Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2019:40

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 09-01-2019. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 02-01-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2019:40, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 17/1489 WLZ


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2019:40:DOC
nl

17

8 februari 2017, 16/1316 (aangevallen uitspraak)
Datum uitspraak: 2 januari 2019

Centrale Raad van BeroepMeervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. (zorgkantoor)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft [naam 1] hoger beroep ingesteld.

Het zorgkantoor heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juli 2018. Voor appellante zijn [naam 1] en [naam 2] verschenen. Het zorgkantoor heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Hartman en J. Diekerhof.

overwegingen

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.
Appellante, geboren in 1986, heeft diverse aandoeningen. Zij woont bij haar ouders. CIZ heeft op grond van het bepaalde bij en krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten een indicatie gesteld voor zorgzwaartepakket 7 VG met dagbesteding. Voor de realisering van de benodigde zorg ontvangt appellante van het zorgkantoor een persoonsgebonden budget (pgb) op grond van de Regeling langdurige zorg.
1.2.
Appellante heeft het zorgkantoor verzocht om het verleende pgb voor het jaar 2016 op te hogen vanwege de benodigde hulp bij het huishouden. Bij besluit van 22 januari 2016 heeft het zorgkantoor dit verzoek afgewezen.
1.3.
Bij besluit van 4 mei 2016 (bestreden besluit) heeft het zorgkantoor het bezwaar tegen het besluit van 22 januari 2016 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij is, voor zover van belang, overwogen dat niet aannemelijk is dat uit het verleende pgb de noodzakelijke huishoudelijke verzorging niet kan worden bekostigd.
3. Appellante heeft de aangevallen uitspraak gemotiveerd bestreden.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Bij uitspraak van heden in de zaak tussen partijen onder de nummers 16/5399 AWBZ en 18/1617 WLZ heeft de Raad voor zover van belang het volgende overwogen:
“Uit de gedingstukken blijkt dat het door het zorgkantoor voor de jaren 2016 en 2017 verleende pgb, naast de bedragen van € 3.371,- (2016) en € 3.417,- (2017) voor hulp bij het huishouden, ook een bedrag van € 12.776,- voor die hulp bevat. Dit laatste bedrag is ontleend aan de door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zwartewaterland in 2015 verstrekte maatwerkvoorziening voor hulp bij het huishouden. In wat appellante heeft aangevoerd is de Raad niet gebleken dat de totaalbedragen van € 16.147,- (2016) en € 16.193,- (2017) onvoldoende zijn om de benodigde hulp bij het huishouden in te kopen.”

4.2.
Uit 4.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

beslissing

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en L.M. Tobé en J.P.A. Boersma als leden, in tegenwoordigheid van H. Achtot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 januari 2019.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) Y. Itkal

md