Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2019:411

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 11-02-2019. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 07-02-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2019:411, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 17/3379 ANW


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2019:411:DOC
nl

17


Datum uitspraak: 7 februari 2019

Centrale Raad van BeroepEnkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 maart 2017, 16/6178 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] , Marokko (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.J. Ouderdorp, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 januari 2019. Namens appellante zijn verschenen mr. Ouderdorp en schoonzoon [naam schoonzoon appellante] . De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Marijnissen.

overwegingen

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellante woont in Marokko. Haar echtgenoot is op [datum van overlijden] 2014 overleden. De echtgenoot van appellante heeft in Nederland gewoond en gewerkt. In 1989 is hij met behoud van een arbeidsongeschiktheidsuitkering teruggekeerd naar Marokko. Vanaf 1 juli 1999 tot zijn overlijden ontving de echtgenoot van appellante een pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW).
1.2.
Nadat haar aanvraag om een uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (ANW) was afgewezen, heeft appellante de Svb op 10 november 2015 verzocht om haar echtgenoot postuum toe te laten tot de vrijwillige verzekering voor de ANW. Bij besluit van 20 januari 2016 heeft de Svb dit verzoek afgewezen.
1.3.
Bij beslissing op bezwaar van 26 augustus 2016 (bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van 20 januari 2016 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij is geoordeeld dat de aanvraag tot deelname aan de vrijwillige verzekering niet binnen de wettelijke aanmeldingstermijn is ingediend. De omstandigheid dat de echtgenoot van appellante niet wist dat hij zich vrijwillig kon verzekeren, maakt niet dat sprake is van een bijzonder geval op grond waarvan de overschrijding van de aanmeldingstermijn niet tegengeworpen kan worden.
3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat haar echtgenoot op het moment van overlijden op basis van zijn AOW-pensioen wel verzekerd was voor de ANW, zodat er geen sprake is van overschrijding van de aanmeldingstermijn. Subsidiair voert appellante aan dat de Svb haar echtgenoot nooit heeft geïnformeerd over de mogelijkheid zich vrijwillig te verzekeren, zodat de overschrijding van de termijn niet tegengeworpen mag worden.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Op grond van artikel 26 van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 (KB 746), zoals dit artikel luidde tot 1 januari 2000, is, kort samengevat, ook verzekerd krachtens de volksverzekeringen degene die buiten Nederland is gaan wonen en op de dag van vertrek een bepaalde Nederlandse uitkering, zoals bijvoorbeeld een uitkering krachtens de WAO of een pensioen krachtens de AOW, ontving ter hoogte van ten minste een nader omschreven bedrag per maand. Deze bepaling is met ingang van 1 januari 2000 vervallen. Dat betekent dat per die datum geen verzekering meer kan worden ontleend aan het ontvangen van een Nederlandse uitkering. De stelling van appellante dat haar echtgenoot ook na 1 januari 2000 op grond van zijn AOW-pensioen verzekerd is gebleven, kan dan ook niet slagen.
4.2.
Op grond van artikel 63a van de ANW is deelname aan de vrijwillige verzekering uitsluitend mogelijk in aansluiting aan de periode van verplichte verzekering. De aanvraag voor de vrijwillige verzekering moet binnen één jaar na het einde van de verplichte verzekering zijn ingediend. De echtgenoot van appellante heeft zich niet binnen een jaar na het einde van de verplichte verzekering aangemeld voor de vrijwillige verzekering. Het verzoek van appellante in november 2015 om postume toelating van haar echtgenoot tot de vrijwillige verzekering is ruim buiten de aanmeldingstermijn gedaan. De rechtbank heeft daarom terecht geoordeeld dat het verzoek niet voldoet aan de wettelijke voorwaarden voor toelating tot de vrijwillige verzekering.
4.3.1.
De stelling van appellante dat haar echtgenoot nooit is geïnformeerd over de mogelijkheid een vrijwillige verzekering af te sluiten kan niet leiden tot het oordeel dat de overschrijding van de aanmeldingstermijn verschoonbaar is. Volgens vaste rechtspraak rust op een bestuursorgaan geen rechtsplicht om iemand te informeren over de mogelijkheid om een vrijwillige verzekering af te sluiten. Verwezen wordt naar de uitspraken van de Raad van 10 januari 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BC1676, en 10 februari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV3681.
4.3.2.
In het bestreden besluit is wel sprake van een motiveringsgebrek, dat met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan worden gepasseerd omdat niet aannemelijk is dat appellante door het gebrek in de motivering is benadeeld. Immers, in het bestreden besluit heeft de Svb overwogen dat niet uit te sluiten valt dat de echtgenoot van appellante niet is geïnformeerd over de wijziging van zijn verzekeringspositie per 1 januari 2000. De echtgenoot is in ieder geval met het besluit van 30 maart 2005 op de hoogte gesteld van het ontbreken van de verzekeringsplicht, aldus de Svb. Volgens de Svb wordt in dat geval op grond van vaste rechtspraak een redelijke termijn van één jaar gehanteerd waarbinnen een aanvraag moet zijn ingediend, vanaf het moment dat betrokkene wel juist is geïnformeerd. De vertegenwoordiger van de Svb heeft ter zitting te kennen gegeven dat deze overweging in het bestreden besluit niet juist is en heeft zich op het gewijzigde standpunt gesteld dat op een bestuursorgaan geen rechtsplicht rust om iemand te informeren over de mogelijkheid om een vrijwillige verzekering af te sluiten.
4.4.
Uit 4.1 tot en met 4.3.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd, gelet op 4.3.2 met verbetering van gronden.
5. De Raad ziet in de toepassing van artikel 6:22 van de Awb aanleiding om de Svb te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 1.024,- voor in hoger beroep verleende rechtsbijstand.

beslissing

BESLISSING

- bevestigt de aangevallen uitspraak;- veroordeelt de Svb in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.024,-;- bepaalt dat de Svb het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 170,- vergoedt.
De Centrale Raad van Beroep

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade, in tegenwoordigheid van L. Boersma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 februari 2019.

(getekend) M.M. van der Kade

(getekend) L. Boersma

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip verzekerde.

md