Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2020:77

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 15-01-2020. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 15-01-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2020:77, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 17/5870 WIA


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2020:77:DOC
nl

17


Datum uitspraak: 15 januari 2020

Centrale Raad van BeroepEnkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de tussenuitspraak van 14 februari 2017 en de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 11 juli 2017, 16/3049 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.L.M. Vreeswijk, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 december 2019. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Vreeswijk. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J. van Steenwijk.

overwegingen

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellante heeft zich op 1 juni 2010 ziek gemeld. Bij besluit van 15 augustus 2012 heeft het Uwv geweigerd aan appellante met ingang van 30 mei 2012 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
1.2.
Op 14 oktober 2015 heeft appellante het Uwv gemeld dat haar gezondheid sinds 2012 is verslechterd. Bij besluit van 5 januari 2016 heeft het Uwv, na verzekeringsgeneeskundig onderzoek, geweigerd om aan appellante vanaf 30 mei 2012 een WIA-uitkering toe te kennen. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is bij besluit van 20 mei 2016 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daaraan ligt het standpunt ten grondslag dat de beperkingen van appellante uit dezelfde ziekteoorzaak niet zijn toegenomen binnen vijf jaar na de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling per 30 mei 2012. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.
2.1.
De rechtbank heeft bij tussenuitspraak van 14 februari 2017 overwogen dat ten aanzien van de littekenklachten niet is gebleken of de gemelde klachten door de endometriose in verband zijn gebracht met het litteken en of deze klachten aanleiding kunnen geven tot het stellen van aanvullende beperkingen voor arbeid. Ook ten aanzien van de rugklachten heeft de rechtbank overwogen dat niet is gebleken waarom geen (duurzame) toename van objectiveerbare beperkingen bij appellante aanwezig is geacht. Evenmin is gebleken of sprake is van een toename van de rugklachten die bij de beoordeling in 2012 aanwezig waren. De rechtbank heeft daarom geoordeeld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep dit nader zal moeten motiveren. De rechtbank heeft voorts overwogen dat zonder nadere motivering tevens onduidelijk is of de in 2015 ontstane urologische klachten mogelijk verband kunnen houden met de littekenklachten die al bekend waren bij de beoordeling in 2012. Het bestreden besluit berust naar het oordeel van de rechtbank dan ook op een ondeugdelijke motivering.
2.2.
Deverzekeringsarts bezwaar en beroep heeft vervolgens in een rapport van 15 maart 2017 te kennen gegeven dat voor de pijnklachten in de buik geen duidelijke oorzaak is gevonden, de rugklachten niet worden verklaard door objectiveerbare afwijkingen en de endometriose evenmin een verklaring is. Ook voor de urologische klachten kan de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen oorzaak vaststellen. Na bestudering van het dossier heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geconcludeerd dat het onmogelijk is om een datum te noemen per wanneer appellante evident toegenomen arbeidsongeschikt is geworden als gevolg van de fibromyalgie of endometriose. Appellante heeft daar vervolgens op gereageerd en ter onderbouwing informatie van 30 maart 2017 ingebracht van een orthopedisch chirurg. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daarop in een rapport van 20 april 2017 gereageerd en te kennen gegeven dat hij geen aanleiding heeft gezien om zijn standpunt te wijzigen.
2.3.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 15 maart 2017 voldoende heeft gemotiveerd dat appellante meer klachten ervaart in de periode na 30 mei 2012, maar dat de behandelaren daarvoor geen (objectiveerbare) verklaring hebben gevonden. Naar het oordeel van de rechtbank is afdoende gemotiveerd dat er geen aanleiding is om voor appellante meer beperkingen vast te stellen vanwege toegenomen klachten. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de beoordeling in de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Hierbij heeft de rechtbank van belang geacht dat aan hoe appellante zelf haar klachten en belastbaarheid ervaart, in de systematiek van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling geen doorslaggevende betekenis kan toekomen. Nu het Uwv zich op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van toegenomen beperkingen na 30 mei 2012, wordt niet toegekomen aan de oorzaak van de beperkingen.
3.1.
Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat ten onrechte niet is overwogen dat er meer beperkingen zijn en er een toename van de klachten is onder meer als gevolg van de eerder bestaande maag-, rug-, whiplash-, en fibromyalgieklachten. Appellante is in de periode na 30 mei 2012 een aantal keren geopereerd vanwege de endometriose. Vanwege de endometriose is eind 2017 haar baarmoeder verwijderd. Het is ten onrechte dat tussen december 2012 (eerste operatie endometriose) en oktober 2015 in verband met haar maagklachten geen toename is gehonoreerd. Ook is bij appellante sprake van astma en ondervindt zij urologische problemen. Verder heeft appellante naar voren gebracht dat in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) een beperking aangenomen had moet worden op “hurken en knielen”, omdat bij het lichamelijk onderzoek door de verzekeringsarts is geconstateerd dat de hurkzit voor appellante vrijwel niet uitvoerbaar is. Tot slot heeft appellante verzocht om een medisch deskundige te benoemen.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.
Artikel 55, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet WIA (tekst tot 16 december 2017) bepaalt dat indien op de eerste dag na afloop van de wachttijd geen recht op een WGA-uitkering is ontstaan omdat de verzekerde op die dag niet gedeeltelijk arbeidsongeschikt is, alsnog recht op die uitkering ontstaat met ingang van de dag dat de verzekerde wel gedeeltelijk arbeidsongeschikt wordt, indien hij op de dag hieraan voorafgaand minder dan 35% arbeidsongeschikt was en de gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als die op grond waarvan hij gedurende de wachttijd ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid. Op grond van het derde lid van dit artikel kan dit recht niet later ingaan dan vijf jaar na de eerste dag na afloop van de wachttijd.
4.2.
Naar aanleiding van de in geding zijnde melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid moet in het kader van de toepassing van artikel 55 van de Wet WIA eerst worden bezien of binnen vijf jaar na de dag waarop appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt werd, de medische beperkingen zijn toegenomen.
4.3.
Het medisch onderzoek heeft op zorgvuldige wijze plaatsgevonden. Een verzekeringsarts heeft appellante gezien op het spreekuur en psychisch en lichamelijk onderzocht. Een verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft appellante gezien op de hoorzitting en psychisch onderzoek verricht. Alle door appellante naar voren gebrachte klachten, de onderzoeksbevindingen van de verzekeringsartsen en de door appellante in bezwaar en beroep ingediende informatie van de behandelend sector zijn op deugdelijke en kenbare wijze betrokken in de beoordeling.
4.4.
De rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel dat geen sprake is van toegenomen beperkingen vanaf 30 mei 2012. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft inzichtelijk gemotiveerd dat en waarom hij geen aanknopingspunten heeft gezien voor wezenlijke wijzigingen in de beperkingen van appellante sinds de beoordeling in 2012. In het rapport van 17 mei 2016 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep te kennen gegeven dat bij appellante sprake is van een scala aan klachten en aandoeningen die moeilijk te objectiveren of verklaren zijn. Een duidelijke nieuwe ziektedag heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet kunnen noemen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in beroep naar aanleiding van de door appellante ingebrachte medische informatie nader gerapporteerd op 15 september 2016. Daarbij heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep op basis van het dossier en de diverse brieven van behandelaars geconcludeerd dat appellante diverse klachten heeft en heeft gehad, en enkele operatieve ingrepen heeft ondergaan, maar dat niet gesproken kan worden van een doorlopende toegenomen arbeidsongeschiktheid na medio 2012. Verder heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 15 maart 2017, na de tussenuitspraak van de rechtbank, nader uiteengezet dat uit het gehele verloop blijkt dat appellante zeer veel pijnklachten heeft, waarvoor niet een duidelijk oorzaak is gevonden. Over de rugklachten heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep vermeld dat deze zeker chronisch zijn te noemen, maar dat de geringe veranderingen, welke gezien zijn op de MRI-scan, de klachten niet verklaren. Dat sprake is van een verlies van de vochtintensiteit op L4-L5 en op L5-S1 zegt volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep niets en leidt niet automatisch tot toegenomen beperkingen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft te kennen gegeven dat de rugklachten en urologische klachten niet verklaard worden door objectiveerbare afwijkingen.
4.5.
Desgevraagd heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in hoger beroep in het rapport van 29 augustus 2019 nader toegelicht waarom de navelbreukoperatie niet is aan te merken als moment per wanneer sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in dat kader beschreven dat wisselende pijnklachten die niet goed te objectiveren zijn meestal niet een duidelijke nieuwe eerste ziektedag vormen. Een operatie kan volgens de verzekeringsarts wel als zodanig worden aangemerkt, zoals een operatie aan een navelbreuk, maar het betrof een zeer geringe ingreep. Het was een dagbehandeling en herstel wordt normaliter na korte tijd bereikt. Er is volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep na de navelbreukoperatie geen sprake van toegenomen beperkingen. Er wordt geen aanleiding gezien om deze motivering niet te volgen. Appellante heeft geen medische stukken ingediend waaruit blijkt dat de beperkingen na de operatie gedurende langere periode zijn toegenomen. Dit geldt ook voor wat betreft de operaties in verband met endometriose. De informatie van de gynaecoloog biedt daarvoor geen grondslag. Verder heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep, over het door de verzekeringsarts beschreven moeizame hurkzitten, desgevraagd in een rapport van 14 november 2019 toegelicht dat dit een bevinding van de verzekeringsarts is waarvan niet duidelijk is of hier hurken bedoeld wordt, maar zeker niet knielen. Verder heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep te kennen gegeven dat ook is geconstateerd dat de klachten nadrukkelijk worden gepresenteerd en dat de lijdensdruk hoog is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft hierin geen reden gezien om appellante op grond daarvan beperkt te achten op “hurken en knielen”. Deze toelichting wordt overtuigend geacht.
4.6.
Er zijn geen aanknopingspunten gezien om te twijfelen aan de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Voor het standpunt van appellante dat haar beperkingen zijn toegenomen, is in de medische stukken geen steun te vinden. Hierbij is van belang dat het bij de beoordeling of sprake is van toegenomen beperkingen moet gaan om medisch te objectiveren beperkingen. Een diagnose als zodanig is hierbij niet doorslaggevend. Ook komt, zoals door de rechtbank terecht is overwogen, geen doorslaggevende betekenis toe aan de subjectieve klachtenbeleving van appellante in het kader van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling door het Uwv. Het is mogelijk dat appellante een toename van haar (pijn)klachten ervaart, maar uit de beschikbare medische gegevens blijkt niet dat er sprake is van een medisch te objectiveren toename van de beperkingen.
4.7.
Omdat geen twijfel bestaat over de juistheid van de medische beoordeling door het Uwv wordt geen aanleiding gezien voor het raadplegen van een onafhankelijke deskundige.
4.8.
Uit de overwegingen 4.1 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal, voor zover aangevochten, worden bevestigd.
4.9.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
beslissing

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van H.S. Huisman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 januari 2020.

(getekend) I.M.J. Hillhorst-Hagen

(getekend) H.S. Huisman