Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2020:55

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Ambtenarenrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 10-01-2020. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 10-01-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2020:55, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 19/151 MPW


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2020:55:DOC
nl

19/151 MPW en 19/152 MPW

Datum uitspraak: 10 januari 2020

Centrale Raad van BeroepEnkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 4 januari 2019, 18/5389 en 18/5875 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Staatssecretaris van Defensie (staatssecretaris)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 november 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door [X]. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.R.C. Adang.

overwegingen

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant is mantelzorger van een gewezen militair. Appellant heeft de staatssecretaris op 16 maart 2018 verzocht om aan hem een aantal voorzieningen toe te kennen die ook aan militairen toekomen bij wie invaliditeit met dienstverband is vastgesteld. Appellant heeft, voor zover in dit geding van belang, verzocht om een vervoersvoorziening, een aanvulling op zijn bijstandsuitkering en vergoeding van opleidingskosten op grond van de Voorzieningenregeling voor militaire oorlogs- en dienstslachtoffers (Voorzieningenregeling) en om toekenning van een militair invaliditeitspensioen als bedoeld in het Besluit aanvullende arbeidsongeschiktheids- en invaliditeitsvoorzieningen militairen (Besluit AO/IV).
1.2.1.
Bij besluit van 29 mei 2018 is het verzoek om toekenning van een militair invaliditeitspensioen afgewezen omdat appellant niet als militair in dienst is geweest van het Ministerie van Defensie in Nederland.
1.2.2.
Bij afzonderlijk besluit van 29 mei 2018 is het verzoek om in aanmerking te komen voor de vervoersvoorziening, de vergoeding van de opleidingskosten en de aanvulling op de bijstandsuitkering afgewezen omdat appellant niet voldoet aan de voorwaarde uit de Voorzieningenregeling dat hij beroepsmilitair, gewezen beroepsmilitair, dienstplichtige militair, gewezen dienstplichtige, reservist of gewezen reservist is geweest bij het Ministerie van Defensie in Nederland.
1.3.
Bij besluiten van 2 juli 2018 (bestreden besluiten) zijn de bezwaren tegen de besluiten van 29 mei 2018 niet-ontvankelijk verklaard omdat appellant geen belanghebbende is in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aangezien hij niet behoort tot de categorie betrokkenen op wie het Besluit AO/IV en de Voorzieningenregeling van toepassing zijn.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen, met bepalingen over griffierecht, gegrond verklaard, de bestreden besluiten vernietigd, de bezwaren ongegrond verklaard en bepaald dat de aangevallen uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde besluiten. Daartoe heeft de rechtbank, kort samengevat, overwogen dat het belang van appellant rechtstreeks is betrokken bij de afwijzing van zijn verzoeken en dat appellant dus belanghebbende is bij de primaire besluiten. De staatssecretaris heeft ter zitting verklaard de bezwaren ten onrechte niet-ontvankelijk te hebben verklaard. De beroepen zijn daarom gegrond en de bestreden besluiten worden vernietigd. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien, in die zin dat de bezwaren ongegrond worden verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellant als mantelzorger niet behoort tot de groepen die in aanmerking kunnen komen voor een invaliditeitspensioen of de door hem gevraagde voorzieningen. Dat de Minister van Defensie aan appellant een registratienummer heeft toegekend, is ook niet van belang. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat tijdens het huisbezoek op 4 juni 2015 van de kant van de staatssecretaris uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen zijn gedaan dat aan appellant een invaliditeitsuitkering en de gevraagde voorzieningen zouden worden toegekend. Verder is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van gelijke of rechtens vergelijkbare gevallen. Tijdens de zitting heeft de staatssecretaris verklaard dat sporadisch vergoedingen worden toegekend aan partners en mantelzorgers op basis van beleid dat is gebaseerd op de Veteranennota. Voor zulke uitzonderingen bestaat geen wettelijke basis. Voor de invaliditeitsuitkering en de gevraagde voorzieningen bestaat wel een wettelijke basis en dat betekent naar het oordeel van de rechtbank dat de staatssecretaris daaraan terecht heeft getoetst.
3. In hoger beroep heeft appellant zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De gronden die appellant heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van zijn beroepsgronden. De rechtbank heeft deze beroepsgronden besproken en overtuigend gemotiveerd waarom deze gronden niet kunnen leiden tot de conclusie dat appellant in aanmerking komt voor toekenning van een invaliditeitspensioen of de gevraagde voorzieningen. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en maakt de aan die uitspraak ten grondslag gelegde overwegingen tot de zijne. Naar aanleiding van wat appellant in hoger beroep nog heeft aangevoerd voegt de Raad daar aan toe dat de omstandigheid dat uit de aangevallen uitspraak volgt dat appellant belanghebbende is in de zin van artikel 1:3 van de Awb, nog niet leidt tot de conclusie dat hij behoort tot de categorie van betrokkenen op wie het Besluit AO/IV en de Voorzieningenregeling van toepassing zijn. Appellant heeft verder nogmaals een beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel vanwege de inhoud van de brieven Minister van Defensie van 26 november 2018 en 9 september 2019. De Raad leidt uit de brief van 26 november 2018 af dat appellant op grond van de Kaderwet dienstplicht stond ingeschreven voor de dienstplicht en daarvan is uitgesloten wegens een strafrechtelijke veroordeling. In de brief van 9 september 2019 is, naar aanleiding van een vraag van appellant over zijn registratienummer, medegedeeld dat het registratienummer niet is gewijzigd en wordt, zonder dat wordt ingegaan op de specifieke situatie van appellant, informatie verstrekt over de gevolgen van de Kaderwet dienstplicht voor nieuwe “lichtingen”. Anders dan appellant heeft gesteld, blijkt hieruit niet dat hij wordt beschouwd als reservist in de zin van de Voorzieningenregeling. Evenmin bevatten de brieven een toezegging over het toekennen van een invaliditeitspensioen en de gevraagde voorzieningen.
4.2.
Uit 4.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet daarom, voor zover aangevochten, worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

beslissing

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door H. Benek, in tegenwoordigheid van R.I.S. van Haaren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 januari 2020.

(getekend) H. Benek

(getekend) R.I.S. van Haaren