Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2019:62

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 10-01-2019. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 10-01-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2019:62, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 18/1066 Wajong


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2019:62:DOC
nl

18/1066 Wajong
Datum uitspraak: 10 januari 2019

Centrale Raad van BeroepMeervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 januari 2018, 14/394 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid) (Staat)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.H.J. van Geffen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 november 2018. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Geffen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Sluijs.

overwegingen

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellante, geboren [in] 1989, heeft van 1 januari 2009 tot 26 juni 2009 en van 9 juli 2009 tot 8 januari 2011 gewerkt als pedagogisch medewerkster bij [BV] De eerste periode voor 30 uur per week en later voor 24,10 uur per week. Op 4 maart 2011 heeft zij zich ziek gemeld met rug- en beenklachten. Op dat moment ontving zij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet. Bij besluit van 4 februari 2013 is vastgesteld dat appellante per 22 maart 2013 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), welk besluit bij beslissing op bezwaar van 11 juni 2013 is gehandhaafd. Hiertegen heeft appellante beroep ingesteld (13/3092 WIA). De rechtbank heeft aanleiding gezien psychiater A.M. van der Loo (deskundige) in te schakelen. De deskundige heeft op 20 februari 2015 en 17 augustus 2015 gerapporteerd. De rechtbank heeft bij uitspraak van 24 november 2015 vastgesteld dat de deskundige als diagnose heeft gesteld een dysthyme stoornis, chronische PTSS met verlaat begin, somatoforme stoornis NAO en paniekstoornis met agorafobie. De deskundige heeft niet kunnen instemmen met de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) die aan het WIA-besluit ten grondslag ligt. Voorts heeft de deskundige gemeend dat appellante op 22 maart 2013 niet in staat was om 30 uur per week te werken. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien de geraadpleegde deskundige niet te volgen. Onder het uitspreken van een proceskostenveroordeling, heeft de rechtbank het beroep van appellante gegrond verklaard, het bestreden besluit van 11 juni 2013 vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht en het Uwv opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen, met inachtneming van de uitspraak. De rechtbank heeft daarnaast de Staat veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding van € 1.000,- wegens het overschrijden van de redelijke termijn in de rechterlijke fase. Het Uwv heeft appellante vervolgens per 22 maart 2013 in aanmerking gebracht voor een WIA-uitkering.
1.2.
Appellante had inmiddels met een door het Uwv op 11 juli 2013 ontvangen formulier ook een aanvraag ingediend om ondersteuning bij werk en inkomen op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wajong 2010). Daarbij heeft zij aangegeven sinds 2001 een PTSS te hebben en bekend te zijn met angst- en paniekaanvallen. Appellante heeft een rapport van een psychiatrische expertise en een rapport van de behandelend psychiater overgelegd. In verband met deze aanvraag heeft zij het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft geconcludeerd dat het naar aanleiding van de laattijdige aanvraag door het ontbreken van originele broninformatie over het zeventiende en achttiende levensjaar van appellante niet mogelijk is de belastbaarheid vast te stellen. Het Uwv heeft bij besluit van 14 augustus 2013 geweigerd appellante een Wajong-uitkering toe te kennen, op de grond dat niet kan worden vastgesteld of appellante op de dag dat zij achttien jaar werd arbeidsongeschikt is geweest.
1.3.
Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 10 december 2013 (bestreden besluit 1) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag. Daarin heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geconcludeerd dat niet aannemelijk is dat appellante een jaar voor september 2007 een psychische stoornis had, die beperkingen in het functioneren gaf. Appellante heeft beroep ingesteld tegen bestreden besluit 1. Op verzoek van appellante is het onderzoek ter zitting van 2 april 2014 bij de rechtbank geschorst, omdat appellante het in de WIA-procedure te verwachten deskundigenrapport wilde inbrengen in de Wajongprocedure. Op 12 augustus 2015 heeft appellante het deskundigenrapport overgelegd.
1.4.
Op 19 augustus 2016 heeft de rechtbank een tussenuitspraak gedaan. In haar tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat bestreden besluit 1 onvoldoende is gemotiveerd. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien de in het kader van de WIA-procedure geraadpleegde deskundige niet te volgen, waar die zich op het standpunt heeft gesteld dat er ten tijde van het zeventiende en achttiende levensjaar van appellante sprake was van een PTSS en een somatoforme stoornis. De enkele omstandigheid dat appellante daarna stages heeft gedaan en diploma’s heeft gehaald, is volgens de rechtbank onvoldoende om aan te kunnen nemen dat appellante geen beperkingen ondervond van de bestaande psychische stoornis. Daarnaast heeft het Uwv zich volgens de rechtbank ten onrechte op het standpunt gesteld dat er geen aanleiding bestond voor een beoordeling op grond van het tweede lid van artikel 2:3, van de Wajong 2010, omdat voor een dergelijke beoordeling niet bepalend is of de zogeheten wachttijd is vervuld. De rechtbank heeft het Uwv in de gelegenheid gesteld het geconstateerde motiveringsgebrek in het bestreden besluit te herstellen.
1.5.
Bij besluit van 17 februari 2017 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 14 augustus 2013 alsnog gegrond verklaard en vastgesteld dat appellante met ingang van 25 september 2013 recht heeft op een Wajong-uitkering. Aan bestreden besluit 2 liggen ten grondslag een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep, een FML, geldig vanaf 25 september 2013, en een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep. De conclusie uit deze rapporten is dat appellante volledig arbeidsongeschikt is in de zin van de Wajong 2010. Appellante heeft vervolgens tegen bestreden besluit 2 aangevoerd dat niet volledig aan haar bezwaren is tegemoet gekomen, omdat zij geen arbeidsmogelijkheden heeft en haar arbeidsbeperkingen duurzaam zijn.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit 1 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het beroep tegen het bestreden besluit 2 ongegrond verklaard, de Staat veroordeeld tot het betalen van € 1.000,- aan schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn en het Uwv veroordeeld tot het betalen van wettelijke rente over de na te betalen Wajong-uitkering.

2.1.
De rechtbank heeft vastgesteld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 28 maart 2017 heeft gesteld dat er voor appellante behandelopties zijn, gericht op de actuele psychiatrische symptomen en verdere behandeling gericht op de onderliggende persoonlijkheidsproblematiek bijvoorbeeld via het NPI. Daartoe heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep verwezen naar de brief van 17 augustus 2015 van de deskundige, waarin deze te kennen heeft gegeven dat hij niet uitsluit dat tijdens of na het behandeltraject een herziening van de mate van arbeidsongeschiktheid mogelijk kan zijn. De rechtbank heeft vervolgens vastgesteld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in een rapport van 16 oktober 2017 heeft uiteengezet dat de onderliggende persoonlijkheidsproblematiek de reden kan zijn dat de behandelingen gericht op de aandoeningen van appellante tot nu toe niet succesvol zijn geweest. Daarom heeft de deskundige geadviseerd daarnaar verder onderzoek te doen bij appellante en daarop een gerichte behandeling toe te passen in combinatie met of gevolgd door een behandeling voor de psychiatrische symptomen. Een dergelijke behandeling is gericht op verbetering van het functioneren en dit kan zich volgens de deskundige ook vertalen in een herziening van de mate van arbeidsongeschiktheid. Er zijn daarom volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep behandelmogelijkheden die zijn gericht op verbetering van de functionele mogelijkheden. De rechtbank heeft geconcludeerd dat het Uwv hiermee voldoende heeft gemotiveerd dat geen sprake is van duurzame arbeidsongeschiktheid. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien de deskundige vragen over de duurzaamheid voor te leggen.
2.2.
De schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft de rechtbank berekend op € 1.000,-. Daarbij heeft de rechtbank rekening gehouden met de omstandigheid dat het onderzoek ter zitting van 2 april 2014 op verzoek van appellante is geschorst om het in de WIA-procedure verwachte deskundigenrapport te kunnen inbrengen in de Wajongprocedure. Dit rapport is bij brief van 12 augustus 2015 door appellante overgelegd. De rechtbank heeft geoordeeld dat de periode van 2 april 2014 tot 12 augustus 2015 in mindering moet worden gebracht op de totale duur van de procedure.
3.1.
Appellante heeft in hoger beroep staande gehouden dat zij niet alleen volledig, maar ook duurzaam arbeidsongeschikt is. De conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat geen sprake is van duurzame arbeidsbeperkingen is volgens appellante niet deugdelijk onderbouwd. Appellante heeft gesteld dat het Uwv had moeten onderzoeken of zij niet tot het verrichten van betaalde arbeid in staat is, nu niet en in de toekomst niet, ook niet met behulp van ondersteuning in de vorm van beschut werk. Appellante heeft de Raad verzocht de deskundige aanvullende vragen te stellen dan wel een andere deskundige te benoemen om aanvullend onderzoek te verrichten. Het hoger beroep is ook gericht tegen de hoogte van de schadevergoeding in verband met het overschrijden van de redelijke termijn. De rechtbank heeft volgens appellante ten onrechte een periode van één jaar en vier maanden in mindering gebracht op de totale duur van overschrijding van de redelijke termijn.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.
De eerste vraag die voorligt is of het Uwv appellante terecht niet als duurzaam arbeidsongeschikt als bedoeld in de Wajong 2010 heeft aangemerkt.
4.2.
Op grond van artikel 2:4, eerste lid, van de Wajong 2010 is volledig en duurzaam arbeidsongeschikt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid niet meer te verdienen dan 20% van het maatmaninkomen. Op grond van het tweede lid wordt onder duurzaam verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie en het blijvend ontbreken van mogelijkheden tot arbeidsparticipatie. Op grond van het derde lid wordt onder medisch stabiele of verslechterende situatie mede verstaan een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat.
4.3.
Over de vraag wat moet worden verstaan onder volledig en duurzaam arbeidsongeschikt in de zin van artikel 2:4, eerste lid, van de Wajong 2010 heeft de Raad eerder overwogen (zie ECLI:NL:CRVB:2018:615) dat de Wajong 2010 in vergelijking met de Wet WIA met het oog op een strikte interpretatie van het begrip duurzaamheid een aanvullende voorwaarde kent. Voor de vraag of de bij de verzekerde vastgestelde volledige arbeidsongeschiktheid duurzaam is, moet op grond van artikel 2:4, tweede lid, van de Wajong 2010 worden voldaan aan de voorwaarde dat sprake is van een situatie van het blijvend ontbreken van mogelijkheden tot arbeidsparticipatie, waaronder moet worden verstaan dat de verzekerde niet tot het verrichten van betaalde arbeid in staat is, nu niet en in de toekomst niet, ook niet na of met behulp van ondersteuning of in de vorm van beschut werk.
4.4.
De onder 2.1 weergegeven beoordeling door de verzekeringsarts bezwaar en beroep sluit aan bij de conclusies van de deskundige, die heeft weergegeven dat een behandeling van de onderliggende persoonlijkheidsproblematiek tot op heden niet heeft plaatsgevonden en dat een behandeling, gericht op deze persoonlijkheidsproblematiek de focus zou kunnen zijn, aangevuld met kortdurende behandeling voor de psychiatrische symptomen van appellante. De deskundige heeft daarbij te kennen gegeven, dat gedurende een behandeltraject een herziening van de mate van arbeidsongeschiktheid mogelijk is, op geleide van verbetering van de klachten. De rechtbank wordt daarom gevolgd in het oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de volledige arbeidsongeschiktheid van appellante ten tijde van belang niet ook duurzaam was.
4.5.
Het betoog dat de schadevergoeding wegens het overschrijden van de redelijke termijn te laag is vastgesteld slaagt niet. De WIA- en de Wajongprocedure hadden in belangrijke mate betrekking op dezelfde kwestie, namelijk de arbeidsbeperkingen van appellante en de daaruit medio 2013 voortvloeiende uitkeringsrechten van appellante. Het ging om een samenstel van besluiten die hebben geleid tot deels parallel lopende procedures. Van extra spanning en frustratie, die aanleiding zou moeten geven voor een hogere schadevergoeding dan door de rechtbank vastgesteld, is dan ook geen sprake.
5. De overwegingen in 4.2 tot en met 4.5 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Dit betekent dat er geen grond is voor toekenning van de gevraagde schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente.
6. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding
beslissing

BESLISSING

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van wettelijke rente af.
De Centrale Raad van Beroep

Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman als voorzitter en D. Hardonk-Prins en S. Wijna als leden, in tegenwoordigheid van Y. Azirar als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 januari 2019.
(getekend) E.W. Akkerman

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

GdJ