Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2020:57

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Ambtenarenrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 13-01-2020. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 10-01-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2020:57, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 19/1777 MPW


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2020:57:DOC
nl

19


Datum uitspraak: 10 januari 2020

Centrale Raad van BeroepEnkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 14 maart 2019, 17/2648 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de minister van Defensie, thans de Staatssecretaris van Defensie (staatssecretaris)

PROCESVERLOOP

Dit geding dat aanvankelijk is gevoerd ten name van de Minister van Defensie (minister), is in verband met wijziging van taken voortgezet ten name van de staatssecretaris. Waar in deze uitspraak wordt gesproken over de staatssecretaris, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de minister.

Namens appellant heeft mr. K.C.M. van den Hoek hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 november 2019. Appellant is verschenen. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.R.C. Adang.

overwegingen

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant is [in] 1994 als dienstplichtig militair in dienst gekomen. In de periode van 4 oktober 1994 tot 7 april 1995 is appellant uitgezonden naar voormalig Joegoslavi√ę in het kader van UNPROFOR. Hij was als [naam functie] gestationeerd in Srebrenica, [plaatsnaam].
1.2.
Bij besluit van 13 augustus 2010 heeft de staatssecretaris het verzoek van appellant van 8 april 2010 om toekenning van een invaliditeitspensioen in verband met psychische klachten afgewezen op de grond dat geen verband wordt aanvaard tussen de uitoefening van de militaire dienst en de psychische aandoening van algemene aard. De staatssecretaris heeft zich daarbij gebaseerd op de rapportage van 12 augustus 2010 van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek van verzekeringsarts M. Levy.
1.3.
In bezwaar heeft appellant een rapportage van psychiater dr. R.V. Schwarz van 6 januari 2011 overgelegd. Medisch adviseur H.W. Kharagjitsing heeft op 7 juni 2011 een reactie gegeven op dit rapport. Appellant heeft op 16 april 2015 alsnog het behandeladvies van het Psychotraumadiagnose Centrum van 7 september 2010 overgelegd, waarop verzekeringsarts H.A. van der Kreek op 28 mei 2015 heeft gereageerd. Op 16 maart 2016 heeft appellant aanvullende behandelinformatie van de MGGZ overgelegd. Gelet op de niet eenduidige informatie heeft de staatssecretaris in overleg met appellant een psychiatrische expertise laten uitvoeren. Naar aanleiding hiervan heeft prof. dr. emeritus hoogleraar psychiatrie R.J. van den Bosch op 14 december 2016 een rapport uitgebracht. Vervolgens heeft verzekeringsarts P.G. Verkerk op 20 december 2016 advies uitgebracht.
1.4.
Bij besluit van 1 maart 2017 (bestreden besluit) heeft de staatssecretaris het bezwaar tegen het besluit van 13 augustus 2010 ongegrond verklaard. Met inachtneming van het expertise rapport van prof. dr. Van den Bosch en de overige aanwezige gegevens stelt de staatssecretaris, met overneming van het advies van 20 december 2016 van verzekeringsarts Verkerk, zich op het standpunt dat het voornoemde expertise rapport inhoudelijk van uitstekende kwaliteit is en onderschrijft hij de conclusies van prof. dr. Van den Bosch die feitelijk ook grotendeels overeenkomen met de conclusies die destijds door de verzekeringsarts en de toenmalige behandelaars bij de MGGZ werden gesteld. Bij appellant kan thans geen psychiatrische aandoening meer worden vastgesteld en met name in de periode 2010-2012 is sprake geweest van psychische klachten berustend op een persoonlijkheidsstoornis (niet anderszins omschreven/NAO) zonder dat een echte DSM IV as I diagnose kon worden gesteld, zoals bijvoorbeeld een PTSS of depressieve stoornis en een duidelijk causaal verband met de in het verleden uitgeoefende militaire dienst dan ook niet aannemelijk was en ook in bezwaar niet aannemelijk is geworden.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Appellant heeft in beroep een contra-expertise rapport van psychiater H.S.R. Witte van 7 juli 2017 overgelegd. Verzekeringsarts Verkerk heeft, met instemming van appellant, dit rapport voorgelegd aan prof. dr. Van den Bosch, die bij brief van 1 mei 2018 hierop heeft gereageerd en heeft onderbouwd dat hij geen aanleiding ziet om zijn eerder ingenomen standpunt te wijzigen. Bij schrijven van 28 juni 2018 heeft psychiater Witte hierop zijn reactie gegeven en evenmin aanleiding gezien zijn eerder ingenomen standpunt te wijzigen. De rechtbank heeft, kort samengevat, overwogen dat appellant met het in beroep overgelegde contra-expertise rapport van psychiater Witte geen gerede twijfel heeft opgeroepen over de juistheid van de medische rapportage zoals die aan het bestreden besluit ten grondslag is gelegd.
3. Naar aanleiding van wat partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht komt de Raad tot de volgende beoordeling.
3.1.
De Raad kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank dat appellant er niet in is geslaagd om gerede twijfel op te roepen aan de juistheid van de medische rapportage zoals die aan het bestreden besluit ten grondslag is gelegd. Hij neemt dit oordeel over en maakt de overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd tot de zijne.
3.2.
In hoger beroep betoogt appellant dat de rechtbank de door hem ingebrachte medische informatie in onvoldoende mate heeft meegewogen. Dit betoog slaagt niet. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank uitvoerig gemotiveerd dat en waarom de door appellant ingebrachte medische informatie niet tot een ander oordeel leidt dan is neergelegd in het bestreden besluit. De Raad volstaat met een verwijzing naar de aangevallen uitspraak.
3.3.
Uit 3.1 en 3.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

beslissing

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H. Benek, in tegenwoordigheid van R.I.S. van Haaren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 januari 2020.

(getekend) H. Benek

(getekend) R.I.S. van Haaren