Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2020:33

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 08-01-2020. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 08-01-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2020:33, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 18/3561 WLZ


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2020:33:DOC
nl

18


Datum uitspraak: 8 januari 2019

Centrale Raad van BeroepMeervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 14 mei 2018, 18/18 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

CIZ

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld en verzocht CIZ te veroordelen tot vergoeding van schade.

CIZ heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 mei 2019. Appellant is verschenen. CIZ heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.E. Koedood en mr. S. Kersjes-van Bussel.

Het onderzoek ter zitting is geschorst.

Het onderzoek ter zitting is hervat op 27 november 2019. Appellant is, hoewel daartoe opgeroepen, niet verschenen. CIZ heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Koedood.

overwegingen

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.
Appellant, geboren in 1978, heeft lichamelijke en psychische klachten. Appellant heeft op 18 mei 2017 een aanvraag ingediend voor een behandeling als bedoeld in artikel 3.1.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet langdurige zorg (Wlz).
1.2.
CIZ heeft bij besluit van 1 augustus 2017, gehandhaafd bij het besluit van 22 november 2017 (bestreden besluit), die aanvraag afgewezen. CIZ heeft daaraan het medisch advies van 16 november 2017 van de medisch adviseur van CIZ ten grondslag gelegd. Uit dit medisch advies volgt dat bij appellant niet de grondslag lichamelijke beperking kan worden gesteld en hij ook geen andere aandoeningen heeft die tot een Wlz-grondslag leiden. CIZ heeft zich op grond van dit advies op het standpunt gesteld dat appellant niet in aanmerking komt voor een behandeling als bedoeld in artikel 3.1.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wlz.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, voor zover van belang, overwogen dat CIZ de hoorplicht niet heeft geschonden. De rechtbank heeft verder overwogen dat het medisch advies zorgvuldig tot stand is gekomen en dat CIZ mag uitgaan van de juistheid van het medisch advies. Wat appellant heeft aangevoerd, geeft geen reden tot twijfel aan de inhoud van het medisch advies.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de hoorplicht niet is geschonden en dat het medisch advies zorgvuldig tot stand is gekomen. Appellant heeft daarnaast aangevoerd dat uit de door hem overgelegde stukken volgt dat bij hem de diagnose niet-aangeboren hersenletsel is gesteld. Dit betekent dat de grondslag lichamelijke beperking wel kan worden gesteld. Verder heeft appellant verzocht om veroordeling tot vergoeding van schade.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Artikel 3.1.1, eerste lid, van de Wlz bepaalt, voor zover van belang:“Het op grond van deze wet verzekerde pakket omvat de volgende vormen van zorg: (…)c. behandeling, omvattende geneeskundige zorg van specifiek medische, specifiek gedragswetenschappelijke of specifiek paramedische aard die noodzakelijk is in verband met de aandoening, beperking, stoornis of handicap van de verzekerde.”
4.2.
Artikel 11.1.5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wlz, bepaalt, voor zover van belang, dat bij ministeriële regeling wordt bepaald op welke wijze en onder welke voorwaarden het Zorginstituut tijdelijke subsidies aan organisaties verstrekt voor het verlenen van behandeling als bedoeld in artikel 3.1.1, eerste lid, onderdeel c, aan bij die regeling aan te wijzen personen met een somatische of een psychogeriatrische aandoening of met een lichamelijke beperking, of aan bij die regeling te bepalen meerderjarige personen met een verstandelijke beperking.
4.3.
Artikel 5.2.1, tweede lid, van het Besluit langdurige zorg bepaalt dat CIZ beoordeelt of een verzekerde in aanmerking komt voor de vormen van zorg, bedoeld in artikel 11.1.5, eerste lid, van de wet.
4.4.
De Raad is van oordeel dat het door de medisch adviseur uitgevoerde onderzoek zorgvuldig is geweest en dat CIZ het bestreden besluit daarop heeft kunnen baseren. In het medisch advies is vermeld dat uit de informatie van de neuroloog volgt dat het niet onmogelijk is dat bij appellant sprake is geweest van een commotio cerebri, maar dat ten tijde van het onderzoek in ieder geval geen intracraniële pathologie en evenmin structurele afwijkingen in de CWK zijn vastgesteld. De medisch adviseur heeft hieruit de conclusie getrokken dat bij de verrichte neurologische onderzoeken geen afwijkingen zijn gevonden. In het medisch advies is verder betrokken dat uit het neuropsychologisch onderzoek van Altrecht van 30 januari en 5 februari 2014 volgt dat appellant cognitieve klachten heeft, maar dat de oorzaak hiervan geen organische component heeft. De medisch adviseur is op basis van de beschikbare diagnostiek tot de conclusie gekomen dat bij appellant de grondslag lichamelijke beperking niet kan worden gesteld. De Raad heeft geen aanknopingspunten om te twijfelen aan deze beoordeling door de medisch adviseur. De overgelegde (medische) stukken bieden geen steun voor het standpunt van appellant dat de medisch adviseur zijn situatie onjuist heeft ingeschat en dat zijn beperkingen hun grondslag vinden in niet-aangeboren hersenletsel. De beroepsgrond van appellant slaagt dus niet.
4.5.
De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat CIZ de hoorplicht niet heeft geschonden. De vertegenwoordiger van CIZ heeft dit ter zitting ook erkend, zodat appellant deze beroepsgrond terecht heeft aangevoerd. De Raad ziet echter aanleiding om dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht te passeren, omdat aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld. Ondanks dit gebrek heeft appellant namelijk in beroep en hoger beroep de gelegenheid gehad zijn stellingen toe te lichten en omstandigheden aan te voeren.
4.6.
Uit 4.4 en 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd, met verbetering van de gronden. Hieruit volgt dat het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.5. Gelet op wat onder 4.5 is overwogen bestaat aanleiding te bepalen dat CIZ het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht aan appellant vergoedt. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken.
beslissing

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

Deze uitspraak is gedaan door L.M. Tobé als voorzitter en D.S. de Vries en W.J.A.M. van Brussel als leden, in tegenwoordigheid van H. Spaargaren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2019.

(getekend) L.M. Tobé

(getekend) H. Spaargaren

-

bevestigt de aangevallen uitspraak;

wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af;

bepaalt dat CIZ aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 172,- vergoedt.