Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2020:766

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 25-03-2020. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 25-03-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2020:766, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 19/3779 WAJONG


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2020:766:DOC
nl

19


Datum uitspraak: 25 maart 2020

Centrale Raad van BeroepEnkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 25 juli 2019, 19/1861 en 19/1863 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.A. Johannsen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 februari 2020. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Johannsen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J. van Steenwijk.

overwegingen

OVERWEGINGEN

1.1.
Sinds 4 oktober 2006 ontvangt appellant wegens psychische en lichamelijke klachten een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
1.2.
Bij brief van 11 augustus 2008 heeft appellants moeder het Uwv meegedeeld dat appellant tijdelijk gedurende zes tot acht maanden bij zijn grootouders in Thailand verblijft.
1.3.
In het kader van een herbeoordeling voor de per 2015 in werking getreden Wajong heeft de verzekeringsarts appellant op het spreekuur gezien. In zijn rapport van 20 september 2016 heeft de verzekeringsarts vermeld dat appellant afwisselend drie tot vier maanden bij zijn oma in Thailand logeert en een maand in Nederland. Bij besluit van 21 september 2016 is aan appellant medegedeeld dat hij geen arbeidsvermogen voor de Wajong heeft.
1.4.
Na een melding op 12 oktober 2018 van de gemeente Almere dat appellant sinds bijna twee jaar definitief in het buitenland woont, heeft het Uwv appellant bij brief van 8 november 2018 opgeroepen voor een gesprek op het Uwv-kantoor te Utrecht. Appellant is daar niet verschenen wegens zijn verblijf in Thailand. Bij brief van 13 november 2018 heeft appellant het Uwv verzocht om met behoud van zijn Wajong-uitkering te mogen wonen in Thailand.
1.5.
Na verzekeringsgeneeskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 6 december 2018 het verzoek van appellant afgewezen.
1.6.
Bij een tweede besluit van 6 december 2018 heeft het Uwv de Wajong-uitkering van appellant geschorst per 1 december 2018, omdat appellant buiten Nederland woont.
1.7.
Het bezwaar van appellant tegen de besluiten van 6 december 2018 heeft het Uwv bij besluit van 16 april 2018 ongegrond verklaard. Het Uwv heeft zich daarbij, onder verwijzing naar een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, op het standpunt gesteld dat er geen zwaarwegende redenen voor appellant zijn om buiten Nederland te gaan wonen.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De voorzieningenrechter heeft het bestreden besluit getoetst aan artikel 3:19, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wajong alsmede aan het negende lid van die bepaling, in verbinding met artikel 2 van het Besluit beleidsregels voortzetting Wajong-uitkering buiten Nederland (Stcrt. 2 mei 2003, nr. 84, blz. 17). De voorzieningenrechter heeft geen reden om te twijfelen aan het standpunt van de verzekeringsartsen dat verhuizing naar Thailand niet noodzakelijk is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft toegelicht dat appellants medische toestand beter is dan vroeger en dat duidelijk is dat appellant zich geestelijk en lichamelijk beter voelt in Thailand. Dat wordt ook bevestigd door appellants longarts. Er is echter geen medisch wettenschappelijk bewijs dat appellants gezondheid in Thailand veel beter zal zijn dan in Nederland. Het feit dat appellant in Thailand geen behandelingen volgt, omdat zijn gezondheid daar veel beter is, leidt volgens de voorzieningenrechter nog niet tot de conclusie dat er een objectieve medische noodzaak is voor verblijf in Thailand. Appellant heeft geen medische stukken ingebracht waaruit blijkt dat wel sprake is van een objectieve medische noodzaak voor verblijf in Thailand. De voorzieningenrechter heeft erop gewezen dat de hardheidsclausule slechts in uitzonderlijke situaties toepassing kan vinden en dat op appellant de bewijslast rust dergelijke omstandigheden te bewijzen. De door appellant genoemde omstandigheden zijn niet als zodanig zwaarwegend aan te merken dat de beëindiging van de uitkering leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. De voorzieningenrechter heeft geen aanleiding gezien om de verzekeringsarts bezwaar en beroep en appellants behandelende longarts op te roepen als getuigen.
3. In hoger beroep heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat hij zwaarwegende redenen heeft om met behoud van zijn Wajong-uitkering buiten Nederland te wonen. Appellant meent dat de hardheidsclausule voor hem om gezondheidsredenen dient te gelden. Voor dit standpunt ontbreekt weliswaar een deskundigenoordeel, maar appellant heeft wel getuigenbewijs aangeboden en biedt deze nog steeds aan. Feit is dat appellants gezondheid lijdt onder het Nederlandse klimaat. Ook om sociale redenen is er reden voor toepassing van de hardheidsclausule. In Nederland isoleert appellant zich als gevolg van zijn ziekte en is hij aan het huis van zijn moeder gekluisterd. In Thailand heeft appellant een vrouw en een jong zoontje die zijn vader mist. Appellant heeft daar zijn sociale leven en leeft er zonder enige medicatie terwijl appellant in Nederland zware medicatie nodig heeft. Appellants moeder kan hem niet meer financieel ondersteunen. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft appellant verwezen naar een uitspraak van de rechtbank Breda van 7 mei 2010, ECLI:NL:RBBRE:2010:BM5238 en naar informatie van de huisarts.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Ter zitting van de Raad heeft het Uwv toegelicht dat, anders dan de rechtbank heeft aangenomen, het besluit als genoemd onder 1.6 ziet op de schorsing van de betaling van appellants Wajong-uitkering.
4.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat appellant ten tijde als hier van belang in Thailand woonde. In geschil is of in het geval van appellant sprake is van zodanige omstandigheden dat de schorsing van de Wajong-uitkering van appellant per 1 december 2018 alsmede de weigering van het Uwv om appellant toestemming te verlenen om met behoud van zijn Wajong-uitkering te verhuizen naar Thailand in rechte stand kunnen houden.
4.3.1.
Voor de toepasselijke bepalingen wordt verwezen naar overwegingen 5 en 7 van de aangevallen uitspraak.
4.3.2.
Artikel 3:45, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wajong bepaalt dat het Uwv de betaling van de arbeidsongeschiktheidsuitkering opschort of de betaling schorst, indien het op grond van duidelijke aanwijzingen van oordeel is of het gegronde vermoeden heeft dat het recht op uitkering niet of niet meer bestaat.
4.4.
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de door appellant aangevoerde feiten en omstandigheden niet kunnen worden aangemerkt als zwaarwegende redenen om toepassing te geven aan de hardheidsclausule. De overwegingen die de rechtbank tot dit oordeel hebben geleid zoals onder 2 weergegeven worden onderschreven. Het door appellant overgelegde huisartsenjournaal geeft geen aanleiding voor een ander oordeel omdat dit journaal geen informatie bevat over de noodzaak om buiten Nederland te wonen. Ook anderszins zijn er geen omstandigheden die een grondslag kunnen vormen voor toepassing van de hardheidsclausule. Appellants begrijpelijke wens om samen te leven met zijn partner en zoontje in Thailand is niet zo’n omstandigheid. De uitspraak van de rechtbank Breda waarnaar appellant heeft verwezen is door de Raad vernietigd bij de uitspraak van 1 december 2010 (ECLI:NL:CRVB:2010:BO6128).
4.5.
Appellants verzoek om getuigen op te roepen wordt afgewezen. Zoals de rechtbank ook heeft overwogen hebben zowel de verzekeringsarts bezwaar en beroep als appellants longarts hun visie op schrift gesteld. Appellant heeft niet nader toegelicht wat hun getuigenis ter zitting daaraan kan toevoegen.
4.6.
De overwegingen in 4.1 tot en met 4.5 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak, met verbetering van de gronden, moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

beslissing

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.W. Akkerman, in tegenwoordigheid van E.D. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2020.

(getekend) E.W. Akkerman

(getekend) E.D. de Jong