Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2020:137

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 22-01-2020. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 22-01-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2020:137, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 18/3140 WIA


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2020:137:DOC
nl

18


Datum uitspraak: 22 januari 2020

Centrale Raad van BeroepEnkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 1 mei 2018, 17/6688 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.L. van Os, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 december 2019. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.E.J.P.M. Rutten.

overwegingen

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant is werkzaam geweest als machineoperator en productiemedewerker voor 36,80 uur per week. Op 29 oktober 2010 is hij uitgevallen wegens psychische klachten. Na afloop van de wachttijd is hem bij besluit van 19 februari 2013 op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) met ingang van 26 oktober 2012 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 56,85%. Laatstelijk ontving appellant een WGA-loonaanvullingsuitkering, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 36,05%.
1.2.
Met een verzoek van 14 februari 2016 heeft appellant verzocht om een herbeoordeling wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid. Naar aanleiding van dit verzoek is appellant op 7 juni 2016 onderzocht op het spreekuur van een arts. In een rapport van 19 augustus 2016 is deze arts tot de conclusie gekomen dat appellant, naast beperkingen als gevolg van psychische klachten, ook beperkingen heeft als gevolg van hart- en vaatproblematiek. Deze beperkingen heeft hij weergegeven in een FML van 19 augustus 2016. In een daaropvolgend rapport van 27 januari 2017 heeft een arbeidsdeskundige vastgesteld dat appellant geschikt is voor een vijftal geselecteerde voorbeeldfuncties. Op basis van de drie functies met de hoogste lonen heeft hij de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant berekend op 30,17%. Bij besluit van 30 januari 2017 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant met ingang van 31 maart 2017 geen recht meer heeft op een WIA-uitkering omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
2.1.
In bezwaar heeft appellant gesteld dat hij niet in staat is om te werken en dat hij voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt is.
2.2.
Het bezwaar van appellant is bij besluit van 7 september 2017 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van 31 augustus 2017 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en van 5 september 2017 van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
3. In beroep heeft appellant gesteld dat zijn fysieke en psychische beperkingen ernstiger zijn dan het Uwv heeft aangenomen en heeft hij herhaald dat hij niet kan werken.
4. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat het medisch onderzoek op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat de verzekeringsartsen niet te geringe beperkingen bij appellant hebben vastgesteld. Appellant heeft in beroep geen medisch objectiveerbare gegevens overgelegd die de rechtbank aanleiding geven te twijfelen aan de belastbaarheid die de verzekeringsartsen hebben aangenomen. De stelling van appellant dat hij meer beperkingen heeft wordt op geen enkele wijze onderbouwd. Voorts heeft de rechtbank de belasting van de geselecteerde functies vergeleken met de FML. Daarbij is betrokken de toelichting die de arbeidsdeskundigen hebben gegeven bij de mogelijke overschrijdingen van de belastbaarheid. De rechtbank is tot de conclusie gekomen dat deze functies geschikt voor appellant zijn en dat deze mochten worden gebruikt voor de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid. Terecht is de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op minder dan 35%. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
5.1.
De Raad kan zich geheel verenigen met de in 4 vermelde conclusies van de rechtbank en de overwegingen die de rechtbank daaraan ten grondslag heeft gelegd. De rechtbank heeft de beroepsgronden van appellant afdoende besproken en met juistheid geoordeeld dat de desbetreffende gronden niet slagen. In hoger beroep heeft appellant geen nieuwe (medische) gegevens overgelegd die zijn stellingen kunnen ondersteunen en die aanleiding zouden kunnen geven tot een andere conclusie dan eerder in de procedure.
5.2.
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
beslissing

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk, in tegenwoordigheid van H. Spaargaren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2020.

(getekend) J.S. van der Kolk

(getekend) H. Spaargaren