Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2019:470

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 13-02-2019. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 07-02-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2019:470, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 16/2967 ZW


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2019:470:DOC
nl

16


Datum uitspraak: 7 februari 2019

Centrale Raad van BeroepEnkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 24 maart 2016, 15/3159 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J. van Haarlem, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Beide partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 december 2017. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Haarlem. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door L. den Hartog. Tevens was aanwezig E. Battaloglu als tolk.

Na de behandeling van de zaak ter zitting is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest en is het onderzoek heropend. De Raad heeft verzekeringsarts L. Greveling‑Fockens, benoemd als deskundige. Greveling‑Fockens heeft op 23 augustus 2018 een rapport uitgebracht.

Het Uwv heeft naar aanleiding van het rapport van de deskundige nadere stukken ingebracht.

Partijen hebben desgevraagd niet verklaard gebruik te willen maken van het recht op een nadere zitting te worden gehoord, waarna de Raad het onderzoek heeft gesloten.

overwegingen

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als hulpkok. Zij heeft zich op 14 maart 2014 ziek gemeld met psychische klachten, astma en migraine. Haar dienstverband is op 1 februari 2014 geëindigd. Het Uwv heeft appellante in aanmerking gebracht voor ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW).
1.2.
In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) heeft een verzekeringsarts van het Uwv appellante op 12 januari 2015 gezien. Deze arts heeft appellante belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 12 januari 2015. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet in staat is haar eigen werk te verrichten, vervolgens vier functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen berekend dat appellante nog 66,75% van haar zogeheten maatmaninkomen zou kunnen verdienen. Het Uwv heeft bij besluit van 11 februari 2015 vastgesteld dat appellante met ingang van 14 april 2015 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat zij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 11 september 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft een van de geduide functies niet geschikt geacht voor appellante en haar resterende verdiencapaciteit berekend op 68,89%, dus meer dan 65%.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe is overwogen dat er bij appellante geen sprake is van een situatie van geen benutbare mogelijkheden. Appellante is niet opgenomen in een ziekenhuis of AWBZ‑instelling, is niet bedlegerig, is niet ADL‑afhankelijk en heeft geen onvermogen tot persoonlijk en sociaal functioneren op grond van een ernstige psychische stoornis. Met de klachten van appellante is voldoende rekening gehouden in de medische beoordeling ten tijde van de datum in geding. Dat appellante door de gemeente waarin zij woont is vrijgesteld van sollicitatieplicht, is in deze procedure niet van belang. Uitgaande van de juistheid van de vastgestelde beperkingen zijn de geduide functies passend en geschikt te achten.

3.1.
In hoger beroep heeft appellante herhaald dat zij niet in staat is arbeid te verrichten. Zij heeft psychische klachten, astma en migraine. De verzekeringsarts en verzekeringsarts bezwaar en beroep hebben haar klachten niet juist ingeschat.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.
Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW heeft een verzekerde zonder werkgever, na 52 weken ongeschiktheid tot werken, recht op ziekengeld als hij nog steeds ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid en hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van artikel 19aa, vijfde lid, van de ZW wordt onder het maatmaninkomen verstaan hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan met arbeid gewoonlijk verdienen. Op grond van artikel 19ab, eerste en derde lid, van de ZW wordt het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen, bedoeld in artikel 19aa van de ZW, vastgesteld op basis van een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek en wordt onder arbeid als bedoeld in artikel 19aa van de ZW verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe een verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Voor de beoordelingssystematiek waarmee de verdiencapaciteit na het eerste ziektejaar wordt bepaald, wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de huidige uitvoeringssystematiek van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, waarbij aan de hand van geschikte functies wordt vastgesteld of de betrokkene beschikt over resterende verdiencapaciteit (zie de uitspraak van de Raad van 30 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4920).
4.2.
Omdat twijfel bestond over de juistheid van de medische beoordeling van de klachten van appellante, heeft de Raad het aangewezen geacht zich te laten adviseren door een onafhankelijk deskundige en heeft verzekeringsarts Greveling‑Fockens als zodanig benoemd. In het rapport van 23 augustus 2018 heeft zij onder meer geconcludeerd dat appellante op de datum in geding beperkingen ondervond. De FML is niet op alle onderdelen juist ingevuld. Naast de door de verzekeringsarts genoemde beperkingen, is appellante beperkt voor blootstelling aan rook, gassen en dampen.
4.3.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft na bestudering van dit rapport aanleiding gezien om een nieuwe FML, gedateerd 18 september 2018, op te stellen. Deze FML is op één punt aangepast, in die zin dat appellante nu ook beperkt is geacht op het onderdeel “blootstelling aan rook, gassen en dampen” zoals door de deskundige is geconcludeerd. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep beoordeeld of de gewijzigde FML consequenties heeft voor de arbeidskundige grondslag van de beslissing. In het rapport van 21 september 2018 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep vastgesteld dat de functies onveranderd passend zijn.
4.4.
Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige volgt als de motivering van deze deskundige hem overtuigend voorkomt. De Raad is van oordeel dat deze situatie zich hier voordoet. Het rapport van de deskundige geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent gemotiveerd. De conclusies van de deskundige berusten op een voldoende uitgebreid en zorgvuldig onderzoek en zijn overtuigend gemotiveerd, aan de hand van een relevant medisch onderzoek en kennisneming van de over appellante beschikbare medische informatie.
4.5.
De Raad stelt vast dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de conclusie van de deskundige geheel en op juiste wijze heeft overgenomen in de FML van 18 september 2018. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens overtuigend gemotiveerd dat de voor appellante geselecteerde functies ondanks de gewijzigde FML, geschikt zijn. Hieruit volgt dat de ZW-uitkering per 14 april 2015 terecht is beëindigd.
5. De overwegingen in 4.2 tot en met 4.5 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Omdat pas in hoger beroep een afdoende medische en arbeidskundige onderbouwing aan het bestreden besluit ten grondslag is gelegd, is er reden het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 1.024,- in hoger beroep.

beslissing

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

Deze uitspraak is gedaan door A.T. de Kwaasteniet, in tegenwoordigheid van M.A.A. Traousis als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 februari 2019.

(getekend) A.T. de Kwaasteniet

(getekend) M.A.A. Traousis

md

-

bevestigt de aangevallen uitspraak;

veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.024,-;

bepaalt dat het Uwv het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van € 169,- vergoedt.