Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2020:276

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 07-02-2020. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 07-02-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2020:276, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 18/3308 WIA


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2020:276:DOC
nl

18


Datum uitspraak: 07 februari 2020

Centrale Raad van BeroepEnkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 7 mei 2018, 17/570 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.B.M. Swart, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en vragen van de Raad beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 januari 2020. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Swart en vergezeld door haar echtgenoot. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J. van Steenwijk.

overwegingen

OVERWEGINGEN
1.1.
Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als operator tabeletteermachine voor ongeveer 31 uur per week. Op 20 februari 2012 heeft zij zich ziek gemeld met gewrichtsklachten aan haar rechterarm. Na afloop van de voorgeschreven wachttijd heeft het Uwv aan appellante met ingang van 17 februari 2014 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 100% omdat er onvoldoende geschikte functies geselecteerd konden worden. Aansluitend is aan appellante, zonder dat er een nieuw verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek is uitgevoerd, per 17 december 2015 een WGA-loonaanvullingsuitkering toegekend, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 80 tot 100%.

1.2.
Naar aanleiding van een verzoek tot herbeoordeling door de ex-werkgever van appellante heeft een verzekeringsarts geconstateerd dat appellante per 29 oktober 2015 tijdelijk volledig arbeidsongeschikt is op medische gronden, wegens een medische ingreep en de daaropvolgende herstelfase.

1.3.
In het kader van een herbeoordeling op verzoek van de ex-werkgever heeft appellante op 25 april 2016 het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft vastgesteld dat appellante belastbaar is met inachtneming van de beperkingen die hij heeft neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 25 april 2016. Een arbeidsdeskundige heeft vervolgens functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen de mate van arbeidsongeschiktheid berekend. Het Uwv heeft bij besluit van 18 mei 2016 vastgesteld dat appellante met ingang van 19 juli 2016 geen recht meer heeft op een WIA-uitkering, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 18 januari 2017 (bestreden besluit) ongegrond verklaard en een nieuwe uitlooptermijn toegepast wegens het selecteren van nieuwe functies, waardoor de WIA-uitkering van appellante tot 19 maart 2017 wordt uitbetaald. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van 14 december 2016 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep, een gewijzigde FML van 14 december 2016 en een rapport van 17 januari 2017 van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. Bij besluit van 24 januari 2017 heeft het Uwv het bestreden besluit herzien omdat ten onrechte een verkeerd dictum was opgenomen in het bestreden besluit. Het bezwaar van appellante is namelijk wegens het selecteren van nieuwe functies gegrond en appellante is in aanmerking gebracht voor proceskostenvergoeding.2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat er geen aanleiding is om het rapport van de door rechtbank ingeschakelde onafhankelijke deskundige, verzekeringsarts P.F. Klein Obbink, niet te volgen. Hoewel Klein Obbink niet heeft kunnen vaststellen wanneer de peesscheur in de rechterschouder van appellante is ontstaan, heeft hij wel vastgesteld dat de peesscheur in ieder geval ook op de datum in geding aanwezig was. De door het Uwv vastgestelde beperkingen houden volgens Klein Obbink voldoende rekening met de klachten en beperkingen die appellante ondervond, onder meer als gevolg van de peesscheur. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv voldoende gemotiveerd dat de geselecteerde functies in overeenstemming zijn met de belastbaarheid van appellante, zoals omschreven in de FML van 14 december 2016.
3.1.1.
In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat er sprake is van een onzorgvuldige en ongemotiveerde besluitvorming, onder meer omdat het Uwv onvoldoende rekening zou hebben gehouden met alle klachten van appellante. Het rapport van Klein Obbink zou innerlijk tegenstrijdig zijn omdat Klein Obbink heeft geconstateerd dat er geen beperkingen ten aanzien van de linkerschouder van appellante zijn, maar desondanks heeft ingestemd met de beperkingen in de FML van 14 december 2016 terwijl deze mede zijn gebaseerd op de chronische pijn in de linkerschouder.

3.1.2.
Daarnaast is appellante van mening dat er onvoldoende beperkingen zijn aangenomen door het Uwv. Door onder meer haar klachten aan haar rechterelleboog en rechterschouder zouden er meer beperkingen moeten worden aangenomen op handelingstempo, persoonlijk functioneren en middelen van vervoer. Ook een beperking wegens haar huisstofmijtallergie is op zijn plek.

3.1.3.
Met betrekking tot de geselecteerde functies heeft appellante aangevoerd dat deze niet geschikt voor haar zijn. Met name haar fysieke belastbaarheid zou in de functies worden overschreden.

3.2.
Het Uwv heeft, onder verwijzing naar rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 16 augustus 2018 en 7 november 2019 en een rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 18 november 2019, verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. 4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
Van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van een verzekerde is op grond van artikel 5 van de Wet WIA sprake als zij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA wordt de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.

4.2.
In geschil is of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante in de zin van de Wet WIA terecht met ingang van 19 maart 2017 heeft vastgesteld op minder dan 35% en terecht de WGA-uitkering van appellante heeft beëindigd.

4.3.
Zoals de rechtbank heeft overwogen wordt volgens vaste rechtspraak het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel gevolgd indien de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend overkomt. Met de rechtbank wordt overwogen dat er geen aanleiding bestaat om het rapport van Klein Obbink van 10 januari 2018 niet te volgen. Klein Obbink heeft overzichtelijk de klachten van appellante en de aanwezige medische informatie besproken en hij heeft haar lichamelijk onderzocht. Ook heeft hij nadere informatie opgevraagd bij de behandelend orthopedisch chirurg. Anders dan dat appellante heeft aangevoerd heeft Klein Obbink op verzoek van de rechtbank zich een oordeel gevormd over de algehele belastbaarheid van appellante op 19 maart 2017, en niet uitsluitend over de peesscheur die bij appellante is geconstateerd en de daaraan gerelateerde beperkingen. Uit het rapport van Klein Obbink blijkt dat hij appellante op 8 november 2017 heeft onderzocht en daarbij geen functiebeperkingen bij de linker schouder heeft geconstateerd, en dat naar zijn oordeel de in de FML van 14 december 2016 neergelegde beperkingen in voldoende mate rekening houden met de beperkingen van appellante. Hierin wordt geen tegenstrijdigheid gezien. Het enkele feit dat Klein Obbink bij zijn onderzoek aan de linkerschouder geen afwijkingen heeft geconstateerd, betekent niet dat daarvoor geen beperkingen kunnen worden aangenomen, bijvoorbeeld om overbelasting te voorkomen. De rechtbank heeft dan ook terecht het oordeel van Klein Obbink, dat het Uwv de belastbaarheid van appellante per 19 maart 2017 juist heeft vastgesteld, gevolgd.

4.4.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft verder in zijn rapport van 7 november 2019 overtuigend toegelicht dat de huisstofmijtallergie, die bij een eerdere medische beoordeling nog expliciet in de FML werd genoemd, is betrokken in de beperking in de FML van 14 december 2016 onder 3.6 dat er sprake moet zijn van een longvriendelijke werkomgeving. Wat betreft de artrose van de nek overweegt de Raad dat de verzekeringsarts deze in zijn rapport van 25 april 2016 benoemt en daarvoor ook een beperking opneemt in de FML onder 4.17.

4.5.
Ook wordt de rechtbank gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht voor appellante geschikt zijn. De arbeidsdeskundige heeft in zijn rapport van 18 november 2019 nader toegelicht dat er in de geselecteerde functies sprake is van een zeer schone werkomgeving en dat er geen aanwijzing is voor contact met huiststofmijt.

4.6.
Uit 4.2 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd. 5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
beslissing

BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van B.V.K. de Louw als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 februari 2020.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

(getekend) B.V.K. de Louw