Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2019:59

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 10-01-2019. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 02-01-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2019:59, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 17/6043 WW


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2019:59:DOC
nl

17


Datum uitspraak: 2 januari 2019

Centrale Raad van BeroepEnkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 7 augustus 2017, 17/2803 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 november 2018. Appellante is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Z. Seyban.

overwegingen

OVERWEGINGEN

1.1.
In een besluit van 17 mei 2013 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante per 30 mei 2013 geen recht heeft op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen (Wet WIA). In een besluit van 3 september 2013 is het bezwaar van appellante tegen dit besluit ongegrond verklaard. Met de uitspraak van de Raad van 21 oktober 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:4008) zijn de rechtsgevolgen van het besluit van 3 september 2013 in stand gelaten.
1.2.
Nadat aanvragen van appellante om een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) met ingang van 21 augustus 2013 waren afgewezen heeft appellante op 19 december 2013 een WW-uitkering aangevraagd per 1 april 2013. Het Uwv heeft in een besluit van 24 december 2013 vastgesteld dat appellante per 1 april 2013 geen WW-uitkering kan krijgen, omdat zij toen nog een uitkering op grond van de Ziektewet ontving en dat zij evenmin recht heeft op een WW-uitkering per 30 mei 2013. Daaraan heeft het Uwv ten grondslag gelegd dat appellante in de periode van 30 mei 2013 tot 21 augustus 2013 niet beschikbaar was voor werk. Appellante heeft tegen dit besluit geen rechtsmiddel aangewend.
1.3.
In een besluit van 20 januari 2014 heeft het Uwv op een nieuwe WW-aanvraag van appellante beslist dat zij geen recht heeft op een WW-uitkering per 31 mei 2013. Daaraan heeft het Uwv ten grondslag gelegd dat met het besluit van 24 december 2013 al is beslist over appellantes recht op WW-uitkering. Omdat niet is gebleken van nieuwe feiten en omstandigheden wordt dit besluit gehandhaafd. Appellante heeft tegen dit besluit geen rechtsmiddel aangewend.
1.4.
Appellante heeft op 26 oktober 2016 opnieuw een WW-aanvraag ingediend. Daarin heeft zij verzocht haar met ingang van 1 juni 2013 in aanmerking te brengen voor een WW-uitkering.
1.5.
Het Uwv heeft in een besluit van 9 november 2016 de WW-aanvraag van appellante afgewezen omdat niet is gebleken dat appellante in de 36 weken voor het intreden van haar werkloosheid in ten minste 26 weken werkzaamheden heeft verricht. Bij beslissing op bezwaar van 29 maart 2017 (bestreden besluit) heeft het Uwv met wijziging van de motivering het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Het Uwv heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat de aanvraag van appellante moet worden aangemerkt als een verzoek om terug te komen van het besluit van 24 december 2013, maar dat zij geen nieuwe feiten en omstandigheden heeft aangevoerd.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het Uwv de aanvraag terecht heeft aangemerkt als een verzoek om terug te komen van het besluit van 24 december 2013. Met het Uwv is de rechtbank van oordeel dat appellante bij haar aanvraag, noch in bezwaar nieuwe feiten en omstandigheden naar voren heeft gebracht. Appellante heeft in het bijzonder niets aangevoerd over de vraag of zij vanaf 30 mei 2013 beschikbaar was voor werk. Aangezien appellante geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd mocht Uwv het verzoek van appellante afwijzen onder verwijzing naar het eerdere besluit van 24 december 2013.

3.1.
Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat zij, gelet op haar arbeidsverleden van tien jaar, recht heeft op een WW-uitkering. Het Uwv heeft de WW-uitkering naar haar mening zonder enige geldige gegronde reden afgewezen. Appellante heeft tevens gesteld dat het Uwv het bestreden besluit in strijd met de algemene beginselen van bestuur, in het bijzonder het zorgvuldigheidsbeginsel, motiveringsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel heeft genomen. Verder heeft appellante verzocht om vergoeding van de wettelijke rente.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.4.1. In artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de aanvraag kan afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.

4.2.
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het Uwv het verzoek van appellante van 26 oktober 2016 mocht opvatten als een verzoek, dat ertoe strekt dat het Uwv terugkomt van zijn besluit van 24 december 2013, waarbij het Uwv heeft vastgesteld dat appellante geen recht heeft op een uitkering op grond van de WW per 30 mei 2013 omdat appellante van 30 mei 2013 tot 21 augustus 2013 niet beschikbaar was voor het aanvaarden van arbeid. Dat appellante in haar verzoek van 26 oktober 2016 als eerste werkloosheidsdag 1 juni 2013 heeft genoemd maakt dit niet anders, omdat die datum binnen de genoemde periode valt. Het Uwv heeft toepassing gegeven aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb.
4.3.
Vooropgesteld moet worden dat in deze zaak geen aanleiding bestaat toepassing te geven aan de rechtspraak betreffende duuraanspraken, zoals deze onder meer is weergegeven in de uitspraak van 14 januari 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:1) en herhaald in de uitspraak van 16 december 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:4388). Omdat ten tijde van appellantes verzoek het tijdvak waarover op grond van artikel 42 van de WW aan haar uitkering zou kunnen worden verstrekt, reeds voorbij was kan een beoordeling over eventuele aanspraken voor de toekomst in deze procedure niet aan de orde komen.

4.4.
Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is (zie de uitspraak van de Raad van 27 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5115).
4.5.
Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.
4.6.
Appellante heeft ter onderbouwing van haar verzoek gesteld dat zij op grond van haar arbeidsverleden van tien jaar recht heeft op een WW-uitkering. Appellante heeft voorts gesteld dat het Uwv haar ten onrechte niet op de hoogte heeft gesteld van de vereisten waaraan zij moet voldoen om in aanmerking te komen voor een WW-uitkering. Zo was het appellante niet duidelijk dat zij zich beschikbaar moest stellen voor de arbeidsmarkt, ondanks het feit dat ze vanwege ziekte niet in staat was werkzaamheden te verrichten.
4.7.
Hetgeen appellante heeft aangevoerd kan niet worden aangemerkt als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb.

4.8.
Het Uwv mocht het verzoek van appellante van 26 oktober 2016 dan ook afwijzen met verwijzing naar zijn besluit van 24 december 2013. In wat appellante heeft aangevoerd wordt geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit evident onredelijk is. De beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt is een wettelijk vereiste voor het doen ontstaan van het recht op WW-uitkering. Dat appellante een lang arbeidsverleden heeft doet hieraan niet aan af. Nu appellante te kennen heeft gegeven dat deze beschikbaarheid ontbrak en dit niet anders zou zijn geweest als zij van het beschikbaarheidsvereiste op de hoogte was geweest, kan reeds hierom geen sprake zijn van een evident onredelijk besluit.
4.9.
Uit 4.1 tot en met 4.8 volgt dat het hoger beroep van appellante niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Het verzoek om schadevergoeding wordt daarom afgewezen.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

beslissing

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van de wettelijke rente af.

Deze uitspraak is gedaan door B.M. van Dun, in tegenwoordigheid van R.P.W. Jongbloed als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 januari 2019.

(getekend) B.M. van Dun

(getekendR.P.W. Jongbloed

md