Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2020:763

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 25-03-2020. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 25-03-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2020:763, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 18/4437 WIA


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2020:763:DOC
nl

18



Datum uitspraak: 25 maart 2020

Centrale Raad van BeroepEnkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 4 juli 2018, 17/4459 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.G. van den Heuvel, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 februari 2020. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van den Heuvel. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.H.M. Visser.

overwegingen

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als productiemedewerker voor 41 uur per week. Op 6 december 2013 heeft hij zich ziek gemeld met lichamelijke en psychische klachten. Na afloop van de voorgeschreven wachttijd heeft het Uwv aan appellant met ingang van 4 december 2015 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 38% en het einde van de loongerelateerde periode op 4 februari 2019.
1.2.
In verband met een herbeoordeling heeft appellant het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft vastgesteld dat appellant belastbaar is met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een zogenoemde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 7 oktober 2016. Een arbeidsdeskundige heeft op basis van die FML functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen de mate van arbeidsongeschiktheid berekend. Bij besluit van 31 oktober 2016 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant vanaf 8 februari 2016 minder dan 35% arbeidsongeschikt is en dat hij vanaf 4 februari 2019 geen WIA-uitkering meer krijgt. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij beslissing op bezwaar van 22 mei 2017 (bestreden besluit 1) ongegrond verklaard. Aan bestreden besluit 1 liggen rapporten van 31 maart 2017 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en van 25 april 2017 van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
1.3.
Appellant heeft beroep ingesteld tegen bestreden besluit 1. In een tussenuitspraak van 11 januari 2018 heeft de rechtbank de medische grondslag van dit besluit onderschreven. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat bij het opstellen van de FML rekening is gehouden met de hartklachten, overige fysieke klachten en de persoonlijkheidsstoornis. Appellant heeft geen informatie overgelegd die aanleiding geeft om te twijfelen aan de juistheid van de vastgestelde beperkingen. Dat in de FML van 21 oktober 2014, die is opgesteld in het kader van de eerstejaars Ziektewetbeoordeling (EZWb), meer beperkingen waren opgenomen geeft geen aanleiding om anders te oordelen. Het Uwv heeft immers voldoende gemotiveerd dat met de beperkingen in de FML van 7 oktober 2016 de belastbaarheid van appellant op de datum in geding niet wordt overschreden. Wat betreft de arbeidskundige grondslag van bestreden besluit 1 heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv ten onrechte niet heeft gereageerd op de gronden van appellant betreffende de actualisatie van de functie administratief medewerker en de indexatie van het maatmanloon. Bestreden besluit 1 berust daarom niet op een deugdelijke motivering en is dus in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank heeft het Uwv in de gelegenheid gesteld om het geconstateerde gebrek te herstellen.
1.4.
Bij beslissing op bezwaar van 13 maart 2018 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 31 oktober 2016 alsnog gegrond verklaard en de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 8 februari 2016 vastgesteld op 39,5%. Aan bestreden besluit 2 ligt een rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 8 maart 2018 ten grondslag. Appellant heeft vervolgens tegen bestreden besluit 2 aangevoerd dat zijn beperkingen niet juist zijn vastgesteld in de FML van 7 oktober 2016.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk verklaard, omdat hij geen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van dit beroep. Het beroep tegen bestreden besluit 2 heeft de rechtbank ongegrond verklaard. Hiertoe is overwogen dat de medische grondslag van bestreden besluit 1 in de tussenuitspraak is onderschreven. Doordat de medische grondslag niet is gewijzigd heeft de rechtbank in wat appellant heeft aangevoerd geen aanleiding gezien om anders te oordelen over bestreden besluit 2. Het verzoek van appellant om een deskundige te benoemen heeft de rechtbank afgewezen.

3.1.
Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij verdergaand beperkt is dan is aangenomen door de verzekeringsartsen van het Uwv. Hij is van mening dat op de datum in geding sprake was van een situatie van geen benutbare mogelijkheden (GBM), omdat hij wegens een operatie gedurende twee dagen was opgenomen in het ziekenhuis. Voorts heeft appellant gesteld dat in verband met een verminderde hartfunctie en klachten als gevolg van claudicatio intermittens verdergaande beperkingen voor lopen en staan en een urenbeperking hadden moeten worden aangenomen. Ook hadden wegens zijn psychische klachten meer beperkingen moeten worden aangenomen in de rubriek sociaal functioneren, zoals eerder bij de EZWb wel is gedaan. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant een verslag van psychologisch onderzoek, uitgevoerd door GGZ Rivierduinen op 4 september 2019, 11 september 2019 en 18 september 2019, overgelegd. Ook heeft hij beslissingen overgelegd van de gemeente Gouda van 30 januari 2019 en 13 juni 2019 waarin op basis van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) voorzieningen aan hem zijn toegekend in de vorm van specialistische begeleiding en een scootmobiel. Tot slot heeft appellant een eindrapportage “Werkfit maken” van 25 september 2018 overgelegd. Daaruit blijkt volgens hem dat het verrichten van vrijwilligerswerk gedurende drie maal twee uur per week het maximaal haalbare is. Appellant heeft de Raad verzocht om een psychiater als deskundige te benoemen.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Daartoe is gesteld dat de kortdurende opname van appellant in het ziekenhuis niet relevant is voor zijn uitkering. Aan appellant is immers een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend tot 4 februari 2019, een verhoging van de mate van arbeidsongeschiktheid in die fase leidt niet tot een hogere uitkering. Pas als appellant gedurende minimaal twee maanden niet in staat zou zijn geweest ten hoogste 20% van het maatmanloon per uur te verdienen zou dit gevolgen hebben voor de inkomenseis die na afloop van de loongerelateerde WGA-uitkering gaat gelden. Een opname van twee dagen is daarvoor dus niet voldoende. Verder heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in een rapport van 8 januari 2019 geconcludeerd dat het hogerberoepschrift geen aanleiding geeft om verdergaande beperkingen aan te nemen.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.
Van gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid van een verzekerde is op grond van artikel 5 van de Wet WIA sprake als hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA wordt de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
4.2.
In geschil is de vraag of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant in de zin van de Wet WIA terecht met ingang van 8 februari 2016 heeft vastgesteld op 39,5%.
4.3.1.
Met de rechtbank wordt geoordeeld dat bestreden besluit 2 berust op een deugdelijke medische grondslag. Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.
4.3.2.
De grond van appellant dat op de datum in geding sprake was van GBM treft geen doel. Allereerst volgt dit niet uit de medische gegevens over de ziekenhuisopname voor zover die betrekking hebben op die datum. Daarnaast heeft het Uwv er terecht op gewezen dat er geen gevolgen voor de WIA-uitkering zouden zijn als het arbeidsongeschiktheidspercentage gedurende twee dagen zou zijn vastgesteld op 80 tot 100%.
4.3.3.
Anders dan appellant heeft gesteld, is er geen reden om aan te nemen dat de verzekeringsartsen onvoldoende rekening hebben gehouden met de hartklachten en de klachten als gevolg van claudicatio intermittens. De verzekeringsartsen hebben vastgesteld dat appellant in verband met deze klachten geen fysiek zwaar werk kan verrichten. In de FML van 7 oktober 2016 zijn daarom verschillende beperkingen in de fysieke belastbaarheid aangenomen. Zo is appellant bijvoorbeeld beperkt geacht op de beoordelingspunten 4.18 (lopen), 4.19 (lopen tijdens het werk), 5.3 (staan) en 5.4 (staan tijdens het werk). Uit de in het dossier aanwezige medische stukken kan niet worden afgeleid dat op deze punten verdergaande beperkingen hadden moeten worden aangenomen. Evenmin bestaat er aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de vaststelling van de verzekeringsartsen dat appellant gemiddeld ongeveer acht uur per dag onderscheidenlijk veertig uur per week kan werken. In het rapport van 8 januari 2019 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep inzichtelijk toegelicht dat bij een vernauwing van de kransslagaderen geen sprake is van een verminderde hartfunctie en dat er daarom geen aanleiding is voor een sterkere beperking in het aantal te werken uren. Ook de grond van appellant dat in verband met zijn psychische klachten verdergaande beperkingen hadden moeten worden aangenomen in het sociaal functioneren slaagt niet. Op basis van de bevindingen bij onderzoek door de verzekeringsarts en de ontvangen informatie van de huisarts zijn diverse beperkingen in deze rubriek vastgesteld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 8 januari 2019 inzichtelijk toegelicht waarom de beperkingen op enkele punten verschillen van de beperkingen die eerder zijn vastgesteld bij de EZWb.
4.3.4.
In de stukken die appellant in hoger beroep heeft overgelegd, heeft het Uwv terecht geen aanleiding gezien om zijn standpunt te wijzigen. De Wmo-voorzieningen zijn ruim na de datum in geding toegekend. Bovendien geldt voor het toekennen van dergelijke voorzieningen een ander beoordelingskader dan voor het vaststellen van de beperkingen in het kader van de Wet WIA en blijkt niet op basis van welke medische gegevens de voorzieningen zijn verstrekt. Aan de toekenning van Wmo-voorzieningen wordt daarom niet de conclusie verbonden dat appellant meer beperkingen ondervindt dan wel dat zijn WIA-uitkering naar een grotere mate van arbeidsongeschiktheid zou moeten worden vastgesteld. Ook het feit dat bij psychologisch onderzoek in 2019 is vastgesteld dat appellant trekken van een schizotypische persoonlijkheidsstoornis vertoont, biedt onvoldoende aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van de beperkingen die zijn vastgesteld in de FML van 7 oktober 2016. Verder kan uit de eindrapportage “Werkfit maken” van 25 september 2018 niet worden afgeleid dat appellant op de datum in geding als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek niet in staat was om meer (vrijwilligers)werk te verrichten dan gedurende drie maal twee uur per week.
4.4.
Omdat de daarvoor noodzakelijke twijfel aan de medische beoordeling door het Uwv ontbreekt, wordt geen aanleiding gezien om een onafhankelijke deskundige in te schakelen.
4.5.
Uitgaande van de juistheid van de FML van 7 oktober 2016 zijn de functies die de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in zijn rapport van 8 maart 2018 heeft geselecteerd en aan de schatting ten grondslag heeft gelegd terecht in medisch opzicht geschikt geacht voor appellant. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft de geschiktheid van deze functies afdoende gemotiveerd.
4.6.
Uit 4.2 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

beslissing

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van C.I. Heijkoop als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2020.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) C.I. Heijkoop