Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2020:39

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 09-01-2020. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 09-01-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2020:39, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 17/6581 WAJONG


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2020:39:DOC
nl

17


Datum uitspraak: 9 januari 2020

Centrale Raad van BeroepMeervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 23 augustus 2017, 16/5209 (aangevallen uitspraak)
Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.C.C. ten Hoor, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 november 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. J.G.H. Borgdorff, advocaat, als zijn gemachtigde (waarnemend voor mr. Ten Hoor). Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. de Rooy-Bal.

overwegingen

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant, geboren [in] 1997, heeft op 26 mei 2015 een aanvraag ingediend om een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Uit de bij de aanvraag gevoegde stukken blijkt dat bij hem de diagnoses PDD‑NOS, ADHD en lichte verstandelijke handicap zijn gesteld. Sinds zijn elfde jaar heeft hij vermoeidheidsklachten, waardoor hij vanaf zijn dertiende jaar slechts twee tot drie dagen per week onderwijs volgde bij de [naam school] (speciaal onderwijs voor langdurig of chronisch zieke kinderen, niveau vmbo-praktijkonderwijs). Ten tijde van de aanvraag ging het slechter met appellant, hij raakte steeds vermoeider en kon het moeilijk volhouden op school. Het Uwv heeft een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht. Bij besluit van 8 oktober 2015 heeft het Uwv de aanvraag afgewezen op de grond dat appellant nu geen arbeidsvermogen heeft maar deze situatie niet duurzaam is.
1.2.
Bij besluit van 25 juli 2016 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellant tegen het besluit van 8 oktober 2015 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat de verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende zorgvuldig onderzoek hebben verricht en toereikend hebben gemotiveerd dat geen sprake is van een situatie waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet kunnen ontwikkelen. Hiertoe heeft de rechtbank – samengevat weergegeven – overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep op inzichtelijke wijze heeft gemotiveerd dat appellant nu weliswaar niet over arbeidsvermogen beschikt, maar daar in de toekomst mogelijk wel over kan beschikken, wegens een nog onbenut gebleven multidisciplinaire aanpak, gericht op vermindering van de ervaren klachten en verbetering van de belastbaarheid.

3.1.
Appellant heeft in hoger beroep de eerder aangevoerde gronden herhaald. Gelet op de combinatie van aandoeningen waaraan hij al jarenlang lijdt en waarvan de beperkingen eerder zijn toegenomen dan afgenomen, is wel degelijk sprake van het duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen. Hij heeft vele behandelingen ondergaan, waaronder ook multidisciplinaire behandeling bij [medisch centrum 4]. Deze behandelingen hebben niet tot verbetering geleid. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant gewezen op eerder ingebrachte informatie van het [medisch centrum 2] van 15 oktober 2015 en [medisch centrum 3] van 23 februari 2017. Daarnaast heeft hij nieuwe informatie ingediend van [medisch centrum 4], gedateerd 18 september 2017.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit, onder verwijzing naar het nadere rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 28 februari 2018.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.
Op grond van artikel 1a:1, eerste lid, van de Wajong is jonggehandicapte de ingezetene die:
a. op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft;b. na de in onderdeel a bedoelde dag als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en in het jaar, onmiddellijk voorafgaand aan de dag waarop dit is ingetreden, gedurende ten minste zes maanden studerende was.
Op grond van het vierde lid wordt onder duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben de situatie verstaan waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet kunnen ontwikkelen.

4.2.
Niet in geschil is dat appellant [in] 2018 (de achttiende verjaardag) geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie (arbeidsvermogen) heeft omdat hij niet ten minste vier uur per dag belastbaar is. Partijen zijn verdeeld over de vraag of het ontbreken van arbeidsvermogen duurzaam is.
4.2.1.
Het Uwv hanteert bij de beoordeling van de duurzaamheid van het ontbreken van arbeidsvermogen een beoordelingskader, dat is opgenomen in Bijlage 1 van het ‘Compendium Participatiewet’ (Compendium). In het beoordelingskader is het volgende stappenplan opgenomen voor het onderzoek van de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige naar de vraag of bij een betrokkene al dan niet sprake is van het duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen:
Stap 1 - voor de verzekeringsartsDe verzekeringsarts stelt vast of er sprake is van een progressief ziektebeeld.
Als het antwoord bevestigend is, ontbreekt het arbeidsvermogen duurzaam. De beoordeling is afgerond.

Stap 2 - voor de verzekeringsartsDe verzekeringsarts stelt vast of de situatie van cliënt aan beide volgende voorwaarden voldoet: - er is sprake van een stabiel ziektebeeld zonder behandelmogelijkheden; - de aandoening is zodanig ernstig dat geen enkele toename van bekwaamheden mag worden verwacht.
Als aan deze beide voorwaarden wordt voldaan, ontbreekt het arbeidsvermogen duurzaam. De beoordeling is afgerond.

Stap 3 - voor de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige samen De verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige stellen in gezamenlijk overleg vast of het ontbreken van arbeidsvermogen van de cliënt duurzaam is. Zij betrekken daarbij ten minste de volgende aspecten in onderlinge samenhang: - het al dan niet ontbreken van mogelijkheden ter verbetering van de belastbaarheid; - het al dan niet ontbreken van mogelijkheden tot verdere ontwikkeling; - het al dan niet ontbreken van mogelijkheden tot toename van bekwaamheden.
Op grond van hun gezamenlijk overleg concluderen de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige of het arbeidsvermogen al dan niet duurzaam ontbreekt. De beoordeling is afgerond.

4.2.2.
Volgens het beoordelingskader spreekt de verzekeringsarts zich uit over de ontwikkeling van de mogelijkheden van betrokkene, uitgaande van de medische situatie zoals die is op het moment waarop de beoordeling betrekking heeft. Voor zover de verzekeringsarts, overeenkomstig het stappenplan, niet zelfstandig over het duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen kan besluiten, spreken verzekeringsarts en arbeidsdeskundige zich gezamenlijk uit over de te verwachten ontwikkeling van betrokkene en of die al dan niet tot arbeidsvermogen kan leiden.
4.2.3.
Het gaat het bij de vraag naar de duurzaamheid van het ontbreken van arbeidsvermogen om de toekomstige mogelijkheden tot arbeidsparticipatie. De verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige moeten een inschatting maken over hoe de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich bij de betrokkene kunnen ontwikkelen. Dit brengt volgens vaste rechtspraak van de Raad (zie onder meer de uitspraak van 5 april 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1018) voor een zorgvuldige besluitvorming mee dat de inschatting van de verzekeringsarts en/of de arbeidsdeskundige van de ontwikkeling van de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie moet berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de betrokkene aan de orde zijn, voor zover die feiten en omstandigheden betrekking hebben op de situatie van de betrokkene op de datum in geding. In het geval de inschatting van de mogelijkheden tot ontwikkeling berust op een (ingezette) medische behandeling, is een onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan voor de betrokkene. Als de betrokkene bezwaar maakt tegen het oordeel dat geen sprake is van duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen, zullen de verzekeringsarts bezwaar en beroep en/of de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, rekening houdend met alle medische en arbeidskundige gegevens die in de bezwaarfase voorhanden zijn, voor zover deze betrekking hebben op de datum in geding, beoordelen of de inschatting van het niet duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen gehandhaafd moet blijven.
4.3.
Met juistheid heeft de rechtbank geoordeeld dat sprake is geweest van zorgvuldig onderzoek door de verzekeringsartsen. De overweging van de rechtbank die aan dat oordeel ten grondslag ligt wordt onderschreven. De omstandigheid dat door de verzekeringsartsen geen contact is opgenomen met de behandelaars van appellant, leidt niet tot een ander oordeel, omdat er veel schriftelijke informatie van de verschillende behandelaars voorhanden was. Deze informatie is meegewogen door de verzekeringsartsen.
4.4.
Terecht heeft de rechtbank de verzekeringsartsen gevolgd in het standpunt, dat appellant op de beoordelingsdatum van 23 augustus 2015 weliswaar niet vier uur aaneengesloten belastbaar was wegens de vermoeidheidsklachten, maar dat het ontbreken van arbeidsvermogen destijds niet duurzaam was te achten.
4.4.1.
De verwachting was dat een multidisciplinaire behandeling mogelijk was, waardoor de belastbaarheid van appellant zou kunnen verbeteren. Bij appellant was in de periode vlak voor zijn achttiende verjaardag sprake van veranderingen en onduidelijkheden. Ten eerste omdat hij vanaf zijn achttiende jaar te maken kreeg met andere financiële verplichtingen en ten tweede omdat in deze periode een goedaardige tumor in de buik is gevonden, waarvoor behandeling volgt De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat de vermoeidheidsklachten van appellant in juni 2015 fors zijn toegenomen. Er is sprake is van een complexe comorbiditeit, waarbij de vermoeidheidsklachten, in combinatie met de reactie vanuit de PDD-NOS op onduidelijkheden en nieuwe situaties, aannemelijk maken dat appellant [in] 2015 niet vier uur per dag belastbaar was. De verzekeringsarts heeft uiteengezet dat er medisch gezien geen reden is om aan te nemen dat appellant de positieve ontwikkeling die hij heeft laten zien op het [naam school] niet kan voortzetten, als de huidige onduidelijkheden en veranderingen tot rust zijn gekomen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft deze conclusie onderschreven in zijn rapport van 8 juli 2016. Hij heeft daarbij gelet op de hem ter beschikking bestaande informatie, waaronder informatie van de behandelaars van het [medisch centrum 1] uit 2014, van [medisch centrum 2] uit 2014 en 2015 en [medisch centrum 3] uit 2014. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep is de afwezigheid van arbeidsvermogen niet duurzaam, omdat na begeleiding door Sarr bij de nieuwe (financiële) situatie en nadat de zorgen rondom (de operatie van) de tumor zijn afgenomen, door middel van behandeling bij een revalidatiecentrum gericht op vermindering van de ervaren klachten en verbetering van de belastbaarheid een ontwikkeling van arbeidsvermogen kan worden verwacht.
4.4.2.
Naar aanleiding van de beroepsgronden heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in een rapport van 8 oktober 2015 voorts toegelicht dat op het beoordelingsmoment geen sprake was van een progressief ziektebeeld, er nog behandelmogelijkheden waren die de belastbaarheid van appellant naar verwachting zouden verbeteren en dat, wanneer deze belastbaarheid zou zijn verbeterd en voldaan wordt aan de juiste voorwaarden en begeleiding, appellant werkzaamheden zal kunnen verrichten. Appellant heeft dit eerder laten zien tijdens stage bij AH. De operatie van de goedaardige tumor heeft plaatsgevonden. De behandelend chirurg De Graaf heeft gemeld dat de resterende klachten op de langere termijn kunnen verdwijnen. In 2013 is in verband met de vermoeidheidsklachten van appellant leefstijlaanpassing en spierversterkende therapie geadviseerd, omdat dit een gunstige invloed kan hebben op de klachten. Verder heeft het [medisch centrum 2] een multidisciplinaire behandeling geadviseerd. Het ontbreken van arbeidsvermogen is daarom niet duurzaam. Deze motivering is door de rechtbank terecht overtuigend geacht.
4.4.3
Zoals door de verzekeringsarts bezwaar en beroep voorts heeft herhaald in zijn rapport van 31 mei 2017 blijkt uit de in bezwaar ingediende informatie van chirurg De Graaf van 28 januari 2016 dat deze arts van oordeel is dat de vermoeidheidsklachten die vóór en na de operatie van de tumor aanwezig waren, op de langere termijn zouden kunnen verdwijnen.
4.4.4.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft ten slotte het standpunt ingenomen dat uit de in beroep en hoger beroep ingediende informatie over het door appellant inmiddels gevolgde revalidatietraject bij [medisch centrum 4] kan worden opgemaakt dat de over de beoordelingsdatum 23 augustus 2015 geuite verwachting dat een dergelijk revalidatietraject zou kunnen leiden tot ontwikkeling van arbeidsvermogen, destijds reëel was. Er is geen aanleiding om dit naar behoren gemotiveerde standpunt niet te volgen. Hoewel de revalidatiebehandeling bij [medisch centrum 4] over de periode van oktober 2016 tot en met december 2016 onvoldoende resultaat heeft opgeleverd, blijkt uit de gegevens rond deze behandeling wel dat de verwachting bij het revalidatieteam was dat de behandeling tot verbetering zou leiden. De conclusie is dat door de verzekeringsarts bezwaar en beroep afdoende concreet is onderbouwd dat op de beoordelingsdatum geen sprake was van duurzaam ontbreken van participatiemogelijkheden.
4.5.
Gelet op de overwegingen 4.3 en 4.4 slaagt het hoger beroep niet en dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

beslissing

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman als voorzitter en D. Hardonk-Prins en P.J. Stolk als leden, in tegenwoordigheid van J.R. Trox als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2020.

(getekend) E.W. Akkerman

De griffier is verhinderd te ondertekenen.