Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2020:758

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 25-03-2020. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 25-03-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2020:758, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 18/901 WIA


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2020:758:DOC
nl

18


Datum uitspraak: 25 maart 2020

Centrale Raad van BeroepEnkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 28 december 2017, 17/3229 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. Z. Yeral, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 februari 2020. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Yeral. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.L. Clemens.
overwegingen

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als productiemedewerker/meewerkend voorman voor 33,79 uur per week. Op 3 september 2014 heeft appellant zich, tijdens een periode van werkloosheid, ziek gemeld met psychische klachten. Op verzoek van een arts van het Uwv is appellant op 21 april 2016 onderzocht door psychiater J.H.M. van Laarhoven, die vervolgens op 9 mei 2016 een expertiserapport heeft opgesteld. In het kader van een aanvraag op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft appellant vervolgens het spreekuur bezocht van een andere arts van het Uwv. Deze arts heeft vastgesteld dat appellant belastbaar is met inachtneming van de beperkingen die hij heeft neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 30 juni 2016. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor het laatstelijk verrichte werk. Hij heeft vervolgens functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen de mate van arbeidsongeschiktheid berekend. Bij besluit van 15 juli 2016 heeft het Uwv appellant met ingang van 31 augustus 2016 een loongerelateerde WGA‑uitkering toegekend, omdat hij met ingang van die datum 48,74% arbeidsongeschikt is.
1.2.
Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 14 maart 2017 (bestreden besluit) gegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 10 februari 2017 en van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 8 maart 2017 ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep is niet afgeweken van de conclusies van de primaire verzekeringsarts. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft het maatmaninkomen aangepast en geconcludeerd dat niet alle primair geduide functies geschikt zijn voor appellant. Hij heeft nieuwe functies geduid die wel geschikt zijn. Op basis hiervan heeft hij de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 48,40%.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest. De grond dat de (verzekerings)artsen van het Uwv ten onrechte geen informatie hebben opgevraagd bij behandelaars, slaagt niet. Nog afgezien van het gegeven dat eiser op het moment van het beroep geen behandelaar heeft, en dus niet duidelijk is bij welke behandelaar informatie had moeten worden opgevraagd, is op verzoek van een arts van het Uwv een psychiatrische expertise verricht door psychiater Van Laarhoven. De (verzekerings)artsen hebben de resultaten daarvan betrokken in hun onderzoek en aldus de psychische klachten en beperkingen van appellant voldoende in kaart gebracht. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat de (verzekerings)artsen voldoende hebben gemotiveerd dat volledige arbeidsongeschiktheid op medische gronden niet aan de orde is en dat uitgegaan mag worden van de FML van 30 juni 2016 voor wat betreft de belastbaarheid van appellant. Tot slot was de rechtbank er voldoende van overtuigd dat de belastbaarheid van appellant niet wordt overschreden in de functies die de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep aan de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid ten grondslag heeft gelegd. Het door appellant ingebrachte werkplan van 17 augustus 2016, dat is opgesteld door arbeidsdeskundige Steijaert, heeft de rechtbank niet tot het oordeel geleid dat de geduide functies niet mochten worden gebruikt bij de arbeidsongeschiktheidsberekening, nu die informatie ziet op re-integratie en arbeidsmarktfactoren en dat buiten aanmerking moet blijven bij de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid. De rechtbank heeft overwogen dat het Uwv daarom terecht de mate van arbeidsongeschiktheid per 31 augustus 2016 heeft vastgesteld op 48,40%.

3.1.
In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt gehandhaafd dat de beperkingen ten gevolge van zijn psychische klachten zijn onderschat. Appellant stelt dat hij volledig arbeidsongeschikt is en dat het standpunt van het Uwv dat appellant wel met anderen kan werken, tegenstrijdig is met wat arbeidsdeskundige Steijaert in het werkplan van 17 augustus 2016 omschrijft. Uit dit werkplan volgt volgens appellant dat hij volledig arbeidsongeschikt is en niet geacht kan worden te re-integreren of betaald werk te doen. Het is onbegrijpelijk dat de verzekeringsarts opeens concludeert dat appellant met anderen kan werken. Volgens appellant is onvoldoende rekening gehouden met wat de psychiater van GGZ Westelijk Noord-Brabant (WNB) stelt. Deze psychiater spreekt van een chronische PTSS met depressie, waarvoor medicatie en ondersteunende gesprekken nodig zijn. Appellant heeft de Raad verzocht om een deskundige te benoemen. Tot slot heeft appellant het standpunt gehandhaafd dat uit het voorgaande volgt dat de geduide functies ongeschikt zijn en dat hij niet acht uur per dag kan werken.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.
Van gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid van een verzekerde is op grond van artikel 5 van de Wet WIA sprake als hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA wordt de beoordeling of iemand volledig en duurzaam arbeidsongeschikt of gedeeltelijk arbeidsgeschikt is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
4.2.
In geschil is de vraag of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant in de zin van de Wet WIA terecht met ingang van 31 augustus 2016 heeft vastgesteld op 48,40%.
4.3.
Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd over de vaststelling van zijn belastbaarheid vormt in essentie een herhaling van de gronden die in beroep zijn ingebracht. De rechtbank heeft die gronden afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom die gronden niet slagen. De overwegingen van de rechtbank worden onderschreven.
4.4.
De rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel dat de artsen van het Uwv afdoende hebben gemotiveerd dat appellant niet voldoet aan de strikte criteria van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten om geen benutbare mogelijkheden aan te nemen. Ook wordt de rechtbank gevolgd in het oordeel dat, gelet op de bevindingen en diagnose van Van Laarhoven, afdoende is gemotiveerd waarom een beperking op samenwerken in mindere mate aan de orde is dan bij de Eerstejaars Ziektewetbeoordeling. De primaire arts heeft daarbij toegelicht dat uit het expertiseonderzoek van Van Laarhoven blijkt dat sprake is van een andere diagnose dan bij de eerdere Ziektewetbeoordeling werd vermoed. Het in de regel niet kunnen samenwerken is van toepassing bij betrokkenen met rigide persoonlijkheidstrekken, AD(H)D en autistisch spectrum stoornis. Op basis van het expertiseonderzoek en het eigen onderzoek van de arts, valt appellant niet onder deze groep. Appellant wordt wel beperkt geacht op dit punt, maar in mindere mate dan eerst werd gesteld. Appellant heeft in beroep noch in hoger beroep (nieuwe) medische gegevens overgelegd die aanleiding geven om aan de juistheid hiervan te twijfelen. De informatie van GGZ WNB dateert van ruim voor de datum in geding en van voor het onderzoek door Van Laarhoven. Ten aanzien van het werkplan van 17 augustus 2016 heeft de rechtbank tot slot terecht geoordeeld dat daar in het kader van de arbeidsongeschiktheidsberekening niet de waarde aan kan worden gehecht die appellant daaraan gehecht wenst te zien, nu dat rapport is opgesteld in het kader van de re‑integratie en geen medisch inhoudelijke informatie bevat.
4.5.
Nu er geen grond voor twijfel is aan de juistheid van de medische beoordeling, is er geen aanleiding om een onafhankelijke medisch deskundige te benoemen.
4.6.
Uitgaande van de juistheid van de FML van 30 juni 2016, wordt de rechtbank ook gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht voor appellant geschikt zijn.
4.7.
Uit 4.2 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd. 5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
beslissing

BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris, in tegenwoordigheid van H. Spaargaren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2020.

(getekend) A.I. van der Kris

(getekend) H. Spaargaren