Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2019:790

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Ambtenarenrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 12-03-2019. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 12-03-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2019:790, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 18/3925 AW-V


Bron: Rechtspraak



Datum uitspraak: 12 maart 201918/3925 AW-VCentrale Raad van BeroepEnkelvoudige kamer

Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het incidenteel hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 1 februari 2018, 17/2540 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de korpschef van politie Apeldoorn (appellant)

[naam] te [woonplaats]

ECLI:NL:CRVB:2019:790:DOC
nl


Datum uitspraak: 12 maart 201918/3925 AW-VCentrale Raad van BeroepEnkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het incidenteel hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 1 februari 2018, 17/2540 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de korpschef van politie Apeldoorn (appellant)

[naam] te [woonplaats]

procesverloop

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54, 8:108, eerste lid, en 8:110 van de Algemene wet bestuursrecht van 18 oktober 2018 heeft de Raad het door appellant ingestelde incidenteel hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.

Namens appellant heeft mr. N.G.M. Roothans verzet gedaan.

overwegingen

OVERWEGINGEN

De uitspraak van de Raad van 18 oktober 2018 berust op de overwegingen dat het incidenteel hogerberoepschrift niet tijdig is ingediend, en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest. In verzet heeft de gemachtigde van appellant te kennen gegeven dat in tegenstelling tot hetgeen in de uitspraak van de Raad van 18 oktober 2018 is vermeld, bij brief van 17 augustus 2018 is gereageerd op het verzoek van de Raad om mee te delen waarom de termijn voor het instellen van incidenteel hoger beroep is overschreden. Deze brief is twee maal per fax aan de Raad toegezonden. Namens appellant is verzocht het verzet gegrond te verklaren en opnieuw uitspraak te doen inzake de ontvankelijkheid van het incidenteel hoger beroep, waarbij rekening wordt gehouden met de inhoud van de brief van 17 augustus 2018 welke als bijlage bij het verzetschrift is gevoegd.
De Raad stelt vast dat uit het faxjournaal van de Raad van 17 augustus 2018 niet blijkt dat op deze datum een fax van appellant is ontvangen. Omdat de brief als bijlage bij het verzetschrift is gevoegd, zal de Raad de inhoud van de brief wel betrekken bij de beoordeling of er redenen zijn om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. De Raad heeft appellant bij brief van 16 maart 2018 in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen in de zaak geregistreerd onder nummer 18/1376 AW en gewezen op de mogelijkheid tot het instellen van (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep. Bij brief van 26 april 2018 heeft appellant verzocht om uitstel van de termijn voor het indienen van een verweerschrift. Bij brief van 1 mei 2018 heeft de Raad de termijn voor het indienen van een verweerschrift verlengd tot en met 11 juni 2018 en de termijn voor het instellen van (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep overeenkomstig verlengd. Bij brief van 14 juni 2018 heeft de gemachtigde van appellant wederom uitstel gevraagd voor het indienen van een verweerschrift. De Raad heeft hierop bij brief van 19 juni 2018 de termijn voor het indienen van een verweerschrift verlengd tot en met 17 juli 2018. De gemachtigde van appellant stelt dat hij gelet op de eerdere mededeling in de brief van 1 mei 2018 in de veronderstelling was dat de termijn voor het (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep opnieuw overeenkomstig was verlengd.
De gemachtigde van appellant heeft in verzet geen feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest. De gemachtigde van appellant heeft bij brief van 14 juni 2018 voor de tweede keer uitstel gevraagd voor uitsluitend het indienen van een verweerschrift. De termijn waarbinnen tijdig (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep kon worden ingesteld liep af op 11 juni 2018 en was dus verstreken op het moment dat om uitstel werd verzocht, zodat deze termijn reeds om die reden niet opnieuw kon worden verlengd. De termijn voor het indienen van een verweerschrift betreft, anders dan de termijn voor het indienen van een incidenteel hogerberoepschrift, een termijn van orde. Bij brief van 19 juni 2018 is appellant bericht dat de termijn voor het indienen van een verweerschrift is verlengd. Anders dan bij de brief van 1 mei 2018 is geen melding meer gemaakt van de mogelijkheid tot het indienen van incidenteel hoger beroep.
Voor een proceskostenveroordeling van het verzet is geen aanleiding.

beslissing

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door H.C.P. Venema, in tegenwoordigheid van J.A. Achterberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2019.

(getekend) H.C.P. Venema

(getekend) J.A. Achterberg

TM