Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2020:760

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 25-03-2020. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 25-03-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2020:760, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 18/3293 ZW


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2020:760:DOC
nl

18



Datum uitspraak: 25 maart 2020

Centrale Raad van BeroepEnkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 14 mei 2018, 17/8294 (aangevallen uitspraak)
Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. F. Yildiz, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 februari 2020. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Yildiz. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.H.M. Visser.

overwegingen

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als agrarisch medewerkster. Op 1 september 2015 heeft zij zich ziek gemeld met klachten aan haar rechterschouder. Het Uwv heeft appellante bij besluit van 7 oktober 2015 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend.
1.2.
Na een eerstejaars ZW-beoordeling is het recht op ziekengeld voortgezet, omdat appellante op dat moment niet ten minste 65% van haar maatmaninkomen kon verdienen. In het kader van een toetsing verbetering belastbaarheid in het tweede ziektejaar heeft een verzekeringsarts appellante op het spreekuur gezien. Deze arts heeft appellante belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een zogenoemde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 22 mei 2017. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet in staat is haar eigen werk te verrichten, vervolgens vijf functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen berekend dat appellante nog 85,04% van haar zogeheten maatmaninkomen zou kunnen verdienen. Het Uwv heeft bij besluit van 19 juni 2017 de ZW-uitkering van appellante met ingang van 20 juli 2017 (datum in geding) beëindigd, omdat zij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij beslissing op bezwaar van 27 november 2017 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.
2. Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank dat beroep ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig is verricht. De verzekeringsarts heeft appellante tijdens het spreekuur lichamelijk en psychisch onderzocht. Medische informatie die reeds in het dossier aanwezig was, is in de beoordeling betrokken. Daarnaast heeft de verzekeringsarts medische informatie opgevraagd bij de orthopedisch chirurg. Na ontvangst van deze informatie heeft de verzekeringsarts in een aanvullend rapport geconcludeerd dat haar visie betreffende de belastbaarheid van appellante niet is gewijzigd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aansluitend aan de hoorzitting een lichamelijk onderzoek verricht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep terecht geen aanleiding gezien om opnieuw informatie op te vragen bij de orthopedisch chirurg. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat het bestreden besluit berust op een deugdelijke medische grondslag. Wat appellante heeft aangevoerd heeft geen reden gegeven om te twijfelen aan de juistheid van de door de verzekeringsartsen aangenomen beperkingen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de wijze waarop appellante haar klachten ervaart niet beslissend is voor het vaststellen van de beperkingen. Tot slot heeft de rechtbank geoordeeld dat, uitgaande van de juistheid van de FML, niet valt in te zien waarom appellante niet in staat zou zijn om de door het Uwv geselecteerde functies te vervullen.

3.1.
In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat de medische beoordeling niet zorgvuldig was. De verzekeringsartsen zijn volgens appellante uitsluitend afgegaan op de verwachte herstelperiode na de operatie en hebben geen rekening gehouden met haar specifieke situatie. Uit de in het dossier aanwezige stukken van haar behandelend artsen blijkt dat het herstel bij haar zeer traag en moeizaam verloopt door een frozen shoulder. Appellante heeft aangevoerd dat zij nog steeds veel pijnklachten heeft en daarvoor ook wordt behandeld. Zij is van mening dat de verzekeringsartsen haar beperkingen hebben onderschat. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante een brief overgelegd van fysiotherapeut C. Bartman (Bartman) van 6 februari 2020 en brieven van orthopedisch chirurg F. van Eijk (Van Eijk) van 24 augustus 2017 en 30 april 2018.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Ter zitting heeft het Uwv naar voren gebracht dat de brief van Van Eijk van 24 augustus 2017 al in het dossier aanwezig was. Uit de brief van Bartman van 6 februari 2020 en de brief van Van Eijk van 30 april 2018 komt volgens het Uwv geen nieuwe informatie naar voren over de situatie van appellante op de datum in geding. Het Uwv heeft daarom in deze brieven geen aanleiding gezien om verdergaande beperkingen aan te nemen.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.
Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW heeft een verzekerde zonder werkgever, na 52 weken ongeschiktheid tot werken, recht op ziekengeld als hij nog steeds ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid en hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van artikel 19aa, vijfde lid, van de ZW wordt onder het maatmaninkomen verstaan hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan met arbeid gewoonlijk verdienen. Op grond van artikel 19ab, eerste en derde lid, van de ZW wordt het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen, bedoeld in artikel 19aa van de ZW, vastgesteld op basis van een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek en wordt onder arbeid als bedoeld in artikel 19aa van de ZW verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe een verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Voor de beoordelingssystematiek waarmee de verdiencapaciteit bij de toetsing wordt bepaald, wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de huidige uitvoeringssystematiek van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, waarbij aan de hand van geschikte functies wordt vastgesteld of de betrokkene beschikt over resterende verdiencapaciteit (zie de uitspraak van de Raad van 7 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4971).

4.2.
Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig is verricht. De overwegingen van de rechtbank die tot dit oordeel hebben geleid, worden onderschreven. Anders dan appellante heeft gesteld, is er geen reden om aan te nemen dat de verzekeringsartsen onvoldoende rekening hebben gehouden met haar specifieke situatie en uitsluitend zijn afgegaan op de verwachte herstelperiode na de operatie. De verzekeringsartsen hebben immers op basis van hun bevindingen bij lichamelijk onderzoek en informatie van de behandelend artsen beoordeeld welke beperkingen appellante had op de datum in geding.
4.3.
Ook het oordeel van de rechtbank dat het bestreden besluit op een deugdelijke medische grondslag berust, wordt onderschreven. Benadrukt wordt dat uit het rapport van 22 mei 2017 blijkt dat de verzekeringsarts er rekening mee heeft gehouden dat het postoperatieve herstel wordt gecompliceerd door aanhoudende pijnklachten en dat de diagnose frozen shoulder is gesteld. In verband hiermee zijn in de FML van 22 mei 2017 beperkingen aangenomen betreffende de aanpassing aan fysieke omgevingseisen, dynamische handelingen en statische houdingen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in de rapporten van 22 november 2017 en 23 april 2018 afdoende gemotiveerd dat er op basis van de bevindingen bij lichamelijk onderzoek en de informatie uit de behandelend sector geen aanleiding is om verdergaande beperkingen aan te nemen. Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding om aan de juistheid van deze conclusie te twijfelen. Wat betreft de door appellante overgelegde brieven van Bartman en Van Eijk heeft het Uwv zich terecht op het standpunt gesteld dat hieruit geen nieuwe informatie naar voren komt over de medische situatie van appellante op de datum in geding.

4.4.
De rechtbank wordt ook gevolgd in haar oordeel dat het Uwv appellante terecht in staat heeft geacht om de geselecteerde functies te vervullen.5. De overwegingen in 4.2 tot en met 4.4 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd. 6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
beslissing

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van C.I. Heijkoop als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2020.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) C.I. Heijkoop