Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2020:56

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Ambtenarenrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 10-01-2020. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 10-01-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2020:56, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 18/5442 AW


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2020:56:DOC
nl

18


Datum uitspraak: 10 januari 2020

Centrale Raad van BeroepEnkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 28 augustus 2018, 17/4267 (aangevallen uitspraak)
Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het dagelijks bestuur van de Regio Gooi en Vechtstreek (dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.W.C. van Kleef hoger beroep ingesteld.

Namens het dagelijks bestuur heeft mr. drs. J.H.M. Wesseling een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 november 2019. Appellante is verschenen, bijgestaan door B. van Polanen LLB, kantoorgenoot van haar gemachtigde. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Wesseling en F.V.A. van der Giessen.
overwegingen

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellante was sinds 2001 werkzaam bij de Regio Gooi en Vechtstreek, laatstelijk als [naam functie]. Zij heeft zich per 22 januari 2015 ziek gemeld. Bij besluit van 6 december 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 22 juni 2017, heeft het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante met ingang van 19 januari 2017 een zogeheten WGA-uitkering toegekend op basis van een arbeidsongeschiktheid van 100%. Hiertegen heeft appellante geen rechtsmiddelen aangewend.
1.2.
Na een voornemen daartoe, waarover appellante haar zienswijze naar voren heeft gebracht, heeft het dagelijks bestuur appellante bij besluit van 25 januari 2017 met ingang van 1 februari 2017 ontslag verleend op grond van artikel 8:4 van het Ambtenarenreglement Hilversum (ARH) wegens volledige arbeidsongeschiktheid. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 11 september 2017 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
3. In hoger beroep heeft appellante zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.1.
Op grond van artikel 8:4, eerste lid, van het ARH wordt onder volledige arbeidsongeschiktheid verstaan:a. arbeidsongeschiktheid voor 80% of meer, waarbij recht bestaat op een WGA-uitkering;b. arbeidsongeschiktheid voor 80% of meer, waarbij recht bestaat op een IVA-uitkering.
4.1.2.
Op grond van artikel 8:4, tweede lid, van het ARH kan ontslag aan de ambtenaar worden verleend op grond van volledige ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking wegens ziekte. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder ziekte mede verstaan gebreken. Het ontslag wordt eervol verleend.
4.1.3.
Op grond van artikel 8:4, derde lid, van het ARH mag ontslag als bedoeld in het tweede lid slechts plaatsvinden indien er sprake is van ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking wegens ziekte gedurende een periode van 24 maanden.
4.1.4.
Op grond van artikel 8:4, vierde lid, van het ARH betrekt het college bij het beoordelen van de vraag of er sprake is van een situatie als bedoeld in het derde lid het resultaat van de claimbeoordeling van de WIA en de resultaten van een mogelijke herbeoordeling.

4.2.
Niet in geschil is dat appellante ten tijde van het ontslagbesluit ten minste 24 maanden ongeschikt was voor het vervullen van haar betrekking en dat zij een WGA-uitkering ontving. Voorts staat vast dat het UWV de re-integratie-inspanningen van het dagelijks bestuur als voldoende heeft beoordeeld. Hieruit volgt dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 8:4 van het ARH is voldaan.

4.3.
Appellante heeft aangevoerd dat het dagelijks bestuur bij het re-integratietraject onvoldoende rekening heeft gehouden met haar ziekte en daarbij haar belangen onvoldoende in acht heeft genomen, waardoor haar klachten zijn toegenomen en zij geestelijk letsel heeft opgelopen. Appellante heeft er in dit verband op gewezen dat eerdere afspraken over meer thuiswerken en eten op de werkplek teniet zijn gedaan. Dit betoog brengt de Raad niet tot het oordeel dat het dagelijks bestuur niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn ontslagbevoegdheid. De afspraken waar appellante op doelt betreffen afspraken die zijn gemaakt in het kader van de re-integratie na een eerdere ziekteperiode. In dit geding gaat het om de re-integratie naar aanleiding van de ziekmelding op 22 januari 2015. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het dagelijks bestuur strikt uitvoering heeft gegeven aan zijn wettelijke verplichtingen in het kader van de re-integratie, waarbij de adviezen van de betrokken (medisch) adviseurs zijn opgevolgd. Ook in de noodzaak voor appellante om goed en geregeld te eten en warme maaltijden te nuttigen heeft het dagelijks bestuur appellante gefaciliteerd. Voor de conclusie dat het dagelijks bestuur erop uit was de re-integratie te laten mislukken, appellante heeft gepest of ontoelaatbare druk op haar heeft uitgeoefend, bieden de beschikbare stukken echter geen aanknopingspunten. Verder kan er niet aan voorbij worden gegaan dat appellante geen rechtsmiddelen heeft aangewend tegen het besluit van het UWV van 22 juni 2017, waarbij het besluit van 6 december 2016 is gehandhaafd. Hierbij is appellante voor 100% arbeidsongeschikt verklaard en is aan het dagelijks bestuur geen loonsanctie opgelegd. In wat appellante heeft aangevoerd over zicht op herstel bestaat evenmin grond voor de conclusie dat het dagelijks bestuur niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn ontslagbevoegdheid. De vermelding in de brief van 1 juli 2016 van drs. J.L.D. Meester over het behandel- en re-integratietraject is niet zodanig concreet dat hieraan de conclusie had moeten worden verbonden dat er zicht op (volledig) herstel was op korte termijn.

4.4.
Uit 4.3 volgt dat geen sprake is van een onrechtmatig besluit. De rechtbank is dan ook terecht tot de conclusie gekomen dat geen aanleiding bestond voor schadevergoeding.

4.5.
Uit 4.2 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

beslissing

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H. Benek, in tegenwoordigheid van R.I.S. van Haaren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 januari 2020.

(getekend) H. Benek

(getekend) R.I.S. van Haaren