Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2020:20

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 08-01-2020. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 08-01-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2020:20, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 18/3684 ZW


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2020:20:DOC
nl

18


Datum uitspraak: 8 januari 2020

Centrale Raad van BeroepMeervoudige kamer
Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 29 juni 2016, 14/2856 ZW

Partijen:

[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens verzoeker heeft mr. J.L.A.M. van Os, advocaat, op 5 juli 2018 verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 29 juni 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:2449). Verzoeker heeft daarbij een uitspraak van 15 mei 2017 van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Eindhoven (Tuchtcollege) en een brief van de Voorzitter van de Orde der Artsen van de Provinciale Raad van Antwerpen (Orde der Artsen) van 24 januari 2018 ingediend.

Het Uwv heeft op het verzoek gereageerd.

Verzoeker heeft een vraag van de Raad beantwoord en het Uwv heeft daarop gereageerd.

Voorts heeft verzoeker een uitspraak van de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening van 18 oktober 2018 ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd met de zaken 18/5484 ZW en 19/2662 WAZ plaatsgevonden op 4 december 2019. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door mr. Van Os. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B. Drossaert. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst en is in de drie zaken afzonderlijk uitspraak gedaan.

overwegingen

OVERWEGINGEN

1.1.
Verzoeker heeft onder meer gewerkt als verzorgende en zelfstandig taxichauffeur.
1.2.
In maart 2011 heeft verzoeker per 16 februari 2004, aansluitend op de beëindiging van zijn werkzaamheden als verzorgende, een uitkering op grond van de Ziektewet aangevraagd. De werkzaamheden als taxichauffeur heeft verzoeker in 2005 beëindigd na een ongeval.
1.3.
Bij besluit van 18 april 2011 is deze aanvraag afgewezen. Het bezwaar daartegen is bij de beslissing op bezwaar van 1 juni 2011 ongegrond verklaard. Volgens het Uwv moet verzoeker op 16 februari 2004 in staat worden geacht om zijn werkzaamheden als verzorgende te verrichten. Het hiertegen door verzoeker ingestelde beroep is bij de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 10 april 2014, 11/3729, ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij het oordeel van de door haar als deskundige benoemde psychiater [naam] gevolgd.
1.4.
Bij zijn uitspraak van 29 juni 2016 heeft de Raad, na wederom psychiater [naam] als deskundige te hebben benoemd, kort gezegd geoordeeld dat de rechtbank het beroep tegen het besluit van het Uwv van 1 juni 2011 terecht en op goede gronden ongegrond heeft verklaard. De Raad heeft hiertoe overwogen het standpunt van de rechtbank te onderschrijven dat er geen reden is om het advies van psychiater [naam] niet te volgen. Er is voldoende reden aan te nemen dat verzoeker op 16 februari 2004 zijn werk als verzorgende kon verrichten naast zijn werk als zelfstandig taxichauffeur.
1.5.
Verzoeker heeft vervolgens bij het Tuchtcollege een klacht ingediend tegen psychiater [naam] . Het Tuchtcollege heeft op 15 mei 2017 uitspraak gedaan.

2.1.
Verzoeker heeft zijn herzieningsverzoek gebaseerd op de uitspraak van het Tuchtcollege van 15 mei 2017, waarbij zijn klacht tegen psychiater [naam] (gedeeltelijk) gegrond is verklaard. Voorts heeft verzoeker verwezen naar zijn klacht over psychiater [naam] bij de Orde der Artsen van de Provinciale Raad van Antwerpen van 14 december 2017 met het antwoord van 24 januari 2018 dat het klachtschrijven de volle aandacht heeft gekregen en dat er passend gevolg aan is gegeven.
2.2.
Ter beantwoording van de vraag van de Raad om kenbaar te maken waarom verzoeker tot 5 juli 2018 heeft gewacht met indiening van het verzoek om herziening, heeft verzoeker erop gewezen dat hij aangifte heeft gedaan wegens valsheid in geschrifte tegen psychiater [naam] op 4 juli 2017 en heeft hij de beschikking van 5 maart 2019 waarbij het beklag ex artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering van verzoeker is afgewezen, ingediend. Ook heeft verzoeker verwezen naar de uitspraak van de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening van 18 oktober 2018, waarbij vorderingen van verzoeker tegen Achmea Schadeverzekeringen N.V. over het kostenmaximum van rechtsbijstand in de procedures die verzoeker heeft aangespannen tegen psychiater [naam] zijn afgewezen. Hij heeft ter toelichting op dit stuk aangegeven dat hij op diverse wijzen heeft getracht om financiële ondersteuning te krijgen voor onder meer het herzieningsverzoek, maar dat dit niet binnen een jaar te realiseren was.
2.3.
Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat het herzieningsverzoek moet worden afgewezen, primair omdat dit te laat is ingediend en subsidiair omdat aan het oordeel van het Tuchtcollege niet die waarde kan worden toegekend die verzoeker daaraan toegekend wenst te zien.
3. De Raad overweegt als volgt.

3.1.
Ingevolge artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan de bestuursrechter een onherroepelijk geworden uitspraak op verzoek van een partij herzien op grond van feiten en omstandigheden die:a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, enc. waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
3.2.
Voorop moet worden gesteld dat van degene die om herziening verzoekt van een uitspraak mag worden verlangd dat hij niet onredelijk lang wacht met de indiening van dat verzoek. Een onredelijk laat ingediend herzieningsverzoek moet niet-ontvankelijk worden verklaard. Zie de uitspraak van de Raad van 20 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1055.
3.3.
Een verzoek om herziening wordt in de regel geacht onredelijk laat te zijn ingediend, indien het verzoek is ingediend meer dan één jaar nadat de indiener bekend is geworden met de daarin gestelde nova dan wel, indien geen nova zijn gesteld, na de datum van openbaarmaking van de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht.
3.4.
Verzoeker heeft zijn herzieningsverzoek van 5 juli 2018 gebaseerd op de uitspraak van het Tuchtcollege van 15 mei 2017. Het verzoek is dus ingediend meer dan een jaar na het bekend worden van de gestelde nova. De Raad ziet in de door verzoeker aangevoerde feiten en omstandigheden, waaronder de uitspraak van de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening van 18 oktober 2018, geen aanleiding om van een langere termijn dan een jaar uit te gaan. Ten aanzien van de andere onder 2.1 en 2.2 genoemde stukken geldt dat het verzoek om herziening daarop inhoudelijk niet is gebaseerd en dat die stukken als aanvulling bij het gestelde novum van 15 mei 2017 konden worden gevoegd, wat verzoeker ook heeft gedaan. Geoordeeld moet daarom worden dat het verzoek om herziening onredelijk laat is ingediend.
3.5.
Gelet op wat in 3.2 tot met 3.4 is overwogen moet het verzoek om herziening niet‑ontvankelijk worden verklaard.
4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

beslissing

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzoek niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en M. Schoneveld en S. Wijna als leden, in tegenwoordigheid van E. Diele als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2020.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) E. Diele