Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2019:63

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 10-01-2019. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 10-01-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2019:63, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 18/3091 PW-V


Bron: Rechtspraak



Datum uitspraak: 10 januari 201918/3091 PW-VCentrale Raad van BeroepEnkelvoudige kamer

Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 6 juli 2017, 17/802 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Coevorden (college)

ECLI:NL:CRVB:2019:63:DOC
nl


Datum uitspraak: 10 januari 201918/3091 PW-VCentrale Raad van BeroepEnkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 6 juli 2017, 17/802 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Coevorden (college)

procesverloop

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van 18 september 2018 heeft de Raad het door appellante ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.

Appellante heeft verzet gedaan.

Het verzet is behandeld ter zitting van 13 november 2018. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar echtgenoot, [naam]. Het college heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

overwegingen

OVERWEGINGEN

De uitspraak van de Raad van 18 september 2018 berust op de overwegingen dat het hogerberoepschrift niet tijdig is ingediend en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellante niet in verzuim is geweest.

De laatste dag waarop tijdig een hogerberoepschrift kon worden ingediend, was 17 augustus 2017. Het hogerberoepschrift is op 4 juni 2018 ontvangen. De termijn voor het instellen van hoger beroep is daarmee - ruim - overschreden.
In verzet heeft appellante aangevoerd dat zij veel medische klachten heeft en vergeetachtig is. Hierdoor was zij niet in staat tijdig hoger beroep in te stellen. Haar echtgenoot werkt in het buitenland en is regelmatig zes weken weg voor zijn werk. Op het moment dat de aangevallen uitspraak werd ontvangen, was haar echtgenoot in het buitenland. Zij heeft hem wel over de uitspraak gesproken. Appellante wil haar dochter niet belasten en er is geen andere familie die appellante kan bijstaan.

De Raad ziet in het door appellante aangevoerde geen grond voor het oordeel dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Het had op de weg van appellante gelegen om hulp van derden in te schakelen, juist omdat zij zich ervan bewust was dat zij door de omstandigheden niet steeds in staat was haar belangen goed te behartigen. De Raad merkt daarbij op dat de echtgenoot van appellante op de hoogte was van de procedure bij de rechtbank en door appellante er van in kennis was gesteld dat de aangevallen uitspraak was ontvangen.

Dit betekent dat het verzet ongegrond wordt verklaard.

Voor een proceskostenveroordeling van het verzet is geen aanleiding.

beslissing

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door H.C.P. Venema, in tegenwoordigheid van M.A.E. Lageweg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 januari 2019.

(getekend) H.C.P. Venema

(getekend) M.A.E. Lageweg

LO