Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2020:60

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 14-01-2020. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 10-01-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2020:60, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 17-7132 ANW


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2020:60:DOC
nl

17


Datum uitspraak: 10 januari 2020

Centrale Raad van BeroepEnkelvoudige kamer
Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Amsterdam van 20 september 2017, 17/2464 (aangevallen uitspraak 1) en van 13 februari 2018, 17/6289 (aangevallen uitspraak 2)
Partijen:

[betrokkene] te [woonplaats], Marokko (betrokkene)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens betrokkene heeft mr. C.A.J. de Roy van Zuydewijn, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen aangevallen uitspraak 1.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

De Svb heeft hoger beroep ingesteld tegen aangevallen uitspraak 2.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 november 2019. Namens betrokkene is mr. De Roy van Zuydewijn verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.A.H. Koning.
overwegingen

OVERWEGINGEN

1.1.
Betrokkene heeft in 2012 een aanvraag om toekenning van een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW) gedaan wegens het overlijden van haar echtgenoot, [naam echtgenoot], [in] 2012. Met een besluit van 2 juni 2016 is aan haar vanaf 1 februari 2012 een voorlopige nabestaandenuitkering toegekend en is haar voor de periode van 1 februari 2012 tot en met juni 2016 € 63.928,84 nabetaald. Op 8 juli 2016 heeft de Svb betrokkene de definitieve toekenning van de ANW-uitkering toegezonden. Hieruit bleek dat de uitkering na 3 juli 2015 beëindigd wordt, omdat betrokkene op 4 juli 2015 de AOW-leeftijd had bereikt. Nu de ANW-uitkering is doorbetaald tot en met juli 2016 is aan haar € 13.758,27 te veel uitgekeerd, welk bedrag wordt teruggevorderd, blijkt uit een besluit van 8 juli 2016. Het bezwaar tegen de besluiten van 8 juli 2016 is bij een beslissing op bezwaar van 21 maart 2017 (bestreden besluit 1) ongegrond verklaard.
1.2.
In aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat uit de wet en het beleid van de Svb voortvloeit dat een uitkering wordt herzien en het te veel betaalde wordt teruggevorderd als die uitkering onjuist is vastgesteld en daardoor onverschuldigd is betaald. Dit is slechts anders als betrokkene de fout van de Svb om niet tijdig te herzien niet heeft kunnen onderkennen, dan wel indien er dringende redenen zijn om van herziening af te zien. Naar het oordeel van de rechtbank had betrokkene kunnen begrijpen dat zij geen recht meer had op een ANW-uitkering vanaf het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. Zij had de fout van de Svb dus kunnen onderkennen. Hoewel de Svb adequater had behoren te handelen, bestond er geen reden op grond van het beleid af te zien van de herziening. Ten aanzien van de terugvordering is de rechtbank van oordeel dat, naar vaste rechtspraak, dringende redenen om hiervan af te zien slechts gelegen kunnen zijn in de onaanvaardbaarheid van de – financiële of sociale – gevolgen voor betrokkene. Volgens de rechtbank is van deze gevolgen geen sprake.
1.3.
In hoger beroep hiertegen stelt betrokkene dat de Svb niet tot herziening en terugvordering had mogen overgaan, nu het haar niet redelijkerwijs duidelijk had kunnen zijn dat zij te veel uitkering had ontvangen.
2.1.
In het bezwaar tegen de besluiten van 8 juli 2016, in samenhang met het besluit van 2 juni 2016, had betrokkene verzocht om vergoeding van wettelijke rente wegens het te laat betalen van de nabestaandenuitkering. Op de aanvraag uit 2012 is pas in 2016 beslist, zodat de beslistermijn ruimschoots is overschreden. In een nader besluit van 21 maart 2017 is aan betrokkene de wettelijke rente toegekend over het bedrag aan ANW-uitkering waarop zij tot en met 3 juli 2015 recht had. Ook is aan haar een vergoeding van kosten in bezwaar toegekend. In een ander besluit van 21 maart 2017 is aan betrokkene een dwangsom toegekend wegens het niet tijdig beslissen op de aanvraag, waarbij de ingebrekestelling op 22 maart 2016 is ingediend. Ook wordt nogmaals een vergoeding van kosten in bezwaar toegekend. Met een besluit van 23 maart 2017 wordt aan betrokkene een betalingsregeling voor de terugvordering van de te veel betaalde ANW-uitkering bekend gemaakt, waarin staat vermeld dat de wettelijke rente, de dwangsom en de vergoeding van de kosten in bezwaar met het terug te betalen bedrag worden verrekend. Het bezwaar tegen dit besluit is bij beslissing op bezwaar van 15 september 2017 (bestreden besluit 2) ongegrond verklaard.
2.2.
In aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 2 gegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank ontbreekt voor een verrekening van de wettelijke rente, de dwangsom en de proceskosten een wettelijk voorschrift als bedoeld in artikel 4:93, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit wettelijke voorschrift kan niet gevonden worden in artikel 45 van de ANW, nu hierin geen bepaling staat over verrekening in geval van terugvordering van een onverschuldigde betaling.
2.3.
In hoger beroep hiertegen wijst de Svb erop dat artikel 45 van de ANW weliswaar betrekking heeft op de verrekening van een opgelegde boete, maar dat dit artikel in artikel 54 van de ANW van overeenkomstige toepassing is verklaard op de terugvordering van een onverschuldigde betaling.
3. De Raad overweegt als volgt.

Herziening

3.1.1.
Niet in geschil is dat betrokkene recht had op een nabestaandenuitkering tot aan haar pensioengerechtigde leeftijd, gezien het bepaalde in artikel 16, eerste lid, onder c, van de ANW. Evenmin is in geschil dat de nabetaling van de uitkering ook zag op een periode na deze datum, zodat vaststaat dat betrokkene meer uitkering heeft ontvangen dan waar ze recht op had.
3.1.2.
Ter zitting is door de Svb gesteld dat, bij het nemen van de besluiten van 8 juli 2016, getoetst is aan het zogeheten 3:4-beleid zoals dat ten tijde van deze besluiten luidde. Dit beleid houdt het volgende in:
“Voorts ziet de SVB met toepassing van artikel 3:4 Awb geheel of gedeeltelijk van herziening af als de bijzondere omstandigheden van het geval leiden tot het oordeel dat een volledig terugwerkende kracht kennelijk onredelijk is. Bij de beoordeling of er sprake is van kennelijke onredelijkheid hecht de SVB belang aan: • de mate waarin aan de belanghebbende een verwijt kan worden gemaakt;• de mate waarin aan de SVB een verwijt kan worden gemaakt en• de mate waarin herziening met volledig terugwerkende kracht en de hiermee gepaard gaande terugvordering onevenredig ingrijpend is in het dagelijkse leven van de belanghebbende.Als de SVB op grond van deze factoren van oordeel is dat volledige herziening kennelijk onredelijk is, wordt de terugwerkende kracht van de herziening of intrekking gematigd.”
3.1.3.
Zoals al eerder is overwogen, onder meer in de uitspraak van de Raad van 5 november 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO3352, moet dit beleid aangemerkt worden als een buitenwettelijk, begunstigend beleid. Naar vaste rechtspraak dient een dergelijk beleid door de bestuursrechter terughoudend te worden getoetst. Dit houdt in dat de aanwezigheid en de toepassing van dat beleid als een gegeven wordt aanvaard met dien verstande dat wordt getoetst of een zodanig beleid op consistente wijze is toegepast.
3.1.4.
Uit het verhandelde ter zitting blijkt dat de Svb van mening is dat het verwijt dat betrokkene gemaakt kan worden, veel groter is dan het verwijt aan de zijde van de Svb. Betrokkene had moeten weten dat het uitbetaalde bedrag onjuist was, omdat zij wist dat ze in 2015 de AOW-gerechtigde leeftijd had bereikt. Daarnaast was haar medegedeeld dat het bedrag een voorlopige uitkering betrof en dat de definitieve toekenning nog zou volgen.
3.1.5.
Betrokkene stelt daar tegenover dat zij het besluit tot toekenning van de voorlopige uitkering niet heeft ontvangen en dat zij eind juni 2016 een bedrag op haar rekening kreeg bijgeschreven. Omdat zij al een aantal jaren wachtte op de uitkomst van haar aanvraag, mocht zij aannemen dat dit bedrag haar toekwam. Het geld was bovendien al uitgegeven aan een huis voor haar zoon op het moment dat de besluiten tot terugvordering en tot beëindiging van de uitkering per 4 juli 2015 door haar werd ontvangen.
3.1.6.
De Raad kan de Svb niet volgen in zijn standpunt dat het verwijt dat betrokkene gemaakt kan worden, dusdanig groot is, dat het verwijt dat de Svb gemaakt kan worden, niet kan leiden tot een ander besluit. Betrokkene kan zeker een verwijt gemaakt worden bij het ontstaan van de herziening en terugvordering. Zij had kunnen weten dat zij recht had op een nabestaandenuitkering tot aan haar pensioengerechtigde leeftijd. Ook had ze kunnen begrijpen dat het uitbetaalde bedrag een voorschot betrof, want zelfs als ze het besluit tot toekenning van een voorlopige uitkering niet heeft ontvangen, staat vast dat ze een brief van 1 juni 2016 met een verzoek om informatie wel heeft ontvangen. In deze brief stond dat er nog gegevens nodig waren om tot een definitief besluit over haar recht op nabestaandenuitkering te komen. Deze informatie heeft betrokkene ook verstrekt. Ook is aan haar bij brief van 24 juni 2016 verzocht informatie te geven over haar inkomen, in verband met het vaststellen van haar uitkering.
3.1.7.
In deze beoordeling speelt het verwijt dat de Svb kan worden gemaakt echter een grotere rol dan nu door de Svb wordt aangenomen. Daarbij worden de volgende aspecten van belang geacht:
- Betrokkene heeft in eerste instantie bij CVZ een nabestaandenuitkering aangevraagd. CVZ - Al in haar brief van oktober 2012 en op het aanvraagformulier heeft betrokkene vermeld dat - Mr. De Roy van Zuydewijn heeft zich in ieder geval al op 22 maart 2016 als gemachtigde
heeft deze aanvraag op 11 mei 2012 doorgezonden naar de Svb. Uit de stukken blijkt niet dat de Svb hierop enige actie heeft ondernomen. Nadat betrokkene in oktober 2012 de Svb heeft verzocht haar aanvraag te behandelen, is pas in januari 2013 aan haar een aanvraagformulier toegezonden. Ondanks verschillende verzoeken van betrokkene om een besluit te nemen, is uiteindelijk pas in juli 2016 het recht van betrokkene vastgesteld;
haar geboortedatum 4 april 1950 is. De Svb was dus op de hoogte van de datum waarop de nabestaandenuitkering beëindigd diende te worden, maar desondanks is hier geen rekening mee gehouden;
gesteld, maar geen enkel van belang zijnd primair besluit in dit geding lijkt door de Svb tijdig aan haar te zijn toegezonden. Op de brief van 22 maart 2016, waarin de Svb in gebreke is gesteld omdat niet tijdig is beslist op de aanvraag van betrokkene, is door de Svb niet gereageerd. Ook op brieven van de gemachtigde van 2 juni 2016 en 24 juli 2016 lijkt niet spoedig gereageerd te zijn door de Svb. Hoewel de Svb stelt dat de besluiten wel aan de gemachtigde zijn gezonden, blijkt dit niet uit de door de Svb ingezonden stukken.
3.1.8.
Door deze gang van zaken, die aan de Svb te wijten is, is niet onbegrijpelijk dat betrokkene meende in juni 2016 eindelijk haar uitkering ontvangen te hebben, zeker nu ze van haar gemachtigde geen uitleg kon krijgen, nu deze zelf niet door de Svb op de hoogte werd gehouden en gebracht van de stand van zaken.
3.1.9.
In de afweging die door de Svb gemaakt diende te worden in de toepassing van het 3:4‑beleid heeft de Svb niet kunnen concluderen dat aan zijn eigen fouten bij het ontstaan van de herziening en terugvordering geen gevolgen hoefden te worden verbonden. Alles afwegend had de Svb, zijn beleid consistent toepassend, dienen te besluiten dat de herziening en terugvordering tot de helft beperkt moest worden.
Terugvordering

3.2.1.
Nu uit 3.1.9 volgt dat de herziening tot de helft van de periode beperkt dient te worden, volgt hier eveneens uit dat de terugvordering beperkt dient te worden. Er bestaat geen aanleiding de terugvordering nog verder te beperken. Naar vaste rechtspraak kunnen er dringende redenen zijn om (gedeeltelijk) van terugvordering af te zien. Dringende redenen kunnen slechts zijn gelegen in onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen van een terugvordering voor de betrokkene (vergelijk de uitspraak van de Raad van 19 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1851). Het moet gaan om incidentele gevallen waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging plaatsvindt van alle relevante omstandigheden.
3.2.2.
Dergelijke dringende redenen zijn niet gebleken. Met name zijn deze niet gelegen in het feit dat betrokkene, zoals zij heeft gesteld, geen inkomen heeft en niet kan terugbetalen. Deze stelling kan een rol spelen bij de invordering van de schuld, maar niet bij de terugvordering als zodanig.
Verrekening

3.3.1.
Ter zitting is besproken dat het oordeel van de Raad alleen ziet op de verrekening van de dwangsom en de proceskosten met de terugvordering. Over de wettelijke rente loopt nog een bezwaarprocedure bij de Svb, zodat dit onderdeel buiten de beoordeling zal blijven.
3.3.2.
Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 5 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2262, wordt hierover als volgt geoordeeld. In artikel 45 van de ANW is voor verrekening door de Svb van een aan een belanghebbende opgelegde bestuurlijke boete met (onder meer) een uitkering op grond van de ANW een voorziening getroffen. Bij Wet van 19 juni 2013 tot wijziging van enkele wetten van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Verzamelwet SZW 2013), in werking getreden op 1 juli 2013, is in artikel 45 van de ANW een tweede lid opgenomen, waarin is bepaald dat, onverminderd het eerste lid, de Svb de bestuurlijke boete kan verrekenen met een vordering die degene aan wie de bestuurlijke boete is opgelegd, op hem heeft. Artikel 45 van de ANW is in artikel 54 van de ANW van overeenkomstige toepassing verklaard op beslissingen inzake terugvordering van onverschuldigd betaalde ANW-uitkering. Dit betekent dat voor verrekening van onder meer een verschuldigde kostenvergoeding en een dwangsom met een vordering uit hoofde van onverschuldigd betaalde ANW-uitkering een wettelijke grondslag aanwezig is. Tussen partijen bestaat geen verschil van mening over de hoogte van deze bedragen, zodat geconcludeerd moet worden dat in bestreden besluit 2 terecht tot verrekening van de nu in geding zijnde bedragen is overgegaan.
Conclusie

4.1.
Uit 3.1.1 tot en met 3.2.2 volgt dat de nabestaandenuitkering van betrokkene niet met volledig terugwerkende kracht herzien had mogen worden, maar slechts met de helft. Dit houdt tevens in dat het terug te vorderen bedrag ook beperkt dient te worden. Nu de rechtbank ten onrechte bestreden besluit 1 in stand heeft gelaten, dient aangevallen uitspraak 1 vernietigd te worden, alsmede bestreden besluit 1. De Svb dient een nieuw besluit te nemen met betrekking tot de herziening en de terugvordering. Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen de door de Svb te nemen nieuwe beslissing op het bezwaar slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.
4.2.
Uit 3.3.1 en 3.3.2 volgt dat de rechtbank ten onrechte het beroep tegen bestreden besluit 2 gegrond heeft verklaard. Ook aangevallen uitspraak 2 zal daarom vernietigd worden en, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, wordt het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard.
Proceskosten

5. Aanleiding bestaat de Svb te veroordelen in de kosten van betrokkene, voor zover dit betrekking heeft op bestreden besluit 1 en aangevallen uitspraak 1. Deze worden begroot op € 1.050,- in beroep (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting) en op € 1.050,- in hoger beroep (1 punt voor hogerberoepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting) voor verleende rechtsbijstand, in totaal een bedrag van € 2.100,-. Tevens wordt de Svb veroordeeld tot vergoeding van kosten in bezwaar, begroot op € 1.050,-. In totaal dient de Svb dus € 3.150,- aan betrokkene te vergoeden.
beslissing

BESLISSING

- vernietigt aangevallen uitspraak 1; - verklaart het beroep tegen het besluit van 21 maart 2017 gegrond en vernietigt dit besluit;- draagt de Svb op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;- bepaalt dat beroep tegen de nieuwe beslissing op bezwaar alleen bij de Raad kan worden ingesteld;- bepaalt dat de Svb aan betrokkene het in beroep betaalde griffierecht van € 46,- vergoedt; - veroordeelt de Svb tot vergoeding aan betrokkene van de kosten in bezwaar en de proceskosten van in totaal € 3.150,-;- vernietigt aangevallen uitspraak 2;- verklaart het beroep tegen het besluit van 15 september 2017 ongegrond.
De Centrale Raad van Beroep

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade in tegenwoordigheid van H. Achtot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 januari 2020.

(getekend) M.M. van der Kade

De griffier is verhinderd te ondertekenen.