Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2019:403

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 11-02-2019. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 06-02-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2019:403, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 17/3334 WIA


Bron: Rechtspraak



Centrale Raad van BeroepEnkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 20 maart 2017, 16/2990 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] ten [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum: 6 februari 2019

ECLI:NL:CRVB:2019:403:DOC
nl


Centrale Raad van BeroepEnkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 20 maart 2017, 16/2990 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] ten [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum: 6 februari 2019

procesverloop

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.A. Buld, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Het Uwv heeft een verweerschrift en een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 januari 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Buld en zijn echtgenoot, [naam echtgenote appellant]. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. H. ten Brinke.

overwegingen

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant is werkzaam geweest als magazijnmedewerker voor 36 uur per week. Op 30 januari 2012 heeft appellant zich met pijn- en vermoeidheidsklachten ziek gemeld. Op dat moment ontving appellant een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Bij besluit van 11 november 2013 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant met ingang van 27 januari 2014 recht is ontstaan op een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 100% en het einde van de loongerelateerde periode op 11 november 2014. Vanaf 11 november 2014 is appellant in aanmerking gebracht voor een WGA-loonaanvullingsuitkering. Bij besluit van 28 augustus 2015 heeft het Uwv de WGA-uitkering van appellant met ingang van 29 oktober 2015 beëindigd omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Hieraan lag een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek ten grondslag. Het tegen dit besluit ingediende bezwaar is bij beslissing op bezwaar van 9 november 2015 ongegrond verklaard. Appellant heeft hiertegen geen rechtsmiddel aangewend, waardoor dit besluit in rechte vaststaat.
1.2.
Appellant heeft bij een op 5 juli 2016 door het Uwv ontvangen brief melding gedaan dat zijn gezondheidsklachten zijn toegenomen. Naar aanleiding van deze melding heeft een verzekeringsgeneeskundig onderzoek plaatsgevonden. De verzekeringsarts heeft appellant gezien op het spreekuur van 2 september 2016 en op basis van dossierstudie en psychisch onderzoek geconcludeerd dat de beperkingen van appellant op 5 juli 2016 niet zijn toegenomen ten opzichte van het vorige verzekeringsgeneeskundig onderzoek dat aan de beëindiging van de WGA-uitkering ten grondslag is gelegd. Bij besluit van 6 september 2016 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant geen recht op een uitkering op grond van de Wet WIA is ontstaan.
1.3.
Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 6 september 2016 is bij beslissing op bezwaar van 1 november 2016 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 28 oktober 2016 ten grondslag.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat aan het bestreden besluit een zorgvuldig medisch onderzoek ten grondslag ligt. De rechtbank heeft erop gewezen dat de verzekeringsarts appellant zelf heeft gesproken, psychisch heeft onderzocht en dat hij de reeds aanwezige medische informatie van de behandelaars en de eerdere beoordelingen door de verzekeringsartsen in zijn beoordeling heeft betrokken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft dossieronderzoek verricht en recente medische informatie meegewogen. Bij de beoordeling of sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep alle reeds aanwezige informatie meegenomen. Daarbij was geen sprake van recente diagnostische ontwikkelingen. Op basis van de afgenomen anamnese en het dagverhaal van appellant heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geconcludeerd dat de beperkingen van appellant ten opzichte van het eerdere medisch onderzoek in 2015 niet zijn gewijzigd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aangenomen dat bij appellant sprake is van een chronisch vermoeidheidssyndroom/ongedifferentieerde somatoforme stoornis, maar dat de medische omstandigheden ongewijzigd zijn. Er is volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen reden om terug te komen van de eerder aangenomen belastbaarheid van appellant. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de door appellant in beroep overgelegde medische gegevens, te weten het advies van arts F. Knol van 18 april 2016, het rapport van de re-integratieconsulent van 3 juni 2016 en het Ondersteuningsplan Wmo van 20 september 2016, terecht geen aanleiding gezien om meer beperkingen aan te nemen. In de door appellant in beroep overgelegde brief van zijn huisarts van 7 februari 2017, het journaal waarnaar de huisarts in zijn brief verwijst en de brief van het CVS/ME Medisch Centrum te Amsterdam van 9 oktober 2015, heeft de rechtbank ook geen aanleiding gezien tot twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling.
3.1.
Appellant heeft in hoger beroep zijn standpunt herhaald dat zijn medische beperkingen als gevolg van CVS zijn onderschat. Appellant heeft gewezen op de door hem in beroep overgelegde medische informatie. Appellant heeft ter onderbouwing van zijn standpunt in hoger beroep een brief van psychiater dr. H.A.A. de Berk van Mediant van 28 april 2017 overgelegd. Daarnaast heeft appellant overgelegd een brief van psychiaterJ.H.J. Stienen van Vakgroep Psychiatrie ZGT van 16 januari 2018, een brief van psychiater W.A. Jaket van Vakgroep Psychiatrie ZGT van 29 mei 2018, een rapport van klinisch psycholoog/psychotherapeut R.M.G. Evers van de Vakgroep Medische Psychologie van 9 april 2018 en een behandelplan van psychiater Stienen van 7 maart 2018.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.
Appellant heeft in hoger beroep in essentie dezelfde gronden aangevoerd als in beroep. De rechtbank heeft deze gronden afdoende besproken en overtuigend gemotiveerd waarom deze niet slagen. Met juistheid heeft de rechtbank geoordeeld dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek naar de beperkingen van appellant zorgvuldig is verricht. Verder heeft de rechtbank op goede gronden geoordeeld dat er geen aanleiding bestaat voor twijfel aan de juistheid van de conclusie van de verzekeringsartsen dat er geen toename kan worden vastgesteld van de beperkingen die voortvloeien uit dezelfde ziekteoorzaak ten opzichte van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek in 2015 dat aan de beëindiging van de WGA-uitkering per 29 oktober 2015 ten grondslag is gelegd. Het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die tot dit oordeel hebben geleid, zoals neergelegd in onderdeel 4 van de aangevallen uitspraak en zoals hiervoor samengevat weergegeven onder 2, worden geheel onderschreven. Daaraan wordt nog het volgende toegevoegd.
4.2.
Ter zitting is vastgesteld dat de datum in geding 5 juli 2016 is. De nadere medische informatie die appellant ter onderbouwing van zijn standpunt in hoger beroep heeft overgelegd, leidt niet tot twijfel aan de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit ten aanzien van die datum. In een rapport van 12 september 2017 heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende gemotiveerd toegelicht dat de brief van psychiater De Berk van Mediant van 28 april 2017 geen aanleiding geeft de medische beoordeling door de verzekeringsartsen voor onjuist te houden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daarin vastgesteld dat de door psychiater De Berk gestelde diagnoses somatisch-symptoomstoornis en ongespecificeerde persoonlijkheidsstoornis nieuwe psychiatrische benamingen zijn voor de beperkingen van appellant als gevolg van CVS. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep volgt hieruit niet dat de beperkingen van appellant als gevolg van CVS zijn toegenomen ten opzichte van de medische beoordeling door de verzekeringsartsen in 2015. De overige medische informatie die appellant in hoger beroep heeft overgelegd heeft geen betrekking op de datum in geding. Dat appellant thans in aanmerking is gebracht voor een WIA-uitkering, betekent niet dat dit ook zou moeten gelden voor de datum in geding.
4.3.
Uit 4.2 volgt dat er op de datum in geding geen sprake is van een toename van de medische beperkingen. Indien van een zodanige toename niet kan worden gesproken, wordt aan de beoordeling van de arbeidskundige aspecten niet meer toegekomen.
5. Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
beslissing

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van I.G.A.H. Toma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 februari 2019.

(getekend) H.G. Rottier

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

md