Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2019:61

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 10-01-2019. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 02-01-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2019:61, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 17/8257 WIA


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2019:61:DOC
nl

17


Datum uitspraak: 2 januari 2019

Centrale Raad van BeroepEnkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 10 november 2017, 16/1495 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S.M.M. Teklenburg, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 november 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Teklenburg. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door L. den Hartog.

overwegingen

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant is op 11 januari 2010 uitgevallen uit zijn functie van vakbondconsulent wegens nekklachten en hoofpijn. Na enige tijd heeft hij deze functie deels hervat. Na afloop van de wachttijd is bij besluit van 16 december 2011 vastgesteld dat appellant met ingang van 9 januari 2012 geen recht heeft op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Na een herbeoordeling is bij besluit van 20 mei 2014 vastgesteld dat appellant met ingang van 26 maart 2014 recht heeft op een loongerelateerde WIA-uitkering, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 63,38%.
1.2.
Met een aanvraag van 4 maart 2015 heeft appellant verzocht om een herbeoordeling omdat hij volgens de bedrijfsarts, therapeuten en hemzelf geschikt is om voor vijftien uur per week zijn eigen werk te verrichten. Naar aanleiding van deze aanvraag is appellant op 20 oktober 2015 op het spreekuur van een verzekeringsarts onderzocht. In een rapport van 27 oktober 2015 heeft deze verzekeringsarts vastgesteld dat er bij appellant sprake is van pijnklachten in nek, schouders en armen. Tevens krijgt appellant last van hoofdpijn bij vermoeidheid. Daarnaast is vastgesteld dat appellant zich bij te veel belasting niet goed kan concentreren. De uit deze klachten voortvloeiende beperkingen heeft de verzekeringsarts weergegeven in twee Functionele Mogelijkhedenlijsten (FML) van respectievelijk 27 oktober 2015 en 10 november 2015. De op 27 oktober 2015 vastgestelde FML is geldig vanaf 4 maart 2015 (datum verzoek herbeoordeling) en de op 10 november 2015 vastgestelde FML is geldig vanaf 20 oktober 2015 (datum herbeoordeling). Vervolgens is een arbeidsdeskundige in een rapport van 10 november 2015 tot de conclusie gekomen dat appellant zowel met ingang van 4 maart 2015 als met ingang van 20 oktober 2015 geschikt is voor zijn eigen werk van vakbondsconsulent. Daarnaast heeft zij een schatting verricht op basis van theoretische functies, waarbij zij de mate van arbeidsongeschiktheid met ingang van 4 maart 2015 en 20 oktober 2015 heeft berekend op respectievelijk 28,40% en 28,86%. Bij besluit van 11 november 2015 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant met ingang van 26 april 2016 geen recht meer heeft op een WIA-uitkering.
1.3.
Het door appellant tegen het besluit van 11 november 2016 gemaakte bezwaar is, in overeenstemming met een rapport van 23 februari 2016 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een rapport van 15 april 2016 van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, bij een beslissing op bezwaar van 21 april 2016 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2.1.
In beroep heeft appellant gesteld dat zijn medische beperkingen zijn onderschat en dat hij minder belastbaar is dan het Uwv heeft aangenomen. Het Uwv heeft ten onrechte vastgesteld dat hij zijn eigen werk fulltime kan verrichten. Ter ondersteuning van dit standpunt heeft appellant nadere medische informatie ingebracht waaronder een neuropsychologisch rapport van de klinisch psycholoog A. Dierckx en een verklaring van 16 juni 2017 van de neuroloog dr. A.E. Boon.
2.2.
Het Uwv heeft een tweetal rapporten van 26 april 2017 en 4 juli 2017 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep ingebracht waarin is gereageerd op de door appellant ingebrachte medische informatie.
3. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv een zorgvuldig verzekeringsgeneeskundig onderzoek heeft verricht. Daartoe is overwogen dat de verzekeringsarts de dossiergegevens heeft bestudeerd, een anamnese heeft afgenomen en appellant heeft gezien op het spreekuur, waarbij een lichamelijk en observerend psychisch onderzoek heeft plaatsgevonden. Voorts heeft de verzekeringsarts het door appellant overgelegde rapport van neuropsycholoog drs. D. Smit en klinisch psycholoog dr. E.J.T. Matser kenbaar betrokken bij zijn beoordeling. Daarnaast is overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep appellant heeft gezien op de hoorzitting van 23 februari 2016, waarbij eveneens een medisch (lichamelijk en observerend psychisch) onderzoek heeft plaatsgevonden. Voorts heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om te oordelen dat het Uwv de belastbaarheid onjuist heeft ingeschat. Appellant is bekend met lichamelijke en psychische klachten en er is geen reden om aan te nemen dat het Uwv de hiermee verband houdende (objectiveerbare) beperkingen heeft onderschat. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft gemotiveerd uiteengezet waarom er geen aanleiding is om een urenbeperking aan te nemen. Voorts heeft deze arts wel enige cognitieve beperkingen geconstateerd die een minder snelle informatieverwerking verklaren maar deze zijn niet zodanig dat appellant niet in staat kan worden geacht om werkzaamheden te verrichten die een normaal belastingniveau niet te boven gaan. Daarbij is in overweging genomen dat in de FML de fysiek zwaardere belastende factoren in voldoende mate zijn afgegrensd. De door appellant in beroep overgelegde medische informatie heeft de rechtbank niet tot een ander oordeel kunnen leiden. Ten slotte heeft de rechtbank geen grond gezien voor het oordeel dat, uitgaande van de bij appellant vastgestelde beperkingen, zijn eigen werk als vakbondsconsulent alsmede de geduide functies niet geschikt voor hem zijn. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
4.1.
In hoger beroep heeft appellant gesteld dat de verzekeringsartsen ten onrechte geen informatie hebben ingewonnen bij de bedrijfsarts. In de door appellant overgelegde verklaringen van 17 november 2014 en 15 december 2014 heeft deze bedrijfsarts uitdrukkelijk te kennen gegeven dat appellant slechts voor 15 uur per week zijn eigen werk van vakbondsconsulent kan verrichten. Voorts heeft hij naar voren gebracht dat er sprake is van een consistent, consequent en samenhangend patroon van klachten en beperkingen welke op basis van het MAOC-criterium hadden dienen te leiden tot het aannemen van meer beperkingen dan thans het geval is geweest. Ter ondersteuning van zijn standpunt dat hij meer beperkingen heeft, heeft hij nog nadere medische informatie ingebracht.
4.2.
Het Uwv heeft in hoger beroep een nader rapport van 23 april 2018 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep overgelegd.
5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.
Het oordeel van de rechtbank dat het Uwv een zorgvuldig medisch onderzoek heeft ingesteld en de overwegingen die de rechtbank tot dit oordeel hebben gebracht worden geheel onderschreven. De grond van appellant dat de verzekeringsartsen geen informatie hebben ingewonnen bij de bedrijfsarts leidt niet tot een ander oordeel. In zijn verzoek van 4 maart 2015 heeft appellant reeds aangegeven dat hij in zijn standpunt, dat hij voor 15 uur geschikt is voor zijn eigen werk, wordt ondersteund door de bedrijfsarts. De verzekeringsartsen waren daarom bij hun beoordeling op de hoogte van dit standpunt van de bedrijfsarts. Daar komt bij dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 23 februari 2016 is ingegaan op de vraag of voor appellant een urenbeperking zou moeten gelden. Deze grond van appellant kan dan ook niet leiden tot de conclusie dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest.
5.2.
Het oordeel van de rechtbank dat er geen reden is om aan te nemen dat het Uwv de belastbaarheid van appellant onjuist heeft ingeschat, wordt eveneens onderschreven. In de voor appellant vastgestelde FML-en is appellant beperkt geacht voor trillingsbelasting, frequent reiken tijdens het werk, boven schouderhoogte actief zijn en het hoofd in een bepaalde stand houden tijdens het werk (geen langdurige statische belasting van de nek). Op grond van de beschikbare medische gegevens kan niet worden vastgesteld dat met deze beperkingen de beperkingen van appellant zijn onderschat. Daartoe wordt verwezen naar het rapport van 4 februari 2016 van de neuroloog dr. H.J.J.A. Bernsen en de verklaring van de neuroloog dr. A.E. Boon van 16 juni 2017, waaruit blijkt dat de klachten van appellant niet terug te voeren zijn op objectieve neurologische afwijkingen en dat van een neurologische stoornis geen sprake is. Het door de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 23 april 2018 ingenomen standpunt dat er geen medische onderbouwing is voor het vaststellen van beperkingen op grond van niet of minder te objectiveren klachten, ook al worden deze consequent en consistent gepresenteerd en lijkt er sprake van een samenhangend klachtenpatroon, kan evenmin voor onjuist worden gehouden. Van een eensluidend standpunt van medici dat er bij appellant sprake is van meer beperkingen dan zijn vastgesteld, waaronder cognitieve beperkingen, is geen sprake. Het beroep van appellant op het MAOC-criterium kan dan ook niet slagen. Ten slotte wordt met de rechtbank geoordeeld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep (in zijn rapport van 23 februari 2016) voldoende heeft uiteengezet waarom er geen aanleiding is appellant in aanmerking te brengen voor een urenbeperking. Het vorenstaande betekent dat het bestreden besluit op een deugdelijke medische grondslag berust.
5.3.
Het oordeel van de rechtbank dat appellant, uitgaande van de belastbaarheid zoals die voor appellant is vastgesteld in de FML-en, in medisch opzicht geschikt moet worden geacht voor zijn eigen werk van vakbondsconsulent wordt eveneens onderschreven. Daarvoor wordt verwezen naar het rapport van de arbeidsdeskundige van 10 november 2015, waarin zij heeft uiteengezet dat de voor appellant vastgestelde fysieke beperkingen in deze functie niet aan de orde zijn. Het is een overwegend zittende functie waarin gesprekken met klanten worden gevoerd en waarin administratieve taken moeten worden verricht.
5.4.
Gelet op de overwegingen 5.1 tot en met 5.3 slaagt het hoger beroep niet en moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd.
6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

beslissing

BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door L.J.M. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van W.M. Swinkels als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op2 januari 2019.
(getekend) L.J.M. Hilhorst-Hagen

(getekend) W.M. Swinkels

md