Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2020:755

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 25-03-2020. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 25-03-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2020:755, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 17/8035 WIA


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2020:755:DOC
nl

17/8035 WIA
Datum uitspraak: 25 maart 2020

Centrale Raad van BeroepEnkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 10 november 2017, 17/1945 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 februari 2020. Appellante is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. de Jong.

overwegingen

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als groepsleerkracht op een basisschool voor gemiddeld 36,78 uur per week. Op 12 februari 2015 heeft appellante zich ziek gemeld in verband met klachten aan haar stem en luchtwegen. In het kader van een aanvraag op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft appellante het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor het laatstelijk verrichte werk, maar appellante wel belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die hij heeft neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 7 december 2016. Een arbeidsdeskundige heeft vervolgens functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen berekend dat appellante nog 40,34% van haar maatmaninkomen kan verdienen. Bij besluit van 21 december 2016 heeft het Uwv appellante na afloop van de voorgeschreven wachttijd met ingang van 9 februari 2017 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend, omdat zij met ingang van die datum 59,66% arbeidsongeschikt is.
1.2.
Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 25 april 2017 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 13 april 2017 en van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 24 april 2017 ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op 13 april 2017 een nieuwe FML opgesteld, waarin zij heeft vastgelegd dat appellante op het item staan tijdens het werk qua duur iets minder beperkt is dan de primaire verzekeringsarts heeft aangenomen. Voor het overige heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen aanleiding gezien om af te wijken van de FML van 7 december 2016. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens geconcludeerd dat het arbeidsongeschiktheidspercentage door de aanpassing van de FML niet wijzigt, omdat alle primair geduide functies in bezwaar gehandhaafd kunnen blijven.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank – samengevat – overwogen dat er geen aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat de beperkingen van appellante niet juist zijn vastgesteld. Appellante heeft in beroep geen objectief medische informatie ingebracht op grond waarvan moet worden aangenomen dat zij op de datum in geding meer beperkt is dan de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aangenomen. De rechtbank heeft begrip voor de sterke beleving van de klachten door appellante, maar daaraan kan geen doorslaggevende betekenis worden toegekend. Uitgaande van die vastgestelde beperkingen, zijn de werkzaamheden in de voor appellante geduide functies in medisch opzicht geschikt voor haar. Op basis van de bij de geduide functies behorende (theoretische) verdiencapaciteit is de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante terecht vastgesteld op 59,66%.

3.1.
In hoger beroep heeft appellante gehandhaafd dat zij niet kan werken in de door het Uwv aan de schatting ten grondslag gelegde functies. Appellante meent dat zij niet kan werken in een omgeving met enige vorm van luchtbehandeling en dat zij op dat punt meer beperkt is dan door het Uwv is aangenomen. Ter onderbouwing van dit standpunt wijst appellante op de in het dossier aanwezige informatie van dr. R.B. van Dijk, coördinerend medisch specialist bij Cavari Clinics, van 20 september 2016 en van dr. M.H.C.T. Meijer van 26 augustus 2015. De functies machinebediende inpak-/verpakkingsmachine met SBC-code 271093 (in een drukkerij) en samensteller kunststof en rubberproducten met SBC-code 271130 zijn volgens appellante niet geschikt, omdat daar respectievelijk een klimaatbeheersingssysteem en een luchtafvoersysteem aanwezig zijn. Een e-mail van de door appellante aangeschreven drukkerij bevestigt dat zij daar met haar beperkingen niet kan werken. Verder wordt in die functies gewerkt met lijm en in laatstgenoemde functie ook met een alcoholdispenser, terwijl appellante beperkt is op het werken met prikkelende stoffen. De aanwezigheid van een luchtafvoersysteem en een klimaatbeheersingssysteem duidt er volgens appellante tevens op dat in de functies wordt gewerkt met prikkelende stoffen. Dat lijm geurloos is, zoals door de arbeidsdeskundig analist te kennen is gegeven, betekent niet dat deze lijm niet irriterend is. In haar laatste schrijven van 13 februari 2020 heeft appellante aanvullend aangevoerd dat in de basisinformatie van het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) bij beoordelingspunt 3.6 over stof, rook, gassen en dampen staat dat functies met atmosferische belasting worden aangetroffen in onder meer garagebedrijven en drukkerijen. Onduidelijk is waarom er bij de functies machinebediende inpak-/verpakkingsmachine en besteller post/pakketten (met SBC-code 282102) geen signalering op item 3.6 heeft plaatsgevonden. Bovendien heeft bij alle functies wel een signalering plaatsgevonden op item 3.9.1 maar is niet toegelicht waarom de functies desondanks geschikt zijn.
3.2.
Het Uwv heeft, onder verwijzing naar rapporten van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 18 november 2019 en 4 februari 2020, verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.
Van gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid van een verzekerde is op grond van artikel 5 van de Wet WIA sprake als hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA wordt de beoordeling of iemand volledig en duurzaam arbeidsongeschikt of gedeeltelijk arbeidsgeschikt is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
4.2.
In geschil is de vraag of de rechtbank kan worden gevolgd in haar oordeel dat het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante in de zin van de Wet WIA terecht met ingang van 9 februari 2017 heeft vastgesteld op 59,66%.
4.3.
De rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel dat het bestreden besluit berust op voldoende medische grondslag en dat er geen aanleiding bestaat te oordelen dat de beperkingen van appellante niet juist zijn vastgesteld. De primaire verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellante beperkt is op het werken in een omgeving met luchtbehandelingssystemen als airconditioners of geforceerde heteluchtsystemen en dergelijke, maar heeft ook gerapporteerd dat er (juist) wel sprake dient te zijn van werkomgeving met een adequate luchtverversing of ventilatie. Uit de informatie van dr. Van Dijk van dr. Meijer volgt niet dat appellante beperkt is op het werken in een omgeving met welke vorm van luchtbehandeling of luchtverversing dan ook. Appellante heeft in beroep noch in hoger beroep medische informatie ingebracht waaruit moet worden afgeleid dat zij op dit punt meer of zwaarder beperkt is dan al door het Uwv is aangenomen.
4.4.
De rechtbank wordt ook gevolgd in haar oordeel dat, uitgaande van de juistheid van de in de FML van 13 april 2017 vastgestelde beperkingen, de geduide functies in medisch opzicht voor appellante geschikt moeten worden geacht. In de geduide functies komt geen signalering op het item 3.6 voor. Uit vaste rechtspraak van de Raad volgt dat in beginsel dient te worden uitgegaan van de juistheid van de in het CBBS opgenomen gegevens en dat indien het CBBS geen signalering geeft op een item, dat item in die functies niet voorkomt. Verder heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in reactie op de hoger beroepsgronden toegelicht dat in de functies machinebediende inpak-/verpakkingsmachine en samensteller kunststof en rubberproducten geen sprake is van een kenmerkende belasting op dat punt, omdat de lijm in eerstgenoemde functie geurloos is en niet irriterend voor de luchtwegen, wat ook volgt uit de omstandigheid dat in de werkomgeving geen luchtafvoer aanwezig is, en in laatstgenoemde functie de lijmstoffen van onderaf worden afgezogen en niet in de lucht terechtkomen. De stelling van appellante dat wel sprake moet zijn van een kenmerkende belasting op prikkelende stoffen indien een klimaatbeheersingssysteem of luchtafvoersysteem aanwezig is, kan op grond van het voorgaande niet worden gevolgd. Verder heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten aanzien van de luchtcondities toegelicht dat in eerstgenoemde functie wordt gewerkt in een ruimte die is afgescheiden van de productiewerkzaamheden van de drukkerij en dat in laatstgenoemde functie wordt gewerkt in een cleanroom in een stofvrije ruimte waarin de lucht vier maal per uur door een afzuigsysteem wordt ververst. Daar is zonder meer sprake van adequate luchtverversing. Ten aanzien van item 3.9.1 heeft de gemachtigde van het Uwv ter zitting nader toegelicht dat een beperking op dit item altijd leidt tot een signalering, omdat bij dit item de functionele mogelijkheden niet geautomatiseerd worden vergeleken met de eisen in arbeid. De arbeidsdeskundige dient dit punt te bekijken. In dit geval heeft de arbeidsdeskundige bewaar en beroep in zijn rapport van 24 april 2017 gerapporteerd dat dit item in geen van de geduide functies aan de orde is. Gelet op het voorgaande, moet het oordeel van de rechtbank dat appellante in staat moet worden geacht de door de arbeidsdeskundige geduide functies te vervullen, worden onderschreven.
4.5.
Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd. 5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
beslissing

BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris, in tegenwoordigheid van H. Spaargaren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2020.

(getekend) A.I. van der Kris

(getekend) H. Spaargaren