Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2019:3825

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Ambtenarenrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 02-12-2019. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 28-11-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2019:3825, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 18/6309 AW


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2019:3825:DOC
nl

18


Datum uitspraak: 28 november 2019

Centrale Raad van BeroepMeervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 8 november 2018, 18/704 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de korpschef van politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

Ingevolge artikel IV, onder e, sub 1, van de Wet van 25 mei 2016 tot wijziging van de Politiewet 2012 in verband met de inbedding van de Politieacademie in het nieuwe politiebestel (Stb. 2016, 203) is in dit geschil met ingang van 1 januari 2017 de korpschef in de plaats getreden van het college van bestuur van het Landelijk selectie- en opleidingsinstituut, Politie onderwijs- en kenniscentrum (college), ten name van wie het geding aanvankelijk is gevoerd. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van de korpschef, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) het college verstaan.

Namens appellant heeft mr. W.J. Dammingh, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft een verweerschrift en op verzoek van de Raad nadere stukken en een nadere toelichting ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met een aantal soortgelijke zaken, plaatsgevonden op 22 maart 2019. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Dammingh. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.J. de Wit, mr. J. Wegen en drs. M.J. Groenendaal.

Het onderzoek is heropend na de zitting.

De korpschef heeft geantwoord op vragen van de Raad. Partijen hebben over en weer op elkaars standpunten gereageerd onder toezending van nadere stukken.

Het onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 3 oktober 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Dammingh. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. De Wit, drs. Groenendaal, drs. ing. L. Schaap en H. Reuvers.

In de gevoegde zaken wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

overwegingen

OVERWEGINGEN

1.1.
In het Akkoord Arbeidsvoorwaarden sector Politie 2008-2010 is onder meer afgesproken dat voor de sector Politie landelijk een nieuw functiegebouw zal gaan gelden. Daartoe is een stelsel van (uiteindelijk) 92 functies met daarbij behorende functiebenamingen ontwikkeld, voorzien van een waardering per functie. Dit geheel wordt aangeduid als het Landelijk Functiegebouw Nationale Politie (LFNP) en is vastgelegd in de Regeling vaststelling LFNP (Stcrt. 2013, nr. 13079). Het LFNP is onderverdeeld in de domeinen Leiding, Uitvoering en Ondersteuning. Functies die zijn ingedeeld in het domein Uitvoering geven recht op periodieken voor Onvermijdelijk Verzwarende Werkomstandigheden (OVW).
1.2.
Medio 2013 heeft de korpschef alle medewerkers van de Nationale Politie per brief geïnformeerd dat de vertraging in de toekenning van LFNP-functies geen financiële gevolgen heeft. Uitkering van financiële aanspraken, die samenhangen met de toekenning van een LFNP-functie, vindt met terugwerkende kracht plaats, aldus de korpschef.
1.3.
Appellant is tot de invoering van het LFNP werkzaam geweest bij de Politieacademie in de voormalige (korps)functie van [functie] . Bij besluit van 16 december 2013 is hij met ingang van 1 januari 2012 overgegaan naar de LFNP-functie van Docent B, ingedeeld in het domein Ondersteuning, met als vakgebied Docenten. Deze functie geeft geen recht op OVW-periodieken.
1.4.
Bij brief van 23 september 2014 heeft de voorzitter van het college van bestuur van het Landelijk selectie- en opleidingsinstituut politie de voormalige Minister van Veiligheid en Justitie (minister) verzocht om in het LFNP enkele aanpassingen aan te brengen die samenhangen met de inrichting van de Politieacademie, onder meer omdat in het LFNP onvoldoende rekening is gehouden met het geven van politieonderwijs in de operationele uitvoeringspraktijk door executieve politieambtenaren.
1.5.
Besluitvorming hierover in het Centraal Georganiseerd Overleg Politie heeft uiteindelijk geleid tot de Regeling van 11 april 2017, houdende wijziging van de Regeling vaststelling LFNP (Stcrt. 2017, nr. 22386). Bij de eerstgenoemde regeling (Regeling), voor zover hier van belang, zijn het vakgebied Operationele Begeleiding, de functies Operationeel Begeleider A en Operationeel Begeleider B en de werkterreinen Gewelds- en Gevaarsbeheersing en Rijvaardigheid en Rijveiligheid toegevoegd aan het LFNP. De kerntaak van de functies Operationeel Begeleider A en Operationeel Begeleider B betreft het trainen, begeleiden en coachen van politiemedewerkers en teams tijdens de uitvoering van hun operationele werkzaamheden in de openbare ruimte. Genoemde regeling is op 25 april 2017 in werking getreden en werkt terug tot en met 7 juli 2016.
1.6.
De korpsleiding heeft op 3 januari 2017 besloten om Docenten Integrale Beroepsvaardigheidstraining (IBT) en Rijvaardigheid en Rijveiligheid die vanaf 1 januari 2015 (ingangsdatum ‘IBT-nieuwe stijl’) daadwerkelijk en structureel in de operationele gevaarcontext werkzaam zijn als blijk van waardering een financiële tegemoetkoming toe te kennen ter grootte van de eindejaarsuitkering. Tevens heeft de korpsleiding besloten om medewerkers die per 1 juli 2016 worden geplaatst in de nieuwe LFNP-functie van Operationeel Begeleider (OVW-gerechtige functie), onder voorwaarden, direct één of meer OVW-periodieken toe te kennen.
1.7.1.
Bij besluit van 20 april 2017 heeft de korpschef appellant met terugwerkende kracht tot 1 januari 2017 geplaatst in de functie van Operationeel Begeleider B, op de grond dat deze functie met ingang van die datum in de formatie van de Politieacademie is opgenomen. De korpschef heeft in dat kader overwogen dat in het in 2013 vastgestelde LFNP in de functiereeks voor docenten onvoldoende rekening was gehouden met het geven van politieonderwijs in de operationele uitvoeringspraktijk. Omdat de werkzaamheden van operationeel begeleider betrekking hebben op de uitvoering van de executieve politietaak met Onvermijdelijk Verzwarende Werkomstandigheden komt appellant met ingang van dezelfde datum in aanmerking voor OVW-periodieken, aldus de korpschef.
1.7.2.
In het besluit van 20 april 2017 is tevens vermeld dat aan appellant, omdat deaanpassing van het functiehuis erg lang heeft geduurd, ook een compensatiewordt toegekend van enerzijds een eenmalige financiële tegemoetkoming en anderzijds een direct hogere inschaling in de OVW-periodiekenreeks. De berekening van de compensatie wordt in een landelijke werkgroep voor alle in aanmerking komende medewerkers vastgesteld op basis van de periode dat de medewerker sinds de invoering van de OVW-periodieken per 1 januari 2012 als zodanig werkzaam was. Deze compensatie zal met terugwerkende kracht tot 1 januari 2017 aan appellant worden toegekend zodra de landelijke werkgroep de definitieve uitgangspunten heeft berekend en vastgesteld.
1.8.
Bij besluit van 24 augustus 2017 heeft de korpschef appellant vanwege de lange duur van de procedure tot vaststelling van de functie van Operationeel Begeleider B een compensatie toegekend, bestaande uit een eenmalige financiële tegemoetkoming ter grootte van zijn eindejaarsuitkering over 2016 en drie extra OVW-periodieken met ingang van 1 januari 2017.
1.9.
Bij besluit van 23 oktober 2017 heeft de korpschef het bezwaar van appellant tegen het besluit van 20 april 2017 ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft appellant afzonderlijk beroep ingesteld.
1.10.
Bij besluit van 10 januari 2018 (bestreden besluit) heeft de korpschef het bezwaar van appellant tegen het besluit van 24 augustus 2017 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe, samengevat, het volgende overwogen. Het besluit van de korpsleiding van 3 januari 2017 (Coulanceregeling) vindt geen grondslag in enig wettelijk voorschrift. Daarmee heeft dit besluit het karakter van buitenwettelijk begunstigend beleid. Volgens vaste rechtspraak dient de bestuursrechter het bestaan en de inhoud van dergelijk beleid als een gegeven te aanvaarden en is de rechterlijke toetsing beperkt tot de vraag of het bestuursorgaan het beleid consistent heeft toegepast. De bestuursrechter kan niet treden in de vraag of het beleid redelijk is. Er bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de korpschef zijn beleid niet consistent heeft toegepast.
3. De Raad komt naar aanleiding van wat partijen in hoger beroep hebben aangevoerd tot de volgende beoordeling.
3.1.
Vooropgesteld wordt dat de rechtmatigheid van het bij besluit van 23 oktober 2017 gehandhaafde besluit van 20 april 2017 in deze procedure niet ter toetsing voorligt. De beroepsgrond van appellant dat hij met ingang van 1 januari 2012 had moeten worden geplaatst in de functie van Operationeel Begeleider B en dat hem bijgevolg met ingang van 1 januari 2012 OVW‑periodieken toegekend hadden moeten worden, moet hier dan ook buiten bespreking blijven.
3.2.1.
De Raad stelt, met de rechtbank, vast dat de Coulanceregeling geen grondslag vindt in enig wettelijk voorschrift. Anders dan appellant veronderstelt kan de grondslag voor de Coulanceregeling niet worden gevonden in artikel 17, eerste lid, van het Bbp, ingevolge welke bepaling aan de politieambtenaar, indien en voor zover aan de toepassingsvoorwaarden is voldaan, een waarnemingstoelage kan worden toegekend. De tekst van de Coulanceregeling biedt geen enkel aanknopingspunt voor de hierop gerichte stelling van appellant. Daarmee heeft de Coulanceregeling het karakter van buitenwettelijk, begunstigend beleid. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak 11 januari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1) dient de bestuursrechter het bestaan en de inhoud van dergelijk beleid als een gegeven te aanvaarden. De rechterlijke toetsing van dergelijk buitenwettelijk, begunstigend beleid is beperkt tot de vraag of het bestuursorgaan het beleid consistent heeft toegepast.
3.2.2.
Uit het onder 3.2.1 genoemde toetsingskader volgt dat de Raad niet kan treden in de beoordeling van de vraag of het in de Coulanceregeling neergelegde beleid redelijk is (uitspraak van 11 juli 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2553). Er is verder geen aanleiding voor het oordeel dat de korpschef zijn beleid ten aanzien van appellant niet consistent heeft toegepast.
3.3.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

beslissing

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en J.J.T. van den Corput en H. Benek als leden, in tegenwoordigheid van D. Bakker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 november 2019.

(getekend) B.J. van de Griend

(getekend) D. Bakker