Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2020:134

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 22-01-2020. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 22-01-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2020:134, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 18/2196 WIA


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2020:134:DOC
nl

18


Datum uitspraak: 22 januari 2020

Centrale Raad van BeroepEnkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 12 maart 2018, 17/1904 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. H Selçuk, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 december 2019. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Selçuk. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.E.J.P.M. Rutten.

overwegingen

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als schoonmaker voor ongeveer 31 uur per week. Op 28 december 2010 heeft zij zich ziek gemeld met psychische klachten. Later zijn ook lichamelijke klachten ontstaan. Na afloop van de voorgeschreven wachttijd heeft het Uwv aan appellante met ingang van 25 december 2012 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 80 tot 100%. Na afloop van de loongerelateerde periode heeft het Uwv aan appellante met ingang van 25 april 2015 een WGA-loonaanvullingsuitkering toegekend, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 80 tot 100%.
1.2.
In verband met een herbeoordeling heeft appellante op 28 september 2016 het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft geconcludeerd dat appellante baat heeft bij een behandeling bij GGz en sprake is van geleidelijk wat herstel en heeft appellante belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die hij heeft neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 10 november 2016. Een arbeidsdeskundige heeft functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 18,94%. Het Uwv heeft bij besluit van 16 november 2016 de WGA-loonaanvullingsuitkering van appellante met ingang van 17 januari 2017 beëindigd, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 29 mei 2017 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van 23 mei 2017 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat er geen aanleiding bestaat om te oordelen dat het Uwv de belastbaarheid van appellante onjuist heeft ingeschat. Het Uwv was bekend met haar lichamelijke en psychische klachten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft gemotiveerd uiteengezet waarom geen sprake is van een situatie van geen benutbare mogelijkheden en heeft voldoende gemotiveerd dat met de uit de depressie en rouwverwerking voortvloeiende klachten voldoende rekening is gehouden in de FML. De rechtbank heeft ten aanzien van het ingebrachte behandelplan overwogen dat het feit dat de behandelend psycholoog een diagnose heeft gesteld, niet maakt dat appellante meer beperkt is dan door het Uwv is aangenomen. Bij de beoordeling voor de Wet WIA gaat het namelijk niet zozeer om de gestelde diagnose maar om de in aanmerking te nemen beperkingen. Uit het behandelplan kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden afgeleid dat voor appellante onvoldoende of te lichte beperkingen zijn vastgesteld. Ten slotte overweegt de rechtbank dat zij geen grond ziet voor het oordeel dat de geselecteerde functies niet geschikt zijn.

3.1.
Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat haar medische beperkingen te licht zijn ingeschat. Uit het door haar overgelegde behandelplan blijkt dat zij naast een depressieve stoornis ook last heeft van een paniekstoornis, liftfobie, claustrofobie en somatische aandoeningen die beïnvloed worden door haar psychische klachten. Dit behandelplan is ten onrechte niet voorgelegd aan de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Appellante heeft verder aangevoerd dat gezien haar psychische klachtbeeld de conclusie dat zij benutbare mogelijkheden heeft onbegrijpelijk is. Uit het dagverhaal kan volgens haar worden afgeleid dat zij beperkt is in haar dagelijks functioneren. Zij moet bijvoorbeeld ondersteund worden bij het huishouden. Ten slotte heeft appellante aangevoerd dat zij vanwege haar beperkingen ongeschikt is voor de geselecteerde functies.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft het Uwv een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 11 juli 2018 overgelegd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.
In geschil is de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante in de zin van de Wet WIA met ingang van 17 januari 2017.
4.2.
Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd is een herhaling van wat zij in bezwaar en beroep naar voren heeft gebracht. Het oordeel van de rechtbank daarover en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.
4.3.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op 11 juli 2018 gereageerd op het door appellante in de beroepsprocedure overgelegde behandelplan van 6 maart 2017. In deze informatie heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen aanleiding gezien zijn standpunt te wijzigen. Deze arts heeft erop gewezen dat de paniekaanvallen zijn benoemd en gezien en de opgelegde beperkingen passend zijn bij de beperkingen die voortkomen uit de angstklachten en paniekaanvallen. Over de liftfobie heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep overwogen dat appellante in de geselecteerde functies niet hoeft te verblijven in nauwe ruimtes of gebruik hoeft te maken van een lift. De Raad acht deze motivering afdoende. Appellante heeft in hoger beroep geen nieuwe medische gegevens in het geding gebracht. Ter zitting heeft zij enkel verklaard dat zij nog steeds onder behandeling is maar dat haar financiële situatie de behandeling blokkeert. Deze stelling biedt onvoldoende aanknopingspunten om te twijfelen aan de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
4.4.
Uitgaande van de juistheid van de beperkingen in de FML van 17 januari 2017 wordt geen reden gezien te twijfelen aan de geschiktheid van de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies. De arbeidsdeskundigen hebben in het Resultaat functiebeoordeling en in de rapporten van 11 november 2016 en 31 oktober 2019 inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd waarom appellante in staat moet worden geacht de geselecteerde functies te vervullen.
4.5.
Uit 4.2 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

beslissing

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk, in tegenwoordigheid van H. Spaargaren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2020.

(getekend) J.S. van der Kolk

(getekend) H. Spaargaren