Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2020:283

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 12-02-2020. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 12-02-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2020:283, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 18/2761 WSF


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2020:283:DOC
nl

18/2761 WSF
Datum uitspraak: 12 februari 2020

Centrale Raad van BeroepEnkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 17 april 2018, 17/999 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.L.O. van de Waarsenburg, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 januari 2020. Appellant en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.C. Rots.

overwegingen

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant heeft, voor zover hier van belang, vanaf november 2013 studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) ontvangen. Een reisrecht maakte daarvan deel uit.
1.2.
Bij bericht van 8 november 2013 heeft de minister aan appellant meegedeeld dat hij zijn weekabonnement heeft opgehaald en dat hij daarmee vanaf 1 november 2013 kan reizen.
1.3.
Bij bericht van 7 december 2015 en een brief van 28 mei 2016 heeft de minister appellant erop gewezen dat hij zijn reisproduct tijdig, dat wil zeggen uiterlijk op de vijfde werkdag na 31 juli 2016, waarna hij niet langer recht heeft op studiefinanciering, moet beëindigen.
1.4.
Op 13 juli 2016 heeft appellant de minister meegedeeld dat hij zijn opleiding op 14 juli 2016 zal beëindigen.
1.5.
Bij besluiten van 26 augustus 2016, 23 september 2016, 28 oktober 2016 en 7 december 2016 heeft de minister appellant (telkens) mededeling gedaan over het oplopen van zijn OV-schuld, omdat het reisproduct niet tijdig is beëindigd.
1.6.
Op 22 november 2016 heeft appellant het reisproduct beëindigd. Daarover heeft de minister appellant op 7 december 2016 een bericht gestuurd.
1.7.
Appellant heeft, voor zover hier nog van belang, tegen de onder 1.5 genoemde besluiten bezwaar gemaakt. Hij heeft daarbij betwist dat er een reisproduct op zijn OV-kaart stond. Het onder 1.2 genoemde bericht stelt hij niet te hebben ontvangen.
1.8.
De minister heeft het bezwaar van appellant bij besluit van 15 februari 2017 (bestreden besluit) gedeeltelijk niet-ontvankelijk en gedeeltelijk ongegrond verklaard. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat het bezwaar tegen de onder 1.5 genoemde besluiten te laat is ingediend, met uitzondering van het bezwaar tegen het besluit van 7 december 2016. Met betrekking tot dat laatste besluit heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat het niet tijdig stopzetten van het reisproduct heeft geleid tot een schuld over de maand november 2016 van € 194,- en dat het niet tijdig stopzetten aan appellant is toe te rekenen.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat appellant had kunnen en moeten begrijpen dat er een studentenreisproduct aan hem was toegekend. Nu hij op 7 augustus 2013 zelf heeft gekozen voor uitsluitend digitale toezending van berichten, had het op de weg van appellant gelegen om zelf de berichten (tijdig) te raadplegen. Dat hij dat niet (tijdig) heeft gedaan, kan hem worden tegengeworpen. Dat betekent dat het bezwaar tegen de beslissingen van 26 augustus 2016, 23 september 2016, 28 oktober 2016 terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Verder volgt uit de door de minister overgelegde informatie (uit het systeem van Regisseur Studenten Reisrecht) dat het studentenreisproduct op 31 oktober 2013 om 14:23 is opgehaald. Dat uit de overgelegde gegevens niet blijkt waar het product is opgehaald, doet daar niet aan af. De rechtbank acht daarbij van belang dat dit product uitsluitend op een persoonlijke ov-kaart kan worden geladen. Daarvoor zijn verschillende handelingen nodig. Zo moet de kaart worden geplaatst op een kaartlezer van een kaartautomaat en moeten vervolgens verschillende stappen op een scherm worden doorlopen. Het product kan niet ‘per ongeluk’ of vanzelf op de ov-kaart worden geladen door de kaart bijvoorbeeld in de buurt van of voor een in/uitcheckpaal van een openbaar vervoerder te houden. Ook uit het bericht van 8 november 2013 (‘Je hebt je weekabonnement opgehaald. Je kunt met dit abonnement reizen vanaf 1 november 2013’), had appellant kunnen begrijpen dat aan hem niet alleen een studentenreisproduct was toegekend, maar ook dat dit product was geactiveerd. Bovendien had hij dit ook kunnen begrijpen door raadpleging van zijn gegevens via ‘Mijn DUO’. Tegen die achtergrond moet worden aangenomen dat appellant zelf de benodigde handelingen heeft verricht en het studentenreisproduct op de kaart heeft geladen, en dat hij na de beëindiging van de studiefinanciering het studentenreisproduct had moeten stopzetten. Van overmacht aan de zijde van appellant, waardoor het niet tijdig stopzetten van het studentenreisproduct niet aan hem kan worden toegerekend, is niet gebleken. Er zijn ook geen bijzondere omstandigheden gesteld of gebleken op grond waarvan, met toepassing van de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 11.5 van de Wsf 2000, zou moeten worden afgeweken van artikel 3.27, tweede lid, van die wet.
3. Appellant heeft zicht tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Volgens appellant heeft de rechtbank miskend dat hij tijdig bezwaar heeft gemaakt, nu hij de besluiten waartegen dat bezwaar was gericht minder dan zes weken voor het bezwaar voor het eerst onder ogen heeft gekregen. Verder heeft hij zijn stelling herhaald dat hij geen reisproduct op zijn OV-kaart heeft geladen en dat die kaart sinds eind 2014 niet meer geldig was.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.1.
Het betoog van appellant dat hij tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen alle onder 1.5 genoemde besluiten, omdat hij deze pas eind november 2016 onder ogen heeft gekregen, wordt niet gevolgd. Appellant heeft in augustus 2013 gekozen voor digitale bekendmaking van aan hem gerichte besluiten. Uit de door de minister verstrekte gegevens komt naar voren dat de besluiten waartegen appellant bezwaar heeft gemaakt, overeenkomstig de keuze van appellant op Mijn DUO zijn geplaatst, telkens op of omstreeks de dag dat zij genomen zijn. Appellant had van de besluiten dan ook kennis kunnen nemen vanaf het moment van plaatsing van de besluiten. Van tijdig bezwaar tegen deze besluiten, met uitzondering van het besluit van 7 december 2016, is geen sprake.
4.1.2.
Van een situatie dat appellant niet zou kunnen worden verweten dat hij niet tijdig bezwaar heeft gemaakt, is evenmin sprake. Appellant ontving studiefinanciering en is bovendien telkens op de hoogte gebracht van de geplaatste berichten. Door na te laten tijdig in te loggen op Mijn DUO, heeft appellant het risico genomen dat de berichten hem niet zouden bereiken voor de bezwaartermijn verliep, welk risico zich ook heeft verwezenlijkt. Niet is gebleken dat het voor appellant niet mogelijk was (tijdig) in te loggen. Dat er in de optiek van appellant geen aanleiding zou zijn om in te loggen op Mijn DUO, omdat hij op 8 september 2013 een (eerder) reisproduct had stopgezet en hij er niet van uitging over een nieuw reisproduct te beschikken, is iets dat voor zijn risico komt.
4.1.3.
Dit betekent dat het bezwaar van appellant tegen de besluiten van 26 augustus 2016, 23 september 2016 en 28 oktober 2016 terecht niet-ontvankelijk is verklaard. De rechtbank is terecht tot hetzelfde oordeel gekomen.
4.2.1.
Het betoog van appellant dat de minister ten onrechte een OV-schuld (over de maand november 2016) heeft vastgesteld, wordt niet gevolgd. Uit de door de minister verstrekte gegevens komt naar voren dat appellant eind oktober 2013 een reisproduct op zijn OV-kaart heeft geladen. Dit is ook aan appellant gemeld in een besluit van 8 november 2013. Appellant heeft gesteld dit bericht niet te hebben ontvangen, maar blijkens de door de minister overlegde gegevens is dit bericht op Mijn DUO geplaatst. Zou appellant hebben gemeend dat de minister er ten onrechte van was uitgegaan dat hij over een reisproduct beschikte, dan zou hij naar aanleiding van dit besluit bij de minister navraag hebben kunnen doen. Dat niet kan worden vastgesteld wie het reisrecht heeft geactiveerd, en – door tijdsverloop – ook niet meer kan worden vastgesteld waar dat is gebeurd, is niet relevant. Dat de OV-kaart van appellant sinds 19 december 2014 niet meer geldig was, leidt niet tot het oordeel dat de minister geen OV-schuld ten laste van appellant kon vaststellen. De enkele ongeldigheid van de kaart ontheft een studerende immers niet van de verplichting het reisproduct (met een vervangende kaart) stop te zetten. Niet is gebleken dat appellant van het niet tijdig stopzetten van het reisproduct geen verwijt zou kunnen worden gemaakt.
4.2.2.
Dit betekent dat het bezwaar van appellant tegen het besluit van 7 december 2016 terecht ongegrond is verklaard. De rechtbank is terecht tot hetzelfde oordeel gekomen.
4.3.
Uit 4.1.1 tot en met 4.2.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

beslissing

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.A. Boersma, in tegenwoordigheid van C.M. van de Ven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2020.

(getekend) J.P.A. Boersma

(getekend) C.M. van de Ven