Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2020:44

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Ambtenarenrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 09-01-2020. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 09-01-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2020:44, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 18/4943 AW


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2020:44:DOC
nl

18


Datum uitspraak: 9 januari 2020

Centrale Raad van BeroepMeervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 31 juli 2018, 17/2467 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de korpschef van politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C. Lamuadni hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellant is een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 november 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Lamuadni en mr. M. Welter. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J. van den Berg en J.T. Bruining.

overwegingen

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant was sinds 1983 werkzaam bij de politie, laatstelijk vanaf juni 2013, als gevolg van een verplaatsingsmaatregel in de functie van [naam functie] , [team] .
1.2.
Bij brief van 4 augustus 2015 heeft de korpschef appellant meegedeeld dat een intern onderzoek wordt ingesteld ter zake van mogelijk gepleegd ernstig plichtsverzuim en dat appellant met onmiddellijke ingang buiten functie wordt gesteld. Tegen de buitenfunctiestelling heeft appellant geen rechtsmiddelen ingesteld.
1.3.
In opdracht van de korpschef heeft de stafdienst Veiligheid, Integriteit en Klachten van de eenheid [eenheid] het in 1.2 genoemde onderzoek uitgevoerd. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 5 oktober 2015.
1.4.
Bij brief van 11 december 2015 heeft de korpschef appellant een afschrift van het in 1.3 genoemde rapport toegezonden en vastgesteld dat uit het rapport volgt dat appellant zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van ernstig plichtsverzuim. In het kader van een detachering voor vier nachtdiensten, van 30 juli 2015 tot en met 3 augustus 2015 van 20.00 uur tot 4.00 uur, is appellant op 28 juli 2015 op [naam werkplek] aangekomen, waar hij in een hotel verbleef. Hij is op 31 juli 2015 om 20.00 uur zonder geldige reden niet op het werk verschenen. Vervolgens hebben collega’s vastgesteld dat appellant onder invloed van alcohol verkeerde waardoor hij niet in staat was om zijn dienst te verrichten. Daarnaast is appellant onzorgvuldig omgegaan met zijn bewapening door deze op een stoel in zijn hotelkamer te bewaren in plaats van op te bergen in de kluis van zijn hotelkamer dan wel op het politiebureau. Verder was hij zichtbaar onder invloed van alcohol bij het verlaten van zijn hotelkamer op 1 augustus 2015. Hij heeft zijn collega’s in een lastige en ongemakkelijke situatie gebracht, door niet te verschijnen op zijn dienst, doordat collega’s meerdere keren naar zijn hotelkamer moesten gaan, dienstdoende collega’s genoodzaakt waren om appellant mee te nemen naar het politiebureau in verband met openbare dronkenschap en collega’s van het vasteland zijn gekomen om appellant van het eiland te begeleiden. Appellant heeft door zijn gedrag ook het aanzien van de politie beschadigd. De korpschef heeft verder te kennen gegeven dat, mede als gevolg van de recente vaststelling van een posttraumatisch stresssyndroom (PTSS) bij appellant, twijfel bestaat over de toerekenbaarheid van het plichtsverzuim, zodat hij hierover eerst nader advies gaat inwinnen, alvorens verder te beslissen.

1.5.
Nadat de korpschef het voornemen daartoe bekend had gemaakt en appellant zijn zienswijze naar voren had gebracht, heeft de korpschef bij besluit van 19 december 2016 appellant met toepassing van artikel 77, eerste lid, aanhef en onder j, van het Besluit algemene rechtspositie politie, wegens ernstig plichtsverzuim met onmiddellijke ingang de straf van ontslag opgelegd. De korpschef heeft de in 1.4 genoemde gedragingen aangemerkt als ernstig plichtsverzuim en deze aan de disciplinaire straf ten grondslag gelegd. Op basis van het door W.H.J. Mutsaers, psychiater, op 24 augustus 2016 uitgebrachte advies acht de korpschef het aannemelijk dat bij appellant in enige mate sprake was van een verminderde toerekenbaarheid. Dit veronderstelt gelijktijdig ook dat er eveneens in enige mate wel sprake was van toerekenbaarheid. De korpschef vindt hiervoor steun in de eigen verklaringen van appellant waar gedragingen uit naar voren komen die als welbewust kunnen worden aangemerkt. Uit het bewuste handelen en realisatievermogen vloeit voort dat niet gezegd kan worden dat appellant niet in staat was de ontoelaatbaarheid van zijn handelen in te kunnen zien. Eveneens volgt hieruit dat niet gebleken is dat appellant niet zijn wil ten aanzien van de inname van alcoholische drank kon bepalen. Appellant heeft zichzelf in de positie gebracht waarin hij is komen te verkeren. Het ernstige plichtsverzuim kan appellant derhalve worden toegerekend. De korpschef stelt zich verder op het standpunt dat de straf van onvoorwaardelijk ontslag niet onevenredig is aan het gepleegde ernstige plichtsverzuim. De korpschef heeft hierbij in overweging genomen dat sprake is van ernstig plichtsverzuim wat niet verenigbaar is met de functie van politieambtenaar. Met zijn gedrag heeft appellant niet alleen zijn eigen integriteit en geloofwaardigheid in diskrediet gebracht, maar eveneens het aanzien van de politie – bij herhaling – geschaad. Het wordt appellant zwaar aangerekend dat dit plichtsverzuim zich heeft voorgedaan slechts een maand nadat de proeftijd van het aan appellant bij besluit van 27 juni 2013 gegeven voorwaardelijk strafontslag was verstreken. Ook toen heeft appellant met zijn gedraging het imago van de politie beschadigd. Appellant was aldus een gewaarschuwd man. De korpschef heeft kennis genomen van de problematiek die appellant in zijn persoonlijke leven en zijn loopbaan heeft meegemaakt en de hieruit voortvloeiende verminderde toerekenbaarheid. Ook blijkt genoegzaam dat appellant inzicht heeft in het feit dat hij onprofessioneel gedrag heeft vertoond. Afgezet tegen de aard en ernst van het gepleegde plichtsverzuim is dit naar de mening van de korpschef echter van onvoldoende gewicht om over te gaan tot een lichtere of voorwaardelijke bestraffing. Zijn lange dienstverband bij de politie, zijn doorgaans als goed beoordeelde functioneren en de ernstige gevolgen van het onvoorwaardelijke strafontslag kunnen hiertoe niet voldoende gewicht in de schaal leggen.

1.6.
Bij besluit van 2 juni 2017 (bestreden besluit) heeft de korpschef het bezwaar ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Naar aanleiding van wat partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht komt de Raad tot de volgende beoordeling.
3.1.
De Raad stelt vast dat de appellant verweten gedragingen, die de korpschef heeft aangemerkt als ernstig plichtsverzuim, en de verminderde toerekenbaarheid van appellant niet – langer – in geschil zijn. In hoger beroep ligt uitsluitend de vraag voor of het strafontslag niet onevenredig is aan de aard en ernst van het plichtsverzuim.
3.2.1.
Met de rechtbank beantwoordt de Raad deze vraag bevestigend. Hij verwijst daarbij naar de overwegingen van de rechtbank in rechtsoverweging 6.13 van de aangevallen uitspraak en maakt die tot de zijne.
3.2.2.
Aan het in 1.5 genoemde rapport van Mutsaers kan in dit verband niet de betekenis worden gehecht die appellant daaraan gehecht wil zien. Het genoemde rapport betrof de toerekenbaarheid van het plichtsverzuim. Uitkomst is, naar door appellant niet meer wordt betwist, dat appellant niet meer dan in enige mate beperkt was in zijn vermogen om het ontoelaatbare van zijn gedragingen in te zien. Anders gezegd: appellant had in het al dan niet begaan van het plichtsverzuim, althans in het tot zich nemen van de grote hoeveelheden alcohol die met dat plichtsverzuim gemoeid zijn geweest, grotendeels een vrije keuze. Er was dus sprake van verminderde toerekenbaarheid, maar zeker niet van het (grotendeels) ontbreken daarvan. Dat wordt niet anders doordat bepaalde door Mutsaers genoemde factoren wellicht een verklaring kunnen vormen voor wat er is gebeurd, of althans het gedrag van appellant wellicht begrijpelijker maken. Daarom rechtvaardigt het rapport van Mutsaers, ook al zijn daarin medische factoren benoemd die nadien nog zijn bevestigd, niet de conclusie dat de straf van onvoorwaardelijk ontslag onevenredig moet worden geacht aan het plichtsverzuim zoals dat in deze zaak aan de orde is.
3.2.3.
Het betoog van appellant dat de korpschef een aandeel heeft gehad in het ontstaan van de situatie die heeft geleid tot het incident op [naam werkplek] en dit tot uiting moet komen in het opleggen van een minder vergaande straf, slaagt evenmin. Ter zitting van de Raad heeft de toenmalige leidinggevende van appellant bevestigd dat appellant in de periode voorafgaande aan het incident op [naam werkplek] veel (over)uren heeft gemaakt en goed heeft gefunctioneerd. Hij wist niet van de – omvang van de – klachten van appellant. Uit de gedingstukken is de Raad niet gebleken dat de korpschef hiervan destijds op de hoogte had kunnen of moeten zijn.
3.2.4.
De korpschef heeft uiteengezet dat hij, gelet op de verminderde toerekenbaarheid van appellant, het opleggen van een lichtere straf en de mogelijkheid van een andere ontslaggrond heeft onderzocht. Gelet op de aard en ernst van het plichtsverzuim heeft dit echter niet geleid tot een andere straf. Het besluit van 27 juni 2013 waarbij appellant een voorwaardelijk strafontslag was opgelegd voor andersoortig plichtsverzuim, heeft hierin geen doorslaggevende rol gespeeld. Alles in ogenschouw genomen is de Raad van oordeel dat, ook al wordt de verminderde toerekenbaarheid meegewogen, het strafontslag niet onevenredig is aan de aard en ernst van het plichtsverzuim.
3.3.
Uit 3.2.1 tot en met 3.2.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

beslissing

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en J.J.T. van den Corput en G. Aarts als leden, in tegenwoordigheid van V.Y. van Almelo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2020.

(getekend) B.J. van de Griend

(getekend) V.Y. van Almelo