Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2019:68

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 10-01-2019. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 10-01-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2019:68, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 18/15 WUBO


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2019:68:DOC
nl

18


Datum uitspraak: 10 januari 2019

Centrale Raad van BeroepEnkelvoudige kamer
Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (verweerder)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 28 november 2017, kenmerk BZ011140182 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo).
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 november 2018. Appellante is, zoals door haar bericht, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel.

overwegingen

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellante, geboren in 1936, is op grond van psychische invaliditeit erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wubo. Bij besluit van 4 juli 2002 is aan appellante met ingang van 1 april 2002 een vergoeding verleend van de kosten verbonden aan huishoudelijke hulp voor maximaal vier uren (één dagdeel) per week.
1.2.
In maart 2017 heeft appellante verzocht om uitbreiding van de huishoudelijke hulp naar twee dagdelen per week. Bij besluit van 15 mei 2017, na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerder de aanvraag afgewezen op de grond dat niet beoordeeld kan worden of appellante voldoet aan de voorwaarden die gelden voor het toekennen van een voorziening van meer dan een dagdeel huishoudelijke hulp per week. In dat verband is overwogen dat appellante geen informatie beschikbaar heeft gesteld op grond waarvan kan worden beoordeeld of appellante ten tijde van de aanvraag de maandelijks aan haar betaalde vergoeding voor huishoudelijke hulp daadwerkelijk aan huishoudelijke hulp heeft besteed.
2. Naar aanleiding van wat partijen in beroep hebben aangevoerd komt de Raad tot de volgende beoordeling.

2.1.
Voor het toekennen van een vergoeding voor huishoudelijk hulp hanteert verweerder het beleid dat een (eerste) dagdeel huishoudelijke hulp - bedoeld voor het verrichten van zware huishoudelijke werkzaamheden - kan worden toegekend als sprake is van causale aandoeningen. Voor het toekennen van een tweede dagdeel huishoudelijke hulp - bedoeld voor het verrichten van lichte huishoudelijke werkzaamheden - hanteert verweerder een aantal voorwaarden. Zo hanteert verweerder sinds 10 juli 2016 ook de voorwaarde dat een eerder toegekende vergoeding voor een dagdeel huishoudelijke hulp ten tijde van de aanvraag voor uitbreiding van de vergoeding daadwerkelijk wordt besteed aan huishoudelijke hulp. Onder huishoudelijke hulp wordt in dit verband niet verstaan de partner of een inwonend gezinslid.
2.2.
Verweerder heeft de afwijzing van de aanvraag van appellante in wezen gestoeld op het bepaalde in artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dat artikel geeft verweerder - samengevat en voor zover hier van belang - de mogelijkheid een aanvraag niet (inhoudelijk) te behandelen als de verstrekte gegevens onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen. Gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb, gaat het daarbij om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.
2.3.
Op het betreffende aanvraagformulier heeft appellante enerzijds vermeld geen huishoudelijke hulp te hebben, anderzijds heeft zij vermeld zij dat zij incidenteel hulp heeft, zo’n keer twee à drie keer per jaar voor “grote dingen”. Verweerder mocht, gelet op deze tegenstrijdige verklaring, aan appellante verzoeken documenten te overleggen waaruit blijkt dat zij over huishoudelijke hulp beschikt en de toegekende vergoeding daaraan ook daadwerkelijk besteedt. Appellante heeft echter te kennen gegeven dat zij die informatie niet wil verstrekken.
2.4.
Nu de gevraagde gegevens nodig waren om de aanvraag te kunnen beoordelen, mocht verweerder aan appellante verzoeken deze over te leggen. Dat appellante hieraan om haar moverende redenen geen gehoor heeft gegeven komt voor haar eigen risico. Dit betekent dat verweerder op grond van artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb bevoegd was de aanvraag buiten behandeling te laten.
2.5.
Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.
3. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

beslissing

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma, in tegenwoordigheid van C.A.E. Bon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 januari 2019.

(getekend) C.H. Bangma

(getekend) C.A.E. Bon

md