Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2020:35

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 09-01-2020. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 09-01-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2020:35, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 18/1117 WIA


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2020:35:DOC
nl

18


Datum uitspraak: 9 januari 2020

Centrale Raad van BeroepEnkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 18 januari 2018, 17/1771 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E. Akdeniz, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 november 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Akdeniz. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door V.A.R. Kali.

overwegingen

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als montagemedewerker voor 37,65 uur per week. Op 16 mei 2008 heeft hij zich ziek gemeld met rugklachten. Na afloop van de voorgeschreven wachttijd heeft het Uwv appellant met ingang van 14 mei 2010 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) geweigerd omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Op 17 november 2010 heeft appellant zich ziek gemeld met darmklachten en psychische klachten. Appellant ontving op dat moment een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet. Na afloop van een nieuwe wachttijd heeft het Uwv aan appellant met ingang van 14 november 2012 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 100%. Na afloop van de loongerelateerde periode heeft het Uwv appellant met ingang van 9 augustus 2013 een WGA-loonaanvullingsuitkering toegekend.
1.2.
In verband met een herbeoordeling heeft appellant op 20 juni 2016 het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft vastgesteld dat appellant belastbaar is met inachtneming van de beperkingen die hij heeft neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 1 juli 2016. Een arbeidsdeskundige heeft functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 19,82% . Het Uwv heeft bij besluit van 1 november 2016 de WGA‑loonaanvullingsuitkering van appellant met ingang van 2 januari 2017 beëindigd, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 18 mei 2017 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van 10 mei 2017 en 16 mei 2017 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en van 17 mei 2017 van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op 10 mei 2017 een gewijzigde FML opgesteld. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat drie van de vijf door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies niet meer geschikt zijn. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft één nieuwe gelijksoortige functie kunnen selecteren waarmee appellant 19,82% arbeidsongeschikt blijft.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat, gelet op de onderzoeksactiviteiten die door de verzekeringsartsen van het Uwv zijn uitgevoerd, het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest. De rechtbank heeft voorts geen aanleiding gezien om te oordelen dat de medische beoordeling onjuist is geweest. De verzekeringsartsen waren bekend met de psychische en lichamelijke klachten van appellant en er is geen reden om aan te nemen dat het Uwv de hiermee verband houdende objectiveerbare beperkingen heeft onderschat. De rechtbank heeft geoordeeld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende inzichtelijk heeft gemotiveerd dat ondanks het gebruik van medicijnen er geen reden is voor een beperking op ‘persoonlijk risico’. Verder is geoordeeld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep terecht heeft geconcludeerd dat geen reden bestaat een urenbeperking aan te nemen. De door appellant ingebrachte medische informatie van psycholoog T. Mensink van 8 november 2017 heeft de rechtbank niet doen twijfelen aan de juistheid van het medisch oordeel. Dat appellant al in november 2016 onder behandeling stond, was bij de verzekeringsartsen bekend en is meegewogen bij de beoordeling. Uit de brief van Mensink blijkt dat hierna sprake is geweest van nieuwe sociale problemen die de psychische problemen bij appellant hebben doen verergeren. Met de nieuwe ontwikkelingen van na de datum in geding is door de verzekeringsarts bezwaar en beroep terecht geen rekening gehouden. Ten slotte heeft de rechtbank geoordeeld dat zij geen grond ziet om, uitgaande van de juistheid van de bij appellant vastgestelde beperkingen, de geduide functies niet geschikt te achten.

3.1.
Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij door zijn klachten aan rug, linkerarm, linkerpols en wegens urologische klachten en buikklachten, een depressieve stoornis en een persoonlijkheidsstoornis fors beperkt is. Zijn arm- en rugklachten maken dat appellant meer beperkt is op lopen, duwen/trekken en tillen/dragen. Door zijn hyperactieve blaas en buikpijnklachten kan appellant in de praktijk niet werken. Verder heeft appellant gesteld dat hij door het gebruik van zware medicatie (quetiapine, paroxetine en ibuprofen) niet alert genoeg is om met machines te werken. Hij heeft erop gewezen dat uit de informatie van de psycholoog blijkt dat deze hem niet geschikt acht om te werken. Appellant heeft ten slotte aangevoerd dat de geselecteerde functies niet geschikt zijn omdat hij niet kan voldoen aan het vereiste taalniveau.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.
In geschil is de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant in de zin van de Wet WIA met ingang van 2 januari 2017.
4.2.
Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd is grotendeels een herhaling van wat hij in beroep naar voren heeft gebracht. Het oordeel van de rechtbank over de psychische klachten en het medicatiegebruik en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden geheel onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.
4.3.
De grond dat appellant wegens zijn rug- en polsklachten meer beperkt is, wordt niet gevolgd. De verzekeringsartsen van het Uwv hebben de rug- en polsfunctie onderzocht. Ten aanzien van de rug hebben zij geen bijzonderheden gevonden. Vanwege de polsklachten heeft de verzekeringsarts appellant beperkt geacht op zware polsbelasting. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de informatie van de orthopeed van 10 augustus 2016 meegewogen bij zijn beoordeling en heeft aanvullende beperkingen aangenomen op polsbewegingen. Hij heeft verder geconcludeerd dat er medisch gezien geen redenen zijn om helemaal niets met de linkerpols te doen. De rugklachten zijn door de verzekeringsarts bezwaar en beroep geduid als chronische aspecifieke rugklachten waarvoor niet meer beperkingen hoeven te worden aangenomen dan al zijn opgenomen in de FML. Appellant heeft geen medische stukken in het geding gebracht die doen twijfelen aan de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep over de rug- en polsklachten.
4.4.
De buik- en blaasklachten zijn ook door de verzekeringsarts bezwaar en beroep onderzocht. Hij heeft opgemerkt dat appellant hiervoor geen behandeling meer heeft en dat de blaasklachten beïnvloed kunnen worden door de vochtinname te beperken. In verband met de blaasklachten is wel een aanvullende beperking aangenomen op de beschikbaarheid van een toilet op het werk en de mogelijkheid daarvan zo nodig gebruik te maken. De stelling van appellant dat hij zo frequent van het toilet gebruik moet maken dat dit door een werkgever niet geduld hoeft te worden, is niet onderbouwd. De Raad ziet daarom geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep over de beperkingen ten aanzien van toiletgebruik.
4.5.
Omdat er geen twijfel is over de juistheid van de medische beoordeling, is er geen aanleiding een deskundige te benoemen.
4.6.
De rechtbank wordt ook gevolgd in haar oordeel dat appellant in staat moet worden geacht de aan de schatting ten grondslag gelegde functies te vervullen. Dat appellant de Nederlandse taal slecht beheerst, is geen reden om aan te nemen dat hij niet geschikt is voor de geselecteerde functies. Gelet op de functieomschrijvingen en de opleidingseisen worden in deze functies geen hoge eisen gesteld aan de beheersing van de Nederlands taal.
4.7.
Uit 4.2 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

beslissing

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door S. Wijna, in tegenwoordigheid van D.S. Barthel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2020.

(getekend) S. Wijna

(getekend) D.S. Barthel