Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2020:41

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 09-01-2020. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 09-01-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2020:41, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 18/76 AKW


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2020:41:DOC
nl

18


Datum uitspraak: 9 januari 2020

Centrale Raad van BeroepEnkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 22 november 2017, 17/1676 (aangevallen uitspraak)
Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.J.M. van Daalhuizen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 december 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Daalhuizen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.M. Mulder.

OVERWEGINGEN

1. Appellant heeft vanaf het eerste kwartaal van 2013 kinderbijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) ontvangen voor zijn dochter [X.], geboren [in]
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank heeft de Svb voldoende aannemelijk gemaakt dat [X.] in de periode in geding bij haar moeder in Toulouse, Frankrijk, verbleef en daar naar school ging. Met name de verklaring van de school waar [X.] schoolgaand was, acht de rechtbank daarbij van belang, mede omdat appellant geen gegevens heeft overgelegd waaruit blijkt dat [X.] in Nederland schoolgaand was. Ook heeft de Svb terecht de te veel betaalde kinderbijslag teruggevorderd en een boete opgelegd, nu appellant niet tijdig de verhuizing van [X.] naar Frankrijk heeft gemeld.
3. In hoger beroep heeft appellant herhaald dat [X.] sinds juni 2015 in Frankrijk woont en niet eerder. Tot die datum heeft zijn dochter bij hem gewoond. De door de Franse autoriteiten aan de Svb toegezonden gegevens zijn onjuist volgens hem. Nu hij wel recht heeft op kinderbijslag over de periode in geding, zijn de besluiten tot terugvordering en tot het opleggen van een boete eveneens onjuist.
4. De Raad overweegt als volgt.
2010. Naar aanleiding van een melding van de gemeente Rotterdam dat [X.] niet meer op het adres van appellant stond ingeschreven, is de Svb een onderzoek gestart naar haar verblijfplaats. Volgens informatie van appellant verblijft [X.] vanaf 19 juni 2015 bij haar moeder in Frankrijk en gaat zij daar naar school. In informatie van het bevoegde orgaan in Frankrijk staat vermeld dat de moeder in Frankrijk kinderbijslag ontvangt sinds 1 november 2013 en dat [X.] sinds 7 juni 2013 in Frankrijk bij haar woont. Bij besluit van 7 oktober 2016 heeft de Svb appellant medegedeeld dat hij vanaf het derde kwartaal van 2013 geen recht meer heeft op kinderbijslag. Bij besluit van 28 november 2016 heeft de Svb appellant laten weten dat de te veel betaalde kinderbijslag ten bedrage van € 1.533,20 van hem wordt teruggevorderd en aan hem een boete van € 770,- wordt opgelegd. Met een beslissing op bezwaar van 30 januari 2017 (bestreden besluit) zijn de bezwaren tegen de besluiten van 7 oktober 2016 en 28 november 2016 door de Svb ongegrond verklaard.
4.1.
In geschil is of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de Svb voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat [X.] in de kwartalen in geding niet bij appellant in Rotterdam woonachtig was, maar bij haar moeder in Frankrijk woonde. De rechtbank heeft daarbij terecht geoordeeld dat de verklaring van de school waar [X.] in Frankrijk op zat, alsmede de verklaring van de Franse autoriteiten dat haar moeder sinds november 2013 een Franse gezinsbijdrage ontvangt, belangrijke gegevens zijn in dit geding. Dit des te meer nu appellant geen enkel concreet verifieerbaar gegeven heeft ingezonden waaruit geconcludeerd kan worden dat [X.] in deze periode in Nederland woonde, afgezien van haar inschrijving in de basisregistratie personen. Het ingezonden huisartsenjournaal maakt geen melding van enig bezoek van haar in deze kwartalen. Evenmin is een bewijs van inschrijving bij een school in Nederland overgelegd of bijvoorbeeld een bewijs van inenting bij een consultatiebureau. De ingezonden foto’s geven geen duidelijkheid over de woonplaats van [X.] in de betreffende kwartalen. Het is niet duidelijk wanneer en waar deze foto’s zijn genomen, nog afgezien van de vraag of deze zouden kunnen aangeven dat [X.] voortdurend woonachtig was in Rotterdam.
4.2.
Nu uit 4.1 volgt dat de Svb terecht het recht op kinderbijslag heeft herzien per het derde kwartaal van 2013, volgt hier ook uit dat ten onrechte kinderbijslag is betaald. Op grond van artikel 24, eerste lid, van de AKW is de Svb gehouden dit bedrag terug te vorderen, tenzij er dringende redenen zijn om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 22 januari 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BL0391) liggen dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien in de onaanvaardbaarheid van de gevolgen die een terugvordering voor de verzekerde heeft. Het gaat daarbij om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging plaatsvindt van alle relevante omstandigheden. De Raad heeft geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval sprake is van dringende redenen als hier bedoeld. Niet is gebleken dat er uitzonderlijke omstandigheden zijn. Ter zitting is gebleken dat, bij gebreke van aflossingscapaciteit, vooralsnog niet is ingevorderd.
4.3.
Wegens de schending van de inlichtingenplicht was de Svb op grond van artikel 17a, eerste lid, van de AKW gehouden appellant een boete op te leggen. Daarbij is de Svb uitgegaan van gewone verwijtbaarheid. De Raad is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de Svb aanleiding hadden moeten geven om de gedraging van appellant minder verwijtbaar te achten. De Raad acht de opgelegde boete dan ook niet onevenredig. Van dringende redenen die de Svb hadden moeten nopen om van boeteoplegging af te zien, is niet gebleken. De Svb heeft de boete op grond van Beleidsregel SB1108 bepaald op 50% van het benadelingsbedrag van € 1.533,20. De boete bedraagt daarom in beginsel € 766,60. De Svb heeft de boete met inachtneming van artikel 2, tweede lid, van het Boetebesluit sociale verzekeringswetten (Boetebesluit), zoals dat luidde tot 1 januari 2017, naar boven afgerond op een veelvoud van € 10,- en vastgesteld op € 770,-. Met ingang van 1 januari 2017 is artikel 2, tweede lid, van het Boetebesluit gewijzigd, als gevolg waarvan de boete niet meer naar boven afgerond wordt op een veelvoud van € 10,-. Met inachtneming van artikel 5:46, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet bij een voor de betrokkene relevante wijziging in het recht de voor betrokkene meest gunstige bepaling worden toegepast. Dat betekent dat in het geval van appellant een boete van € 766,60 passend en geboden is.
4.4.
Uit 4.3 volgt dat het hoger beroep van appellant slaagt voor zover dit betrekking heeft op de boete. De aangevallen uitspraak moet in zoverre worden vernietigd. Doende wat de rechtbank had behoren te doen wordt het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd voor zover het betrekking heeft op de boete en het besluit van 28 november 2016 herroepen voor zover daarbij de hoogte van de boete is vastgesteld op € 770,-. Met toepassing van artikel 8:72a van de Awb zal het boetebedrag worden vastgesteld op € 766,60.
5. Aanleiding bestaat om de Svb te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 1.024,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en eveneens € 1.024,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.
beslissing

BESLISSING

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover deze betrekking heeft op de hoogte van de boete;- verklaart het beroep in zoverre gegrond;- vernietigt het besluit van 30 januari 2017 in zoverre;- herroept het besluit van 28 november 2016 voor zover het de hoogte van de boete betreft;- stelt het bedrag van de boete vast op € 766,60 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde deel van het besluit van 30 januari 2017;- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;- veroordeelt de Svb in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2.048,-;- bepaalt dat de Svb aan appellant het betaalde griffierecht van € 172,- vergoedt.
De Centrale Raad van Beroep

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade, in tegenwoordigheid van H.S. Huisman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2020.

(getekend) M.M. van der Kade

(getekend) H.S. Huisman