banken moest en mocht plaatsvinden. Bovendien waren de grote drie ook niet echt gecharmeerd van een participatie in een separaat vehikel PF. Vanwege de druk van DNB, de uiteindelijk ingeziene noodzaak van PF-separatie en het mogelijke veto van de EC [Europese Commissie, Ondernemingskamer] inzake een eigen vermogensparticipatie van twee (ING en ABN AMRO) van de drie GBs [grootbanken, Ondernemingskamer] in SNS Bank, werd daarom in opdracht van MinFin in november toch een onafhankelijke waardering gestart van PF, de Cushman & Wakefield (C&W)-analyse, op basis van de zogenaamde REV-methode [rentabiliteit eigen vermogen, Ondernemingskamer], zoals door de EC vereist bij staatssteun; • Reeds na 6 weken was C&W klaar: PF zou minimaal € 2,4 mrd aan vastgoedleningen en vastgoed objecten extra moeten afboeken, waardoor volgens DNB een kapitaalinjectie in SNS Bank nodig was van € 1,84 mrd. Bovendien gaf de EC ongeveer op datzelfde moment aan, dat participatie van twee van de drie grootbanken rechtstreeks in een Bad Bank vanwege de geldende acquisition bans niet mogelijk was. CVC was echter nog steeds in de race, zag een mogelijkheid om samen met de Staat (voor ongeveer 65-35%) een grote emissie van nieuwe aandelen te arrangeren, liefst ook een combinatie met ASR voor te bereiden, maar had (ook) geen belangstelling voor het te separeren PF. Voor het laatste had CVC de drie Nederlandse grootbanken op het oog, naast de Staat en de Stichting Beheer;• In januari bleek de vasthoudendheid van CVC: zelfs een afboeking van € 2,4 mrd zou mogelijk zijn en de integratie met ASR werd losgelaten als directe eis voor haar grote injectie qua nieuw eigen vermogen. Echter, toen de drie GBs aangaven liever een bankenheffing, zoals inmiddels door MinFin voorgesteld, te accepteren dan mee te werken aan het CVC-plan en MinFin steeds meer neigde naar een nog grotere afboeking op PF (van op het allerlaatste moment zelfs € 2,8 mrd), viel het CVC-plan af op 31 januari 2013, de door DNB gestelde deadline voor een allesomvattende oplossing voor SNS Bank en SNSR. Alleen de noodregeling, vrijwel zeker gevolgd door faillissement, of nationalisatie resteerden. Uiteindelijk besloot MinFin mede op verzoek van DNB tot nationalisatie over te gaan.
Het gevolg is bekend: in het kader van burden sharing werden specifieke effecten en vermogensbestanddelen (met name aandelen en publieke en onderhandse achtergestelde leningen van SNS Bank en SNSR) onteigend, werd PF vervolgens door de Staat gesepareerd en werd laatstgenoemde volledig eigenaar van SNSR per 1 februari 2013.

2.3
Twee relevante toekomstperspectieven

Als gevolg van bovengenoemde analyse komen deskundigen tot de conclusie dat er voor SNSR feitelijk twee relevante toekomstperspectieven waren op het peilmoment/de peildatum, zijnde 1 februari 2013: (i) de noodregeling, gevolgd door faillissement en (ii) het CVC-scenario. Daar waar het eerste perspectief logisch is, met name als referentiekader bij de bepaling van de relevante schadeloosstelling, willen deskundigen de keuze voor het tweede kort nader toelichten.
Allereerst is het hierbij van belang om het probleem van PF nader te belichten: deskundigen menen hierbij dat een afboeking van € 2,4 mrd op de leningenportefeuille (tezamen met de vastgoedobjecten) voldoende zou zijn geweest, in plaats van de door MinFin op het laatste moment geëiste € 2,8 mrd afboeking. Niet alleen was dit de uitkomst volgens de Base Case van Cushman & Wakefield, tegelijkertijd was het ook veel meer dan zowel EY, reeds sedert enige jaren direct betrokken bij de waardering van de portefeuille als onafhankelijke derde, als PF zelf nodig achtten, zelfs in hun pessimistische scenario’s. Bovendien zien deskundigen ook twee relevante onderdelen van de C&W-analyse als prudent: zowel de door C&W gebruikte disconteringsvoet alsook de hoeveelheid zogenaamde sub-performing loans in C&W’s analyse. Dit betekent dat CVC naar het oordeel van deskundigen met een lagere afboeking (€ 2,4 mrd) had hoeven te rekenen dan de op het laatste moment (30 januari 2013) door MinFin geëiste € 2,8 mrd, waardoor het CVC-plan op dit punt realistisch was.

Bovendien zijn deskundigen van mening dat de zogenaamde funding van de nieuw op te richten Bad Bank, waarin PF zou opgaan, in het CVC-plan relatief eenvoudig was geweest: eenzelfde bankenheffing als gebruikt bij de nationalisatie had meer dan voldoende middelen gegenereerd voor deze funding en op goedkeuring kunnen rekenen vanuit de EC, terwijl het tegelijkertijd een extra injectie in SNS (Retail) Bank had mogelijk gemaakt. Tezamen met de gezamenlijke emissie van CVC en de Staat had dit de solvabiliteit van SNS Bank in voldoende mate kunnen verbeteren. Naast deze beide vormen van burden sharing (CVC’s injectie van ca. € 900 mio en een bankenheffing van ongeveer € 1 mrd), was CVC ook van plan om houders van achtergestelde schulden (met name de zogenaamde Tier 1’s) mee te laten bijdragen aan de oplossing middels een zogenaamde Liability Management exercise, waarbij de Tier-1’s ongeveer 25% van de nominale waarde van hun vordering zouden overhouden. Kortom: voldoende injectie van nieuw risicodragend vermogen, uitgebreide burden sharing en, niet onbelangrijk, een relatief kleine bank zou in commerciële handen zijn gebleven, waardoor ook de concurrentie in het Nederlandse bankenlandschap niet verder zou zijn uitgehold. Het CVC-scenario was hierdoor wel degelijk een relevant toekomstperspectief.

Qua benodigde tijd zou CVC vanaf 31 januari 2013 nog relatief kort nodig hebben gehad voor een finaal contract (SPA) en andere benodigde goedkeuringen. Haar commitment was overduidelijk – de achterliggende investeerders waren al die maanden geheel op de hoogte gehouden en alle verdere voorbereidende activiteiten waren reeds bekostigd. Een mogelijke bankrun na 31 januari 2013 had wellicht nog roet in het eten kunnen gooien, maar de werking van het DGS [deposito garantiestelsel, Ondernemingskamer] was in de periode ervóór al duidelijk gebleken: spaarders bij SNS Bank met tegoeden tot en met € 100.000 voelden zich voldoende comfortabel en gaven hiermee geen indicatie voor verdere verslechtering op dit vlak tot aan de geplande publicatiedatum van de voorlopige 2012 cijfers op 14 februari 2013. Uitstel van de geplande publicatie in combinatie met de aankondiging tegelijkertijd, dat in samenwerking met CVC een structurele oplossing voor de problemen was gevonden, zou evenmin tot een bankrun hebben geleid.

2.4
Toekomstperspectief 1

Deskundigen zijn om de hiervoor genoemde redenen van oordeel dat los en onafhankelijk van het faillissementsscenario ook een ander toekomstperspectief (mede) in hun beoordeling moet worden betrokken, aangezien zij op grond van de bevindingen uit hun onderzoek tot de conclusie zijn gekomen dat het CVC-scenario, onder voorwaarden en met medewerking van alle partijen, inclusief DNB en MinFin, haalbaar en levensvatbaar zou zijn geweest, in welk geval toepassing van de noodregeling niet geïndiceerd zou zijn geweest althans in welk geval de rechtbank de toepassing van de noodregeling hoogst waarschijnlijk zou hebben afgewezen en een faillissement dientengevolge niet aan de orde zou zijn geweest.

Dit oordeel is in hoofdzaak gebaseerd op de navolgende bevindingen:• Op basis van een maximaal benodigde afboeking van € 2,4 mrd op PF per medio 2012, zou de door CVC beoogde kapitaalinjectie van € 1,4 mrd middels een zogenaamde discounted rights issue (voor 65% oftewel € 910 mio “underwritten” door CVC en voor 35% oftewel € 490 mio door de Staat) een voldoende kapitaalbuffer gegeven hebben voor SNS Bank ná afsplitsing van PF, zulks in combinatie met de eveneens door CVC beoogde extra vermogensinjectie van € 400 mio middels een lening van € 550 mio van de drie GBs, waarvan € 150 mio bestemd zou zijn voor PF;• Het in de vorm van een Bad Bank (ook wel New Bank genoemd) af te splitsen PF zou in het CVC-plan een eigen vermogen van ruim € 300 mio hebben verkregen, te financieren door de Staat met € 150 mio, door het bedrag ad € 150 mio van de hiervoor genoemde lening van de drie GBs en een klein deel door de Stichting Beheer SNS Reaal; • Daarenboven beoogde CVC een zogenaamde Liability Management exercitie door te voeren, in welk kader aan alle houders van achtergestelde Tier 1-schulden, zowel bij SNS Bank als bij SNSR, een aanbod zou worden gedaan om hun achtergestelde vorderingen te kopen tegen 25% van de nominale waarde; • Daarnaast beoogde CVC nog een mogelijke combinatie (in de vorm van een fusie) van REAAL met ASR, hetgeen significante synergieën had kunnen opleveren, doch dit onderdeel bleek, mede vanwege de afwerende houding van ASR, niet, althans nog niet, realiseerbaar, met gevolg dat CVC genoegen nam met het openhouden van de mogelijkheid van de combinatie op een later tijdstip.
De EC had in december 2012 al aangegeven, dat een participatie van ABN AMRO en ING Bank (twee van de drie GBs) in de kapitalisatie van de Bad Bank, vanwege de voor hen bestaande acquisition ban, niet zou worden toegelaten. Echter, deskundigen zijn van oordeel dat de in het kader van de nationalisatie aan de 3GBs (en alle overige Nederlandse banken) opgelegde bankenheffing van € 1 mrd evenzeer gebruikt had kunnen worden voor de financiering van de Bad Bank in de CVC-optie, in welk geval een directe participatie van ABN AMRO en ING Bank niet aan de orde zou zijn geweest en de beoogde transactie in dat kader door de EC toelaatbaar zou zijn geacht. Deskundigen kunnen zich niet aan de indruk onttrekken dat dit plan en daarmede het CVC-scenario is gesneuveld onder meer en met name door het gebrek aan medewerking op dit punt van de 3GBs alsmede door het gebrek aan bereidheid van met name MinFin voor het CVC-scenario.

Het zou op de peildatum weliswaar nog enige tijd hebben gevergd om de CVC-transactie geheel te voltooien, waardoor de feitelijke transactie waarschijnlijk niet op de door MinFin en DNB beoogde streefdatum van 14 februari 2013 (geplande publicatiedatum voorlopige jaarcijfers 2012) zou zijn afgerond, doch deskundigen zijn, gelijk hiervoor opgemerkt, van oordeel dat aankondiging van de contouren van dit reddingsplan in combinatie met al of niet uitstel van publicatie van de voorlopige jaarcijfers niet tot een bankrun zouden hebben geleid.

Samenvattend zijn deskundigen van oordeel dat het CVC-scenario, zoals dit op 31 januari 2013 op tafel lag, haalbaar, financierbaar en hiermee levensvatbaar was. Het ging uit van een prudente afboeking op de PF portefeuille van € 2,4 mrd (die voldeed aan de door EC vereiste REV-waarderingsmethode), het voorzag in een voldoende mate van kapitaal voor zowel SNS Bank als ook voor de nieuw op te richten bad bank PF en het leidde tot een extra vorm van burden sharing, middels met name de € 900 mio kapitaalinjectie door het Consortium [onder leiding van CVC, Ondernemingskamer].

Het vraagstuk omtrent het uiteindelijke commitment van MinFin voor dit voorstel achten deskundigen hierbij minder relevant, gezien het aan hen door de Ondernemingskamer voorgelegde verzoek om te komen tot levensvatbare toekomstscenario’s voor SNSR, de nationalisatie wegdenkend. Hierbij is het in de ogen van de deskundigen minder relevant wat het commitment van de Staat (MinFin) zou zijn geweest voor deze scenario’s, aangezien de Staat anders de levensvatbaarheid van deze scenario’s zelf zou kunnen beïnvloeden, waardoor elk alternatief naast onteigening in theorie niet levensvatbaar zou kunnen worden. Bovendien menen deskundigen in Hoofdstuk 6 voldoende te hebben toegelicht dat de CVC-Aanbieding economisch gezien superieur was in vergelijking met de nationalisatie, ook voor de Staat. De Staat als ‘redelijk handelende partij’ had volgens deskundigen de CVC-Aanbieding boven nationalisatie kunnen kiezen.

2.5
Toekomstperspectief 2


Kort samengevat zijn deskundigen op basis van alle door hen vastgestelde relevante feiten en omstandigheden en conform het oordeel van de Ondernemingskamer tot de conclusie gekomen, dat het aannemelijk is dat, indien geen onteigening zou hebben plaatsgevonden, DNB overeenkomstig haar aankondiging, als vervat in haar informerende brief aan MinFin d.d. 24 januari 2013, op basis van artikel 6:5 Wft, en in lijn met haar definitief SREP-besluit d.d. 27 januari 2013, kort na 1 februari 2013 de rechtbank Amsterdam zou hebben verzocht om toepassing van de noodregeling als bedoeld in artikel 3:160 Wft en voorts dat de rechtbank dit verzoek zou hebben toegewezen. Immers op 31 januari 2013 had de enige nog resterende oplossing, te weten – simpel gezegd – de door CVC beoogde transactie, schipbreuk geleden door het met name niet bereiken van finale overeenstemming met MinFin en DNB, en hiermee definitief afketsen van de met CVC gevoerde onderhandelingen.

Deskundigen achten het voorts aannemelijk dat de noodregeling op korte termijn zou zijn gevolgd door faillissement nu een mogelijke transactie met CVC niet meer aan de orde was en verkoop van SNS Bank als geheel, gezien haar kwetsbare financiële situatie en onder de destijds vigerende moeilijke marktomstandigheden simpelweg niet, althans niet op korte termijn, realiseerbaar zou zijn geweest. Buiten CVC had zich geen enkele concrete gegadigde voor overname van SNS Bank gemeld en concrete interesse op korte termijn viel niet te verwachten. Als gevolg van de noodregeling zouden rekeninghouders niet langer over hun tegoeden kunnen beschikken en de toegang van SNS Bank tot de betalingssystemen zou conform de van toepassing zijnde voorwaarden van de betaalsystemen met onmiddellijke ingang automatisch zijn beëindigd. aldus Schimmelpenninck (curator van DSB-bank) in het met hem gehouden interview. DNB zou onverwijld gehouden zijn het Deposito Garantie Stelsel toe te passen. DNB had voorts bij herhaling en onder meer in haar definitief SREP-besluit van 27 januari 2013 reeds aangegeven dat zij, indien SNS Bank er niet in zou slagen vóór 31 januari 2013 18.00 uur haar kernkapitaal met minimaal € 1,84 mrd aan te vullen, althans een finale oplossing voor het kapitaaltekort te presenteren, welke naar het oordeel van DNB een voldoende mate van zekerheid van slagen zou hebben, het niet langer verantwoord zou achten dat SNS Bank het bankbedrijf zou uitoefenen.

Onder meer intrekking van de bankvergunning en eventueel andere maatregelen op grond van de bevoegdheden van DNB uit hoofde van de Wft zouden het directe gevolg zijn geweest. Het faillissement van SNS Bank zou mede als gevolg van de afgegeven 403-verklaring en de over en weer bestaande vele kruisverbanden, tevens hebben geleid tot het faillissement van SNSR en eveneens tot het faillissement van PF, nu PF vanwege haar afhankelijkheid van de financiering door SNS Bank in acute liquiditeitsproblemen zou zijn gekomen en kampte met een substantieel negatief eigen vermogen.

Hoewel faillissement formeel niet gezien kan worden als een levensvatbaar toekomstscenario, zijn de uitkomsten van dit scenario wel van groot belang voor de bepaling van de schadeloosstelling voor de (voormalige) eigenaren van de onteigende effecten en vermogensbestanddelen. Immers, toepassing van de interventiewet gaat feitelijk ook al uit van het ‘No Creditor Worse Off’ principe, zoals later formeel vastgelegd in de BRRD [Ondernemingskamer: Bank Recovery & Resolution Directive (Richtlijn 2014/59/EU)]. Dit principe houdt concreet in dat geen enkele crediteur noch aandeelhouder slechter af mag zijn in geval van een zogenaamde bankresolutie dan dat zij zouden zijn geweest in geval van een reguliere insolventieprocedure.

Deskundigen hebben de door hen ingeschatte gang van zaken in en de uitkomsten van het veronderstelde faillissement van SNS Bank c.a. in Hoofdstuk 7 uitvoerig geanalyseerd. Deskundigen zijn van oordeel, dat het bij de afwikkeling van faillissementen van banken voor curatoren in de meeste gevallen veel aantrekkelijker is om een bank in faillissement niet direct te liquideren doch via een zogenaamd run-off scenario (uitdienscenario), waarbij jaarlijks veel cash wordt gegenereerd, maximaal af te wikkelen en te gelde te maken. Deskundigen verwijzen in dit verband naar de eerder in Nederland failliet verklaarde DSB Bank (oktober 2009), in welk faillissement curatoren in hun meest recente openbare verslag van 31 oktober 2017 hebben aangekondigd nog ten minste tot in 2020 de aanwezige hypotheekportefeuille in het kader van het lopende run-off scenario te zullen beheren en af te wikkelen en in welk faillissement alle crediteuren, derhalve ook de achtergestelde crediteuren, hun volledige hoofdvordering zullen terugontvangen. Bovendien zijn deskundigen van oordeel, dat de financiële situatie van SNS Bank per 1 februari 2013 ook zodanig was, dat een dergelijk run-off scenario daadwerkelijk substantieel meer middelen zou hebben gegenereerd dan een directe liquidatie, welke – mede gezien haar omvang en de vigerende slechte economische omstandigheden – met grote verliezen gepaard zou zijn gegaan. Waar curatoren de wettelijke taak hebben in het belang van de collectieve schuldeisers een zo hoog mogelijke opbrengst voor alle activa te realiseren, hadden zij naar het oordeel van deskundigen niet anders kunnen handelen dan te opteren voor een run-off-scenario in plaats van te kiezen voor onmiddellijke liquidatie (fire sale) van alle activa. Dit mede gegeven het feit dat bij de aanvang in de boedel meer dan voldoende liquide middelen aanwezig zouden zijn geweest om de separatisten (de pandhouders) direct inclusief rente af te lossen. Het aantrekken van een boedelkrediet zou dus niet nodig zijn geweest. Deskundigen hebben de keuze voor het specifieke run-off scenario in Hoofdstuk 7 uitvoerig toegelicht.

Het door MinFin nemen van het in faillissement te verwachten liquidatieresultaat als uitgangspunt voor de vaststelling van de schadeloosstelling achten deskundigen mitsdien niet correct. Deskundigen achten in hoge mate onaannemelijk dat curatoren tot onmiddellijke liquidatie zouden zijn overgegaan. Daarmede zouden curatoren hun wettelijke taak (opbrengstmaximalisatie) hebben miskend. (…)

Deskundigen gaan cijfermatig uit van de navolgende aannames:• Van de kasstroom, die gedurende de (aangenomen) 10-jarige afwikkeling via run-off beschikbaar komt in het faillissement van SNS Bank ná eerste uitdeling, zijnde € 48,542 mrd wordt in totaal € 41,881 mrd uitgekeerd aan de concurrente schuldeisers uit hoofde van hoofdsom en rente tot aan faillissementsdatum; • De concurrente schuldeisers ontvangen daarmede betaling van hun gehele vordering inclusief rente tot aan faillissementsdatum;• Vervolgens resteert voor uitdeling nog een bedrag van € 6,661 mrd. Hiervan wordt in 2023, 10 jaar na de peildatum, in totaal € 703 mio aangewend voor aflossing van de per faillissementsdatum openstaande achtergestelde schulden, waarna bij het verbindend worden van de slotuitdelingslijst in 2023 en derhalve bij beëindiging van het faillissement van SNS Bank een boedeloverschot resteert van maar liefst € 5,958 mrd. Dit forse overschot impliceert dat achtergestelde schuldenaren van SNS Bank met grote zekerheid hun gehele vordering betaald zouden hebben gekregen aan het einde van de run-off periode; • Terzijde zij opgemerkt dat is aangenomen dat de vordering van SNS Bank op PF ad ca. € 8,124 mrd, ná afboeking van in totaal € 2,4 mrd (gebaseerd op de boekwaarde per 30 juni 2012), pro saldo € 5,724 mrd tot en met 2023 integraal in het faillissement van PF aan de boedel van SNS Bank zal kunnen worden voldaan, waarbij eventuele rente-inkomsten van PF meer dan voldoende zijn om de liquidatie- en beheerskosten aldaar te dekken. Aangenomen is dat uit het faillissement van PF geen rente over de lening wordt uitbetaald aan SNS Bank.
De wijze van afwikkeling van het boedeloverschot ná het verbindend worden van de slotuitdelingslijst is beschreven in Hoofdstuk 7.12. In de aan het einde van het faillissement te deponeren slotuitdelingslijst wordt geen rekening gehouden met vanaf de faillissementsdatum verschuldigde rente. Voor wat betreft de nà faillissementsdatum verschuldigde rente zijn deskundigen uitgegaan van de contractuele rente tot einde lopende contracten, waarna de wettelijke rente voor consumententransacties is berekend voor spaargelden, spaardeposito’s en termijndeposito’s van particuliere klanten en de wettelijke handelsrente voor de overige door ondernemingen verstrekte leningen. De rente, verschuldigd vanaf faillissementsdatum, komt ingevolge artikel 128 Fw niet voor verificatie in aanmerking. Eerst bij vereffening ná het einde van een faillissement dient rekening te worden gehouden met ná de faillietverklaring vervallen rentevorderingen van de geverifieerde schuldeisers. Weliswaar kunnen de rentevorderingen ingevolge artikel 128 Fw niet in het faillissement worden geverifieerd, echter de over vorderingen lopende rente na de faillietverklaring loopt wel door. De gefailleerde is die doorlopende rente verschuldigd gebleven. Indien een schuldeiser een renteaanspraak heeft, dient de vereffenaar daarmee overeenkomstig de regeling van onder meer de artikelen 2: 23a, 23b en 23 c BW met die aanspraak rekening te houden.

Het hiervoor genoemde boedeloverschot in het faillissement van SNS Bank dient derhalve te worden aangewend om de sedert faillissementsdatum vervallen doch niet geverifieerde en niet in de gedeponeerde uitdelingslijsten verdisconteerde rente primair te betalen aan de erkende concurrente crediteuren. De aan concurrente crediteuren toekomende rente gaat derhalve in rang voor de rente verschuldigd aan achtergestelde schuldeisers, tenzij in de toepasselijke voorwaarden staat vermeld dat de rente over de achtergestelde vordering concurrent is.

Aangezien de nog verschuldigde rente vanaf faillissementsdatum ad ca. € 14,954 mrd (ca. € 14,659 mrd voor de concurrente schuldeisers en ca. € 295 mio voor de achtergestelde schuldeisers) hoger zou zijn geweest dan het bedrag van het boedeloverschot ad € 5,958 mrd,