Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2020:75

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 15-01-2020. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 15-01-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2020:75, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 17/5944 WIA


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2020:75:DOC
nl

17


Datum uitspraak: 15 januari 2020

Centrale Raad van BeroepEnkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 20 juli 2017, 16/7085 (aangevallen uitspraak)
Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. Adansar hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 december 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Adansar. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. J.C. van Beek.
overwegingen

OVERWEGINGEN
1.1.
Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als coördinator bij een deurwaarderskantoor voor 40 uur per week. Op 10 november 2011 heeft hij zich ziek gemeld met psychische en lichamelijke klachten. Na afloop van de voorgeschreven wachttijd heeft het Uwv aan appellant met ingang van 7 november 2013 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 64% en het einde van de loongerelateerde periode op 7 januari 2017.

1.2.
Op 25 februari 2016 heeft appellant aan het Uwv doorgegeven dat zijn klachten zijn toegenomen. Naar aanleiding van deze melding heeft appellant het spreekuur van een arts van het Uwv bezocht. Deze arts heeft vastgesteld dat appellant belastbaar is met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 18 maart 2016. Een arbeidsdeskundige heeft functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen de mate van arbeidsongeschiktheid berekend. Het Uwv heeft bij besluit van 21 april 2016 de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 11 april 2016 vastgesteld op 63,42%. De hoogte van de loongerelateerde WGA-uitkering is daardoor niet gewijzigd. Naar aanleiding van het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep op 18 augustus 2016 een gewijzigde FML opgesteld. Een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in een rapport van 15 september 2016 een deel van de geselecteerde functies verworpen. Daarvoor in de plaats heeft hij andere functies geselecteerd en op basis daarvan de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 68,37%. Bij beslissing op bezwaar van 5 oktober 2016 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant gegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep zorgvuldig is verricht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft zijn conclusies gebaseerd op bestudering van het dossier, het bezwaarschrift en de informatie van de behandelend specialisten en op wat tijdens de hoorzitting is besproken. Verder heeft de rechtbank geen reden gezien om het medisch oordeel voor onjuist te houden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft toegelicht dat wegens de psychische klachten en slaapapneu beperkingen zijn aangenomen in de rubrieken persoonlijk functioneren, sociaal functioneren en arbeidstijden. Ook heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep te kennen gegeven dat de adviezen in het verzekeringsgeneeskundig protocol depressieve stoornis (Protocol) zijn gevolgd. Appellant heeft zijn standpunt dat verdergaande beperkingen hadden moeten worden aangenomen in verband met zijn slaapapneu, psychische klachten en knieklachten niet onderbouwd met medische stukken.

3.1.
Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat het medisch onderzoek onvoldoende zorgvuldig is verricht. De verzekeringsartsen hebben geen lichamelijk en geestelijk onderzoek uitgevoerd en er is geen nader onderzoek gedaan bij zijn behandelend artsen. Voorts heeft appellant aangevoerd dat er verdergaande beperkingen hadden moeten worden aangenomen in verband met zijn slaapapneu, knieklachten en depressieve klachten. Door slaapgebrek kan hij onder andere niet goed omgaan met prikkels en mensen in het algemeen. De knieklachten zijn na het plaatsen van een knieprothese nog aanwezig en nemen niet alleen toe bij langdurig lopen of staan, maar ook bij lang zitten. Wat betreft de depressieve klachten heeft appellant gesteld dat onvoldoende duidelijk is dat de verzekeringsartsen het Protocol hebben gevolgd. Hij is van mening dat gemotiveerd had moeten worden waarom de beperkingen die volgens het Protocol mogelijk aan de orde zijn bij een depressie in zijn geval niet zijn aangenomen. Appellant heeft de Raad verzocht om een onafhankelijke deskundige in te schakelen.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.
Van gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid van een verzekerde is op grond van artikel 5 van de Wet WIA sprake als hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA wordt de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.

4.2.
In geschil is de vraag of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant in de zin van de Wet WIA terecht met ingang van 11 april 2016 heeft vastgesteld op 68,37%.

4.3.
Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig was. De arts van het Uwv heeft appellant op het spreekuur gezien. Zijn waarnemingen in het kader van psychisch onderzoek zijn vastgelegd in het rapport van 21 maart 2016. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de hoorzitting bijgewoond en informatie opgevraagd bij de huisarts van appellant. Bij zijn reactie heeft de huisarts brieven meegezonden van een psychotherapeut/klinisch psycholoog, een cardioloog, een orthopedisch chirurg en een slaapgeneeskundige. Er is geen reden om aan te nemen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep hiermee niet over voldoende informatie beschikte om de beperkingen van appellant vast te kunnen stellen. Dat er geen lichamelijk onderzoek is verricht, betekent volgens vaste rechtspraak van de Raad nog niet dat het medisch onderzoek onvoldoende zorgvuldig was (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 26 april 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9626).
4.4.
Ook het oordeel van de rechtbank dat er geen reden bestaat de medische beoordeling voor onjuist te houden, wordt onderschreven. In de FML van 18 augustus 2016 zijn in verband met de verschillende medische problemen van appellant, waaronder slaapapneu, psychische klachten en knieklachten, beperkingen aangenomen in het persoonlijk en sociaal functioneren, de fysieke belastbaarheid en de werktijden. Wat appellant heeft aangevoerd geeft geen aanleiding om aan te nemen dat hiermee zijn beperkingen zijn onderschat. Hij heeft zijn standpunten ook in hoger beroep niet met medische stukken onderbouwd. Bovendien is, anders dan appellant heeft gesteld, voldoende duidelijk dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep het Protocol in zijn beoordeling heeft betrokken. Het Protocol schrijft niet voor dat alle daarin genoemde onderdelen van de beoordeling en alle aspecten die zich bij een depressie mogelijk voor kunnen doen expliciet door de verzekeringsarts (bezwaar en beroep) moeten worden besproken (zie de uitspraak van de Raad van 16 september 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ7873).
4.5.
Omdat er geen twijfel bestaat over de juistheid van de medische beoordeling door het Uwv wordt er geen aanleiding gezien voor het raadplegen van een onafhankelijke deskundige.

4.6.
Uitgaande van de juistheid van de FML van 18 augustus 2016 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in het rapport van 15 september 2016 appellant terecht in staat geacht om de geselecteerde functies te vervullen.

4.7.
Uit 4.2 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd. 5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
beslissing

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.E. Bakker, in tegenwoordigheid van D.S. Barthel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 januari 2020.

(getekend) R.E. Bakker

(getekend) D.S. Barthel