Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2019:41

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 09-01-2019. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 09-01-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2019:41, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 18/766 AWBZ


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2019:41:DOC
nl

18


Datum uitspraak: 9 januari 2019

Centrale Raad van BeroepEnkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 2 januari 2016, 16/2669 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. (zorgkantoor)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.J. van der Veen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het zorgkantoor heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 november 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Veen. Het zorgkantoor heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H.D. Saro.

overwegingen

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.
Het zorgkantoor heeft op grond van de Regeling subsidies AWBZ (Rsa) aan appellant voor het jaar 2013 een persoonsgebonden budget (pgb) verleend van in totaal € 44.277,19.
1.2.
Bij besluit van 17 september 2014 heeft het zorgkantoor het pgb voor het jaar 2013 vastgesteld op nihil. Dit betekent dat van appellant een bedrag van € 44.277,19 wordt teruggevorderd.
1.3.
Bij besluit van 9 juni 2015 (bestreden besluit) heeft het zorgkantoor het bezwaar van appellant tegen het besluit van 17 september 2014 gedeeltelijk gegrond verklaard. Volgens het zorgkantoor is niet voldaan aan de verplichting van artikel 2.6.9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Rsa, omdat het pgb niet volledig is besteed aan AWBZ-zorg. In het kader van de belangenafweging heeft het zorgkantoor een deel van de verantwoorde zorg geaccepteerd. Daarbij is het pgb voor het jaar 2013 vastgesteld op € 21.110,15 en de terugvordering verlaagd naar € 23.167,04. Volgens het zorgkantoor bestaat er geen aanleiding om af te zien van de lagere vaststelling.
2.1.
Bij tussenuitspraak van 14 juli 2017 heeft de rechtbank geoordeeld dat sprake is van een motiveringsgebrek in de belangenafweging van het zorgkantoor. Bij brief van 25 augustus 2017 heeft het zorgkantoor een nadere motivering gegeven.
2.2.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de rechtsgevolgen in stand gelaten. De rechtbank heeft, voor zover hier van belang, overwogen dat de door BT Begeleiding geboden zorg niet als begeleiding in de zin van artikel 6 van het Besluit zorgaanspraken AWBZ (Bza) kan worden aangemerkt en dus geen zorg is die vanuit het pgb mag worden betaald. Het zorgkantoor kon in redelijkheid besluiten tot een lagere vaststelling.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Aangevoerd is dat uit de stukken en de nadere toelichting in beroep wel degelijk blijkt dat aan appellant AWBZ-zorg is verleend die vanuit het pgb betaald dient te worden. De werkzaamheden van BT Begeleiding bestonden uit begeleiding van het gehele gezinssysteem en waren gericht op het allen aanleren van vaardigheden om beter zelfstandig te kunnen functioneren. Het bewijs dat de werkzaamheden van BT Begeleiding effect hebben gehad blijkt uit het feit dat appellant in 2013 een lagere indicatie heeft gekregen. Ter zitting heeft de gemachtigde van appellant nog toegelicht dat de begeleiding door BT Begeleiding vooral gericht was op bevordering van de zelfstandigheid van appellant, bijvoorbeeld door hem te begeleiden in het openbaar vervoer.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Het geschil tussen partijen is beperkt tot de vraag of het zorgkantoor bij de belangenafweging die verricht moet worden bij de uitoefening van de bevoegdheid om het pgb lager vast te stellen de door BT Begeleiding verleende zorg heeft kunnen afkeuren.
4.2.
De door appellant aangevoerde omstandigheden leiden er niet toe dat geoordeeld moet worden dat het zorgkantoor niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid om het pgb lager vast te stellen. Met de toelichting van de gemachtigde van appellant ter zitting alsmede de diverse toelichtingen op de verleende zorg door BT Begeleiding en de overige in het dossier aanwezige informatie, is niet onderbouwd dat de activiteiten van BT Begeleiding hebben bestaan uit het ondersteunen bij of het oefenen met vaardigheden of handelingen, het ondersteunen bij of het oefenen met het aanbrengen van structuur of het voeren van regie, of het overnemen van toezicht op appellant zodat deze activiteiten niet zijn aan te merken als zorg als bedoeld in artikel 6 van het Bza. Voor zover al een deel van de activiteiten beschouwd kan worden als begeleiding als bedoeld in artikel 6 van het Bza, zoals het begeleiden van appellant bij het reizen met het openbaar vervoer, is ook ter zitting niet geconcretiseerd wat de omvang van dit deel van de begeleiding is geweest en wat de werkzaamheden en de werkwijze van BT Begeleiding concreet inhielden. Dat appellant wel baat zou hebben gehad bij de activiteiten van BT Begeleiding, maakt niet dat sprake is van zorg die uit het pgb mag worden betaald.
4.3.
Hieruit volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

beslissing

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door N.R. Docter, in tegenwoordigheid van M.A.A. Traousis als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2019.

(getekend) N.R. Docter

(getekend) M.A.A. Traousis

md