Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2019:465

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 13-02-2019. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 13-02-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2019:465, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 16/2520 WIA


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2019:465:DOC
nl

16

Centrale Raad van BeroepEnkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18 maart 2016, 14/7565 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 13 februari 2019

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.J. Gerrits hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting van de meervoudige kamer heeft plaatsgevonden op 7 maart 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Gerrits. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Z. Seyban.

De Raad heeft het onderzoek heropend.

Het beroep is behandeld ter nadere zitting van de meervoudige kamer van 29 augustus 2018, waar appellant is verschenen bijgestaan door mr. Gerrits. Het Uwv is niet verschenen.

De Raad heeft het onderzoek heropend en het Uwv om een nadere reactie verzocht.

Partijen hebben nog reacties ingezonden.

De zaak is door de meervoudige kamer verwezen naar de enkelvoudige kamer.

Het beroep is behandeld ter nadere zitting van 16 januari 2019, waar appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Gerrits. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door F.M.J. Eijmael.



overwegingen

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant, voorheen werkzaam als artiest/musicus voor 23,5 uur per week, heeft tot 13 januari 2012 een loongerelateerde WGA‑uitkering op grond van de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) ontvangen. Ingaande 13 januari 2012 is appellant in aanmerking gebracht voor een WGA‑vervolguitkering waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid op 45 tot 55% is vastgesteld.
1.2.
Bij besluit van 27 januari 2014 heeft het Uwv de WIA-uitkering van appellant over het jaar 2011 definitief berekend op basis van de ontvangen inkomensgegevens en bepaald dat appellant een bedrag van € 4.822,49 moet terugbetalen. Bij besluit van 28 januari 2014 heeft het Uwv hetzelfde gedaan met betrekking tot het jaar 2012. Over dat jaar is een bedrag van € 7.142,77 van appellant teruggevorderd.
1.3.
Bij besluit van 29 januari 2014 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant over het jaar 2011 een bedrag van € 4.822,49 bruto en over het jaar 2012 een bedrag van € 5.182,65 bruto moet terugbetalen. Bij brieven van 4 februari 2014 is aan appellant verzocht beide vorderingen binnen zes weken te voldoen.
1.4.
Appellant heeft bij brief van 5 maart 2014 (door het Uwv ontvangen op 12 maart 2014) met als onderwerp “Vordering WGA kenmerk 4201 4012 9000 1476” en “Vordering WGA kenmerk 2201 4012 9000 1477” een bezwaarschrift ingediend. Op 13 maart 2014 (door het Uwv ontvangen op 18 maart 2014) met als onderwerp “beslissing definitieve vaststelling 2011 en 2012” heeft appellant een tweede bezwaarschrift ingediend.
1.5.
Bij beslissing op bezwaar van 13 oktober 2014 (bestreden besluit) heeft het Uwv vastgesteld dat het op 12 (lees: 18) maart 2014 ontvangen bezwaarschrift tegen de besluiten van 27 en 28 januari 2014 buiten de termijn is ontvangen. Gelet op de daaraan voorafgegane e‑mailwisseling van appellant met de betreffende uitkeringsafdeling, waarin appellant naar aanleiding van de ontvangen besluiten heeft verzocht om een nieuwe berekening, heeft het Uwv het bezwaar als tijdig ontvangen beschouwd. Het bezwaar is vervolgens ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat uit de brief van 5 maart 2014 niet kan worden afgeleid dat deze zich richtte tegen de besluiten van 27 en 28 januari 2014. De voor die besluiten geldende bezwaartermijn eindigde op 11 maart 2014 onderscheidenlijk op 12 maart 2014. Met het op 18 maart 2014 ontvangen bezwaarschrift van 13 maart 2014 is niet tijdig bezwaar gemaakt. De rechtbank heeft geoordeeld dat niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan de opgetreden termijnoverschrijding verschoonbaar is te achten. De rechtbank heeft het bestreden besluit vervolgens vernietigd voor zover betrekking hebbend op de besluiten van 27 en 28 januari 2014, de bezwaren tegen die besluiten alsnog niet‑ontvankelijk verklaard en bepaald dat de uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit. In zoverre is het beroep gegrond verklaard. Omdat er geen zelfstandige gronden zijn ingediend tegen de terugvordering, heeft de rechtbank het beroep voor het overige ongegrond verklaard. Ten slotte heeft de rechtbank het Uwv veroordeeld in de proceskosten en opgedragen het door appellant betaalde griffierecht te vergoeden.

3.1.
In hoger beroep heeft appellant de aangevallen uitspraak aangevochten, voor zover daarbij het bezwaar tegen de besluiten van 27 en 28 januari 2014 niet‑ontvankelijk, en het beroep voor het overige ongegrond, is verklaard.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.
Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld is er geen aanleiding het bezwaarschrift van 5 maart 2014 niet op te vatten als (ook) gericht tegen de besluiten van 27 en 28 januari 2014, waarin de definitieve berekeningen van de WIA‑uitkering van appellant over de jaren 2011 en 2012 zijn vervat. In de brief van 5 maart 2014 geeft appellant te kennen dat hij in bezwaar gaat tegen de vorderingen over die jaren omdat er in beide gevallen verkeerde berekeningen zijn gemaakt en een medewerkster van de betreffende afdeling van het Uwv bezig is met de correcte berekeningen. Dat appellant bij zijn bezwaarschrift van 5 maart 2014 slechts de brieven van 4 februari 2014 en een uitdraai van de aan de indiening van het bezwaarschrift voorafgegane e‑mailwisseling met de desbetreffende uitkeringsafdeling heeft gevoegd, doet hier niet aan af. Uit die e‑mailwisseling blijkt – anders dan de rechtbank heeft overwogen – dat appellant van meet af aan met name de juistheid van de toegepaste inkomstenkorting betwistte. De herberekening die op dat moment plaatsvond had ook betrekking op de inkomstenkorting en niet op de terugvordering.
4.2.
Het bezwaarschrift van 5 maart 2014 is op 12 maart 2014 door het Uwv ontvangen. Nu niet in geschil is dat appellant het bezwaarschrift voor het einde van de termijn ter post heeft bezorgd, en het bezwaarschrift binnen een week na afloop van de termijn is ontvangen, volgt uit het bepaalde in artikel 6:9, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dat het bezwaarschrift tijdig is ingediend. De rechtbank heeft ten onrechte het bezwaar tegen de besluiten van 27 en 28 januari 2014 niet‑ontvankelijk verklaard.
5.1.
Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep slaagt en de aangevallen uitspraak in zoverre moet worden vernietigd.
5.2.
Uit de devolutieve werking van het hoger beroep vloeit voort dat de Raad het bestreden besluit, voor zover daarbij de bezwaren tegen de besluiten van 27 en 28 januari 2014 ongegrond zijn verklaard, inhoudelijk zal bezien. Partijen hebben in hoger beroep hun standpunten over het bestreden besluit in voldoende mate naar voren kunnen brengen.
5.3.
Appellant heeft als meest verstrekkende grond tegen de besluiten van 27 en 28 januari 2014 aangevoerd dat bij de vaststelling van zijn inkomsten over de jaren 2011 en 2012 sprake is van ‘dubbeltelling’. Meer in het bijzonder heeft appellant gesteld dat de winst uit onderneming over de desbetreffende jaren mede zijn verdiensten als artiest via impresariaat ‘uit de kunst’ en (over 2012) ‘artiestenverloning BV’ bevat. Doordat het Uwv zowel de via het impresariaat verloonde bedragen als de winst uit onderneming in aanmerking heeft genomen, is van dubbele, dus te hoge, inkomsten uitgegaan. Ter zitting van 29 augustus 2018 heeft appellant zijn stelling onderbouwd met een verwijzing naar het ‘overzicht standaard jaarstukken 2011’ van 12 april 2012 en ‘overzicht standaard jaarstukken 2012’ van 27 juni 2013 waarin de verdiensten via impresariaat ‘uit de kunst’ en (over 2012) ‘artiestenverloning BV’ als netto omzet in de fiscale winstberekening zijn verantwoord. Appellant heeft daarnaast de definitieve belastingaanslagen 2011 en 2012 in geding gebracht, die door de Belastingdienst overeenkomstig de aangifte van appellant zijn vastgesteld.
5.4.
Het Uwv is verzocht om een gemotiveerde reactie op deze stelling van appellant. In zijn brief van 7 november 2018 heeft het Uwv volstaan met het ter discussie stellen van de verzekeringsplicht van appellant op grond van de wet WIA. Daarnaast heeft het Uwv zonder verdere motivering ontkend dat van de door appellant gestelde dubbeltelling van inkomsten sprake is.
5.5.
Vastgesteld moet worden dat de verzekeringsplicht van appellant, wat daar overigens ook van zij, buiten de omvang van het onderhavige geding valt.
5.6.
Appellant heeft zijn stelling dat sprake is van dubbeltelling van inkomsten onderbouwd met concrete en verifieerbare gegevens zoals in 5.3 omschreven. Het Uwv heeft hier tegenover geen argumenten ingebracht die steun bieden voor zijn standpunt dat van dubbeltelling van inkomsten geen sprake is. Volstaan is met een niet nader gemotiveerde ontkenning. Gelet hierop moeten de stellingen van appellant op dit punt voor juist worden gehouden.
5.7.
Uit 5.4 tot en met 5.6 volgt dat het bestreden besluit, in zoverre daarbij de besluiten van 27 en 28 januari 2014 in bezwaar zijn gehandhaafd, niet in stand kan blijven. In het verlengde daarvan kan het bestreden besluit evenmin in stand blijven in zoverre daarbij de op de besluiten van 27 en 28 januari 2014 gebaseerde terugvorderingen zijn gehandhaafd. Het Uwv zal op basis van de juiste inkomensgegevens nader op de bezwaren van appellant moeten beslissen, met inachtneming van deze uitspraak. Gegeven het feit dat appellant zijn totale inkomsten over 2011 en 2012 als winst uit onderneming naar de Belastingdienst heeft verantwoord, ligt het in de rede dat het Uwv die inkomsten evenredig toerekent aan de desbetreffende kalendermaanden in het kalenderjaar.
5.8.
Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen de door Uwv te nemen nieuwe beslissing op bezwaar slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.
5.9.
Aanleiding bestaat om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 1.536,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand. Het gewicht van de zaak geeft geen aanleiding om de wegingsfactor op 1,5 (zwaar) te stellen, zoals door appellant verzocht. Nu de primaire besluiten met deze uitspraak vooralsnog niet worden herroepen is een proceskostenveroordeling voor de kosten in bezwaar, gelet op het bepaalde in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb, niet aan de orde. Het Uwv zal hierover in zijn nadere beslissing op bezwaar dienen te beslissen.
5.10.
Met de enkele vernietiging van het bestreden besluit staat nog niet vast dat het Uwv gehouden is tot nabetaling van bedragen aan WIA‑uitkering, waarover alsdan wettelijke rente verschuldigd is. Het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente wordt daarom afgewezen. Het Uwv zal op het verzoek om schadevergoeding dienen te beslissen als er een nieuwe beslissing op bezwaar is genomen.
beslissing

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers in tegenwoordigheid van W.M. Swinkels als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2019.

(getekend) E.J.J.M. Weyers

(getekend) W.M. Swinkels

md

-

vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

draagt het Uwv op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak en bepaalt dat beroep tegen dit besluit slechts bij de Raad kan worden ingesteld;

wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af;

veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 1.536,-;

bepaalt dat het Uwv aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 124,- vergoedt.