Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2020:149

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Ambtenarenrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 23-01-2020. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 23-01-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2020:149, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 19-2554 AW


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2020:149:DOC
nl

19


Datum uitspraak: 23 januari 2020

Centrale Raad van BeroepEnkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 17 mei 2019, 17/3269 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de korpschef van politie (korpschef)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

De korpschef heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

De korpschef heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 december 2019. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N.J. Mathura en G. Tunali. Betrokkene is verschenen.

overwegingen

OVERWEGINGEN

1.1.
Betrokkene was werkzaam in de functie van [naam functie] , salarisschaal 10, bij het (voormalige) Korps [naam].
1.2.
Op 16 december 2013 heeft de korpschef voor betrokkene besloten tot toekenning van en overgang naar de LFNP-functie van [functienaam] B, met als vakgebied operationeel Specialismen, gewaardeerd in salarisschaal 10. Daarnaast is in dit besluit vastgesteld dat er na 31 december 2011 geen formele wijzigingen hebben plaatsgevonden.
1.3.
Bij besluit van 1 december 2015 heeft de korpschef de oorspronkelijke functie van betrokkene vastgesteld op de functie van [functienaam] B, gewaardeerd in salarisschaal 10, met als plaats van tewerkstelling [plaats tewerkstelling] .
1.4.
Nadat de korpschef het voornemen hiertoe kenbaar had gemaakt en betrokkene hierop zijn zienswijze had gegeven, heeft de korpschef bij besluit van 10 juni 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 7 juli 2017 (bestreden besluit), betrokkene per 1 juli 2016 aangewezen als herplaatsingskandidaat en hem gelijktijdig met ingang van diezelfde datum herplaatst in de functie van [functienaam] B, schaal 10, in de formatie van de [naam eenheid] , [naam district] , [naam dienst] , met als plaats van tewerkstelling [plaats tewerkstelling] .
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, het primaire besluit herroepen voor zover daarbij is bepaald dat betrokkene is geplaatst in de functie van [functienaam] B en - naar de Raad (uit de overwegingen van de aangevallen uitspraak) begrijpt - bepaald dat de korpschef betrokkene moet plaatsen in de functie van [functienaam] C. De rechtbank heeft daartoe, samengevat, overwogen dat betrokkene voldoet aan de voorwaarden die in de Notitie tijdelijke tewerkstellingen in fase 2 (Notitie) worden gesteld om hem in aanmerking te doen komen voor plaatsing in de door hem geambieerde functie van [functienaam] C. De korpschef heeft dan ook niet mogen weigeren om toepassing te geven aan de in de Notitie gegeven uitwerking van de in artikel 55v van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) neergelegde hardheidsclausule.
3. De korpschef stelt zich in hoger beroep op het standpunt dat betrokkene niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij de functie van [functienaam] C gedurende drie jaar, van 1 juli 2013 tot 1 juli 2016, heeft uitgeoefend. Hierbij wijst de korpschef erop dat de vraag of de functie daadwerkelijk is uitgeoefend moet worden beantwoord aan de hand van de niveaubepalende elementen van die functie.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Voor het kader en de van toepassing zijnde regelgeving betreffende dit hoger beroep verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 21 juni 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1851.
4.2.
Het geschil spitst zich (ook) in hoger beroep toe op de vraag of betrokkene een geslaagd beroep toekomt op de Notitie, zoals aangevuld met de Aanvulling werkinstructie inzake Tijdelijke tewerkstellingen in de periode tot 1 juli 2016 (Aanvulling), en of er zodoende aanleiding bestaat om hem te plaatsen op de door hem geambieerde functie van [functienaam] C, schaal 11.
4.3.
In artikel 55v van het Barp is bepaald dat indien de toepassing van hoofdstuk VII.b (Voorzieningen bij reorganisaties) of de nadere regels ter uitvoering van dit hoofdstuk in individuele gevallen leidt tot onbillijkheden van overwegende aard of indien sprake is van een bijzondere situatie van een individuele herplaatsingskandidaat, het bevoegd gezag, na afweging van de belangen van het individu en van de organisatie, kan afwijken van dit hoofdstuk of van de nadere regels ter uitvoering van dit hoofdstuk.
4.4.
De Notitie en de Aanvulling vormen een uitwerking van de in artikel 55v van het Barp neergelegde hardheidsclausule voor situaties waarin een medewerker gedurende fase 1 van de reorganisatie (dus tot juli 2016) gedurende een periode van drie jaar tijdelijk was tewerkgesteld in een andere functie. Om in aanmerking te komen voor plaatsing in de gewenste functie dient aan vier cumulatieve criteria te worden voldaan:- De betrokkene dient de door hem gevraagde LFNP-functie gedurende minimaal drie jaar voorafgaand aan 1 juli 2016 ononderbroken uit te hebben geoefend. Volgens de Aanvulling moet de vraag of de gewenste functie daadwerkelijk is uitgevoerd, worden beantwoord aan de hand van de niveaubepalende elementen van die functie. Noodzakelijk is dat vastgesteld wordt dat door het uitoefenen van de tijdelijke werkzaamheden in overwegende mate is voldaan aan de niveaubepalende elementen van de andere functie. Deze zijn omschreven in het onderdeel “kern van de functie” in de betrokken LFNP-functie. - De tewerkstelling dient schriftelijk te kunnen worden onderbouwd door de medewerker. - De gewenste functie moet zijn ingericht in de nieuwe formatie. Er moet dus sprake zijn van werkzaamheden die vanuit het bedrijfsvoeringsbelang ook na de reorganisatie worden gecontinueerd.- Het functioneren van de medewerker dient voldoende te zijn.
4.5.
Het zwaartepunt van de (kern van de) functie van [functienaam] C is, zowel wat betreft praktijkinzet als de beleidsinzet, gelegen in het voeren van de – overall – regie. De [functienaam] C analyseert knelpunten in de uitvoeringspraktijk en adviseert vanuit deze analyse over verbeteringen in de uitvoeringspraktijk. Hij organiseert, ondersteunt en begeleidt de implementatie (regie) van vastgestelde (nieuwe) kaders, werkwijzen, procedures, instrumenten, methoden en technieken en beleid, alsmede vastgestelde verbeteringen in de uitvoeringspraktijk. Hij analyseert, monitort en evalueert daartoe de voortgang en het effect van implementatie aan de hand van vastgestelde kwaliteits-/duurzaamheidsindicatoren, analyseert de oorzaak van afwijkingen en adviseert over bijsturing. De [functienaam] C initieert, bouwt, onderhoudt en regisseert op inhoudelijke samenwerking netwerken en verricht operationele sturing ten behoeve van de uitvoering en regisseert van plannen van aanpak voor opsporingsonderzoeken en onderzoekclusters en voor de aanpak van veiligheidsproblematiek waarin de specialisatie leidend is, alsmede voor plannen van aanpak van implementatie en regisseert de inhoudelijke samenwerking met partners op vastgestelde onderwerpen.
4.6.
Met de korpschef is de Raad van oordeel dat betrokkene niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de referteperiode van 1 juli 2013 tot 1 juli 2016 ononderbroken werkzaamheden heeft uitgevoerd die afwijken van zowel zijn voormalige korpsfunctie van [naam functie] , schaal 10 als van de hem toegekende LFNP-functie van [functienaam] B en die in overwegende mate voldoen aan de niveaubepalende elementen als omschreven in het onderdeel ‘kern van de functie’ van de functie [functienaam] C. De opeenvolgende overeenkomsten tijdelijke tewerkstelling over de periode van 1 januari 2010 tot 15 juni 2013 hebben als overwegend doel persoonlijke ontwikkeling en zien op de periode voorafgaand aan de referteperiode. In de referteperiode is onder andere sprake geweest van een tijdelijke tewerkstelling tijdens welke betrokkene werkzaamheden heeft verricht bij het project ZSM van 1 juni 2013 tot nader order, waarbij hij onder de verantwoordelijkheid valt van G. Kalkhoven, projectcoördinator. Er zijn geen besluiten die zien op een waarneming voor de functie van [functienaam] . De beoordeling van 9 april 2015, betreffende de periode van 1 juni 2013 tot 1 februari 2015, ziet, aldus het beschikbare beoordelingsformulier, op de functie van [functienaam] C bij bureau Politieprofessie en Allianties. Echter, op grond van de in dit formulier genoemde en beoordeelde werkzaamheden kan niet geconcludeerd worden dat betrokkene in overwegende mate de niveaubepalende elementen behorende tot de kern van die functie heeft uitgeoefend. Uit deze beoordeling blijkt dat betrokkene als medeprojectleider verantwoordelijk is geweest voor de implementatie en doorontwikkeling van het proces ZSM binnen de [naam eenheid] . Ook heeft betrokkene verder niet aannemelijk gemaakt dat hij gedurende de gehele hier aan de orde zijnde referteperiode in overwegende mate alle niveaubepalende elementen van de beoogde LFNP-functie heeft verricht. In dit kader stelt de Raad vast dat betrokkene niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een regiepositie heeft vervuld met betrekking tot implementatie, dan wel met betrekking tot (landelijke) netwerken en samenwerkingsverbanden. Evenmin heeft hij aannemelijk gemaakt dat hij operationele sturing heeft verricht in de zin van het organiseren en aansturen van de uitvoering van vastgestelde plannen van aanpak waarin de specialisatie leidend is. Operationele sturing houdt mede in het – in afstemming met de leidinggevende – vertalen van de in het vastgestelde plan van aanpak benoemde collectieve activiteiten en resultaten naar individuele werkafspraken, het bewaken van de voortgang van de (individuele) werkafspraken, het in dat kader voeren van voortgangsgesprekken en functioneringsgesprekken met betrekking tot de kwalitatief en kwantitatief geleverde prestaties in relatie tot de gemaakte uitvoerings-/rand voorwaardelijke afspraken met de hem toegewezen mensen en het informeren van de leidinggevende ten behoeve van het maken van ontwikkelafspraken en beoordeling. Betrokkene heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat hij als mentor de deskundigheid van collega’s bevordert die werkzaam zijn binnen het vakgebied Operationeel Specialismen en dat hij de vakvolwassenheid van de collega’s beoordeelt.
4.7.
Met wat in 4.6 is overwogen kan niet worden gezegd dat betrokkene voldoet aan de voorwaarden van de Notitie en de Aanvulling. Dat wordt niet anders doordat collega’s van betrokkene bij wie de korpsfunctie [naam functie] , schaal 11, was opgenomen in de uitgangspositie, volgens de transponeringstabel, behorende bij de Regeling vaststelling LFNP, per 1 januari 2012 zijn overgegaan naar de LFNP-functie [functienaam] C. De transponeringstabel kent immers het systeem van “matchen op schaal” en vereist niet het daadwerkelijk feitelijk hebben vervuld van het samenstel van taken en verantwoordelijkheden in de LFNP-functie waarnaar wordt overgegaan (vergelijk de uitspraak van 1 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1550). De notitie en de Aanvulling kennen die voorwaarde van feitelijke taakvervulling wel (vergelijk de uitspraak van 21 februari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:610).
4.8.
Uit 4.6 en 4.7 volgt dat het hoger beroep van de korpschef slaagt. Niet gebleken is van een aanleiding tot toepassing van de hardheidsclausule buiten de Notitie en de Aanvulling om. De Raad zal dan ook de aangevallen uitspraak vernietigen en het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit ongegrond verklaren.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

beslissing

BESLISSING

- vernietigt de aangevallen uitspraak;- verklaart het beroep tegen het besluit van 7 juli 2017 ongegrond.
De Centrale Raad van Beroep

Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput, in tegenwoordigheid van T. Ali als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2020.

(getekend) J.J.T. van den Corput

(getekend) T. Ali