Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2019:57

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 10-01-2019. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 02-01-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2019:57, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 17/1800 ZW


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2019:57:DOC
nl

17


Datum uitspraak: 2 januari 2019

Centrale Raad van BeroepEnkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 10 februari 2017, 16/3589 (aangevallen uitspraak)
Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G. Ӧzveren, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 november 2018. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.C. Geldof.

overwegingen

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als lader en losser voor 48,38 uur per week. Op 5 augustus 2014 heeft hij zich, vanuit de situatie waarin hij een uitkering ontving op grond van de Werkloosheidswet (WW), ziek gemeld met fysieke klachten na een hartinfarct. Appellant heeft naast zijn fysieke klachten ook psychische klachten ontwikkeld. Het Uwv heeft appellant in aanmerking gebracht voor ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW).
1.2.
In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) hebben een verzekeringsgeneeskundig onderzoek en een arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 27 juli 2015 vastgesteld dat appellant per 5 september 2015 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat hij meer dan 65% kon verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Appellant werd niet meer in staat geacht tot het verrichten van zijn arbeid als lader en losser, maar wel tot het vervullen van diverse andere functies. Met de beslissing op bezwaar van 4 januari 2016 is dit standpunt gehandhaafd en is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 27 juli 2015 ongegrond verklaard.
1.3.
Het Uwv heeft appellant vervolgens weer in aanmerking gebracht voor een WW-uitkering. Appellant heeft zich op 21 januari 2016 opnieuw ziek gemeld met dezelfde medische klachten. In verband hiermee heeft hij op 26 februari 2016 het spreekuur bezocht van een arts van het Uwv. Deze arts heeft appellant per 29 februari 2016 geschikt geacht voor de in het kader van de EZWb geselecteerde functies van productiemedewerker industrie, productiemedewerker metaal en electrotechnische industrie en medewerker tuinbouw. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 26 februari 2016 vastgesteld dat appellant per 29 februari 2016 geen recht meer heeft op ziekengeld. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij beslissing op bezwaar van 10 mei 2016 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 9 mei 2016 ten grondslag.
2.1.
In beroep heeft appellant aangevoerd dat hij door zijn medische klachten niet in staat was tot het verrichten van de maatgevende arbeid. Het Uwv heeft hierop gereageerd met een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 19 juli 2016.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat er geen aanknopingspunten aanwezig zijn om het onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende zorgvuldig te achten. Er is ook geen reden om te twijfelen aan de bevindingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, waarbij geconcludeerd is dat appellant geschikt is voor ten minste een van de functies die in het kader van de EZWb zijn geselecteerd.
2.3.
De rechtbank heeft verder overwogen dat de klachten van appellant bekend waren en betrokken zijn in het onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De paniekaanvallen en de claustrofobie zijn meegewogen en er is rekening gehouden met de behandeling bij i-psy. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft volgens de rechtbank inzichtelijk gemaakt dat de aan eiser voorgeschreven medicatie niet te zwaar is en de gestelde sufheid en concentratieproblemen niet kan verklaren. Ook heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep volgens de rechtbank overtuigend gemotiveerd dat geen sprake is van argumenten voor het aannemen van een verminderde arbeidsduur. De stelling van appellant, dat de functies die in het kader van de EZWb zijn geselecteerd ten onrechte als fysiek licht van aard zijn gekwalificeerd en de beperkingen van appellant overschrijden, slaagt niet. Uit wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen volgt dat deze functies geschikt zijn voor appellant.
3.1.
In hoger beroep heeft appellant herhaald dat hij medisch niet in staat is tot het verrichten van de maatgevende arbeid.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.
Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Deze regel lijdt in dit geval in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na 52 weken ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de EZWb. Het gaat daarbij om elk van deze functies afzonderlijk, zodat het voldoende is wanneer de hersteldverklaring wordt gedragen door ten minste een van de geselecteerde functies (zie de uitspraak van de Raad van 22 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1225).
4.2.
De hogerberoepsgronden van appellant vormen in essentie een herhaling van de gronden die hij in beroep bij de rechtbank naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft deze gronden volledig en voldoende gemotiveerd besproken. De Raad onderschrijft de overwegingen en het oordeel van de rechtbank volledig en maakt deze tot de zijne.
5. Uit overwegingen 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
beslissing

BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris, in tegenwoordigheid van S.L. Alves als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 januari 2019.

(getekend) A.I. van der Kris

(getekend) S.L. Alves

rh