Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2020:76

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 15-01-2020. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 15-01-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2020:76, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 17/1409 WAO


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2020:76:DOC
nl

17


Datum uitspraak: 15 januari 2020

Centrale Raad van BeroepMeervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 januari 2017, 16/4499 (aangevallen uitspraak)
Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.H. ten Have, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 juli 2019. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Ten Have. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer.
Het onderzoek ter zitting is geschorst.

Het Uwv heeft aanvullende stukken ingediend en appellante heeft daarop gereageerd.

Partijen hebben niet binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht (nader) ter zitting te worden gehoord, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft gesloten.

overwegingen

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellante is in 1990 met lichamelijke en psychische klachten uitgevallen voor haar werk als serveerster in een restaurant voor 40 uur per week. Vanaf 2 oktober 1991 heeft appellante een uitkering ontvangen op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Omdat appellante aangewezen werd geacht op werk op regelmatige tijden heeft begeleiding plaatsgevonden door de toenmalige Gemeenschappelijke Medische Dienst en heeft appellante diverse opleidingen gevolgd, waaronder een opleiding tot telefoniste/receptioniste, waarvan de kosten zijn vergoed vanuit de AAW. Met ingang van 2 september 1993 is die uitkering ingetrokken omdat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante was afgenomen tot minder dan 15% (WAO) respectievelijk 25% (AAW).
1.2.
Appellante is op 25 oktober 1999 met lichamelijke en psychische klachten uitgevallen voor haar toenmalige werk als telefoniste/receptioniste voor 21 uur per week bij een uitzendbureau. Met ingang van 23 oktober 2000 is appellante in aanmerking gebracht voor een WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% en een dagloon van ƒ 81,41. Met ingang van 6 oktober 2009 is appellante in aanmerking gebracht voor een toeslag op grond van de Toeslagenwet (TW) op haar WAO-uitkering.
1.3.
Met ingang van 1 januari 2016 is appellante als receptioniste voor 24 uur per week in dienst getreden van een stichting, tegen een loon van € 1.200,- bruto per maand.
1.4.
Bij besluit van 24 februari 2016 heeft het Uwv besloten in verband met de inkomsten uit arbeid van appellante de WAO-uitkering van appellante per 1 maart 2016 niet meer uit te betalen en de toeslag op grond van de TW stop te zetten.
1.5.
Bij beslissing op bezwaar van 3 juni 2016 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 24 februari 2016 ongegrond verklaard. Het Uwv heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat de WAO-uitkering van appellante terecht onder toepassing van artikel 44 van de WAO per 1 maart 2016 niet is uitbetaald, omdat het maatmanloon van appellante, geïndexeerd naar 1 januari 2016, lager is dan het loon dat zij sinds 1 januari 2016 verdient in haar werk als receptioniste bij de stichting. Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank dat beroep ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank het volgende overwogen. Onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Raad (ECLI:NL:CRVB:1998:AA8699), dient voor de toepassing van de WAO, zoals die wet ten tijde hier van belang luidde, voor de vaststelling van het maatmanloon als uitgangspunt te worden genomen wat de aan de verzekerde soortgelijke persoon met zijn maatgevende arbeid verdiende op het tijdstip van aanvang van arbeidsongeschiktheid. In beginsel is dit het inkomen dat betrokkene bij zijn of haar laatste werkgever zou hebben genoten indien hij of zij niet arbeidsongeschikt zou zijn geworden, tenzij moet worden gezegd dat die inkomsten geen juiste afspiegeling vormen van de verdiensten van de aan verzekerde soortgelijke persoon. De rechtbank heeft de beroepsgronden van appellante zo opgevat dat zij van mening is dat zij moet worden aangemerkt als een zogenoemde medische afzakker. Van een medische afzakker is sprake als iemand ten gevolge van ziekte of gebrek (tijdelijk) lager beloond werk gaat doen zonder zich ziek te melden. Dan kan het voorlaatste werk als uitgangspunt worden genomen als betrokkene later uitvalt uit dit lager betaald werk en dan pas een WAO-uitkering aanvraagt. In dat geval moet appellante wel voldoende onderbouwen dat zij om medische redenen is gaan werken in lager betaald werk. De rechtbank heeft in dit verband verwezen naar de uitspraak van de Raad van 12 april 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:BZ7283).Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat zij om medische redenen lager betaald werk heeft aanvaard, dan wel dat zij om medische redenen haar arbeidsurenomvang heeft teruggebracht. Appellante heeft geen medische gegevens overgelegd waaruit dit blijkt. De rechtbank heeft daarom ook geen enkel aanknopingspunt gezien voor het oordeel dat appellante aangemerkt moet worden als een medische afzakker.
3.1.
Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat zij wel als een medische afzakker moet worden aangemerkt. Zij heeft hiertoe verwezen naar haar arbeidsverleden en ziektegeschiedenis.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Het Uwv heeft, in aanvulling op de door de rechtbank genoemde rechtspraak van de Raad, verwezen naar de uitspraak van de Raad van 5 maart 2010 (ECLI:NL:CRVB:2010:BL6776).
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.
Voor het wettelijk kader wordt verwezen naar overwegingen 4.1 tot en met 4.3 van de aangevallen uitspraak.
4.2.
Het geschil spitst zich toe op de vraag of appellante moet worden aangemerkt als een medische afzakker.
4.3.
De rechtbank heeft het in dit verband geldende beoordelingskader juist omschreven. Met de rechtbank wordt, uitgaande van dit beoordelingskader, geoordeeld dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij om medische redenen lager betaald werk heeft aanvaard of minder uren is gaan werken. Noch de stukken die in beroep reeds bekend waren, noch de stukken die in hoger beroep aan het dossier zijn toegevoegd, bieden hiervoor aanknopingspunten. Anders dan door appellante ter zitting van de Raad is betoogd, blijkt niet dat zij, voor zij in 1990 uitviel, een managementfunctie had. Uit de stukken die het Uwv na de zitting heeft overgelegd blijkt dat appellante destijds werkzaam was als serveerster. Appellante heeft geen stukken overgelegd waaruit iets anders blijkt. Appellante is vervolgens, na een opleiding in die richting te hebben gevolgd, gaan werken als receptioniste/telefoniste. Van een situatie waarin zij om medische redenen lager gekwalificeerd en dus lager beloond werk heeft aanvaard, is dan ook geen sprake. Dat appellante tot zij in 1990 uitviel, meer uren per week werkte dan voor zij in 1999 uitviel is duidelijk. Echter, nergens blijkt uit dat zij om medische redenen haar aantal uren heeft teruggebracht.
4.4.
De overwegingen 4.1 tot en met 4.3 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

beslissing

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en A.I. van der Kris en M.E. Fortuin als leden, in tegenwoordigheid van D.S. Barthel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 januari 2020.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) D.S. Barthel