Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2019:67

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 10-01-2019. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 10-01-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2019:67, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 17/7087 WUV


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2019:67:DOC
nl

17


Datum uitspraak: 10 januari 2019

Centrale Raad van BeroepEnkelvoudige kamer
Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (verweerder)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A. Bierenbroodspot, advocaat, beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 18 oktober 2017, kenmerk BZ011118204 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 november 2018. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Bierenbroodspot. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel.

overwegingen

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellante, geboren in 1939, is vervolgde en uitkeringsgerechtigde in de zin van de Wuv. Aanvaard is dat zij psychische klachten heeft die in verband staan met de vervolging. Aan appellante zijn op grond van de Wuv verschillende voorzieningen toegekend. Bij besluit van 27 maart 2015 is aan appellante met ingang van 1 november 2014 een vergoeding toegekend voor opname en verblijf in het verzorgingshuis [naam verzorgingshuis 1] (Israël). Appellante is op 10 september 2015 verhuisd naar Israël. Op 27 januari 2016 is zij naar Nederland teruggekeerd en is sindsdien woonachtig in een aanleunwoning bij [naam verzorgingshuis 2] in [woonplaats].
1.2.
Een in mei 2016 ingediende aanvraag voor een voorziening voor huurbijdrage is afgewezen bij besluit van 17 juni 2016 op de grond dat de voorziening niet in verband staat met de psychische klachten van appellante maar voortvloeit uit haar financiële situatie, zodat geen sprake is van extra kosten in de zin van de Wuv.
1.3.
In april 2017 heeft appelante (opnieuw) verzocht om een vergoeding voor huurbijdrage. Dat verzoek is afgewezen bij besluit van 29 mei 2017, na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, op de grond dat de voorziening in verband met de psychische klachten niet medisch noodzakelijk is.
2. Naar aanleiding van wat partijen in beroep hebben aangevoerd, komt de Raad tot de volgende beoordeling.

2.1.
Verweerder hanteert het beleid - voor zover hier van belang - dat een vergoeding voor huurbijdrage kan worden toegekend als voortzetting van de bestaande huurovereenkomst op causale medische gronden noodzakelijk is en als enige mogelijkheid moet worden beschouwd, wat inhoudt dat er een causale contra-indicatie bestaat voor een verhuizing met name wegens een dreigende psychische decompensatie.
2.2.
Het standpunt van verweerder dat een medische noodzaak voor de gevraagde huurbijdrage ontbreekt, is in overeenstemming met de adviezen van een tweetal geneeskundig adviseurs. Deze adviezen berusten in hoofdzaak op informatie van de psychiater F. Jacobs (verbonden aan het Sinaï Centrum) bij wie appellante sinds maart 2017 onder behandeling is. Zo stelt Jacobs dat bij een verhuizing de angstklachten mogelijk zullen toenemen, gezien eerdere ervaringen met antisemitische uitingen in een vorige woonomgeving wat destijds reden was voor emigratie.
2.3.
Uit de beschikbare gegevens blijkt niet dat aan de verhuizing naar [naam verzorgingshuis 2] een medische noodzaak ten grondslag heeft gelegen. De keuze van appellante voor [naam verzorgingshuis 2] is gebaseerd op Joods-religieuze motieven. Zoals ter zitting ter sprake is geweest, bestaan er ook andere op het Joods geloof gestoelde verpleeg/verzorgingsinstellingen.
2.4.
In de voorhanden medische gegevens heeft de Raad verder onvoldoende aanknopingspunten gevonden om het in navolging van de medische adviseurs ingenomen standpunt van verweerder, inhoudende dat er geen contra-indicatie bestaat om te verhuizen, voor onjuist te houden. De Raad acht de in beroep overgelegde nadere verklaring van Jacobs, waarin deze psychater de verwachting uitspreekt dat een verhuizing de psychische balans van appellante ernstig zal verstoren in de vorm van ernstig toegenomen angsten, onvoldoende toereikend geacht om tot een ander oordeel te komen. Hierbij is van doorslaggevende betekenis dat de geneeskundig adviseur A.M. Ohlenschlager in haar nadere advies stelt dat de verergering van de psychische klachten al jaren geleden is ingezet, dat appellante in die jaren twee keer een grote (intercontinentale) verhuizing heeft meegemaakt en dat die verhuizingen niet tot zodanige psychische klachten hebben geleid dat daardoor een contra indicatie voor een verhuizing kan worden gesteld. Daarbij heeft Ohlenschlager de verwachting uitgesproken dat de verergering van de psychische klachten door de verhuizing tijdelijk zal zijn, maar niet dat er van een medische contra-indicatie kan worden gesproken. Dat brengt mee dat de voorziening voor een huurbijdrage terecht is afgewezen.
2.5.
Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.
3. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

beslissing

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma, in tegenwoordigheid van C.A.E. Bon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 januari 2019.

(getekend) C.H. Bangma

(getekend) C.A.E. Bon

md