Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2019:3810

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 02-12-2019. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 02-12-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2019:3810, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 14/5465 WIA


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2019:3810:DOC
nl

14

Centrale Raad van BeroepEnkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 19 augustus 2014, 14/685 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)

Datum uitspraak: 2 december 2019

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.C.E. Siebenga-Moggré, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 mei 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Siebenga-Moggré. Het Uwv is niet verschenen.

Het onderzoek is heropend.

Appellant heeft nadere stukken ingebracht.

Op verzoek van de Raad heeft internist-endocrinoloog prof. dr. E. Fliers als deskundige op 18 april 2019 een rapport uitgebracht.

Partijen hebben een zienswijze ingediend.

Naar aanleiding van het verzoek van appellant om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn door de bestuursrechter, heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt.

De meervoudige kamer heeft de zaak doorverwezen naar de enkelvoudige kamer.

Het onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 30 september 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Siebenga-Moggré. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door T. van der Weert.



overwegingen

OVERWEGINGEN

1.1.
De Raad verwijst naar zijn uitspraak van 13 november 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2403, voor een uitgebreid overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, waarvan hij bij zijn beoordeling uitgaat. De Raad volstaat hier met het volgende.
1.2.
Bij besluit van 7 januari 2011 heeft het Uwv zijn besluit van 23 juli 2010 gehandhaafd waarbij de aanvraag van appellant om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is afgewezen omdat appellant niet 104 weken arbeidsongeschikt is gebleven voor het eigen werk, waardoor hij de wettelijke wachttijd, zoals bepaald in artikel 23, eerste lid, van de Wet WIA, niet heeft voltooid.
1.3.
Bij voornoemde uitspraak van 13 november 2013 is de Raad, samengevat, tot het oordeel gekomen dat het besluit van 7 januari 2011 onvoldoende onzorgvuldig is voorbereid. Daartoe heeft de Raad overwogen dat de beantwoording van de vraag of de wachttijd vervuld is een zelfstandige beoordeling vereist op basis van alle beschikbare gegevens van medische en andere aard, waarbij eventuele eerdere hersteldverklaringen, die hebben plaatsgevonden tijdens de wachttijd, betrokken (kunnen) worden. Naar het oordeel van de Raad is er geen sprake geweest van een zelfstandige beoordeling, maar heeft het Uwv de beantwoording van die vraag uitsluitend afhankelijk gesteld van de omstandigheid dat tijdens de wachttijd hersteldverklaringen per 9 maart 2009 en 5 oktober 2009 hebben plaatsgevonden. De Raad heeft het besluit van 7 januari 2011 vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het Uwv opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen.
1.4.
Het Uwv heeft op 10 februari 2014 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen (bestreden besluit), waarbij het bezwaar van appellant tegen het besluit van 23 juli 2010 opnieuw ongegrond is verklaard. Dit besluit berust op het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat er Ziektewet-perioden zijn van 26 september 2008 tot 9 maart 2009 en van 1 september 2009 tot 4 oktober 2009 en vervolgens vanaf juni 2010. Er zijn geen gegevens die de hersteldatum van 9 maart 2009 betreffen of de ziekteperiode van september tot en met oktober 2009. Er is naar de visie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep derhalve geen periode van doorlopende arbeidsongeschiktheid aan te wijzen of van meerdere perioden van arbeidsongeschiktheid die elkaar opvolgen met minder dan vier weken daartussen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft verder overwogen dat geen arbeidsongeschiktheid aangenomen kan worden op basis van het hebben van een diagnose of een aandoening. Na de eerste arbeidsongeschiktheidsdag van 26 augustus 2008 is de wachttijd van 104 weken niet volgemaakt.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1.
Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat uit de door hem ingediende informatie van de behandelend sector blijkt dat hij de wachttijd vervuld heeft. Daartoe heeft hij aangevoerd dat het door internist-nefroloog H.F.H. Brulez in zijn brief van 30 januari 2009 vermelde verwachte herstel niet is ingetreden en dat hij last bleef houden van ernstige vermoeidheid en pijnklachten. Deze klachten zijn door de artsen van het Uwv, na de hersteldverklaring per 9 maart 2009, ten onrechte geduid als een conditieprobleem. Uit de informatie van internist-endocrinoloog G.S. Mijnhout van 15 september 2011 blijkt dat hij in juni 2010 een recidief ontwikkelde en dat hij een behandeling met radioactief jodium heeft ondergaan. Appellant heeft er verder op gewezen dat hij van 1 september 2009 tot en met 5 oktober 2009 ook neurologische klachten heeft gehad.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
3.3.
De Raad heeft, omdat twijfel was ontstaan over de juistheid van de medische beoordeling door het Uwv, aanleiding gezien zich te laten adviseren door internist-endocrinoloog prof. dr. E. Fliers (deskundige). De deskundige heeft in zijn rapport van 18 april 2019, na eigen onderzoek, dossieronderzoek en bestudering van de bij de behandelaars van appellant opgevraagde endocriene laboratoriumuitslagen, het navolgende geantwoord. Appellant heeft in de tweede helft van 2008 last gekregen van een te snel werkende schildklier op basis van de ziekte van Graves, welke ziekte meestal een beloop kent dat zich uitstrekt over meerdere jaren. Het door Brulez in zijn brief van 30 januari 2009 vermelde verwachte herstel is niet ingetreden en de hypothyreoïdie persisteerde. Ook na het staken van de schildkliermedicatie na één jaar, bleek de schildklier nog steeds te snel te werken. Appellant werd om die reden in juli 2010 behandeld met radioactief jodium, waarna een hypothyroïdie ontstond. Uit de overgelegde laboratoriumuitslagen van de Isala Klinieken over de gehele periode 2009-2010 blijkt dat er in 2009 nog steeds sprake was van ziekteactiviteit en dat in de loop van 2010 ofwel sprake was van een hyperthyreoïdie ofwel van een hypothyreoïdie, ondanks medicamenteuze behandeling. Al met al had appellant in de periode van september 2008 tot en met september 2010 veel klachten van de ziekte van Graves. De klachten van appellant bestonden met name uit een tekort aan energie, prikkelbaarheid, en gebrek aan focus en concentratie, die toegeschreven kunnen worden aan de schildklierdysfunctie. Naar de visie van Fliers dienen de gezondheidsklachten van appellant in de periode van september 2008 tot en met september 2010 als een continuüm te worden gezien omdat er in de periode van 26 september 2008 tot en met 26 september 2010 (wachttijd) geen sprake was van een stabiele periode met een bij herhaling vastgestelde normale schildklierfunctie. Uit de laboratoriumuitslagen blijkt dat er gedurende de wachttijd geen enkel moment was waarop de schildklierwaarden normaal waren.
3.4.
Appellant heeft in reactie op het deskundigenrapport te kennen gegeven dat uit het rapport van Fliers volgt dat hij gedurende de wachttijd van 104 weken onafgebroken ziek is geweest, en dat nog steeds sprake is van beperkingen als gevolg van ziekte.
3.5.
Het Uwv heeft bij brief van 27 juni 2019, onder verwijzing naar een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 26 juni 2019, kenbaar gemaakt in de conclusies van de deskundige geen aanleiding te zien het standpunt te wijzigen. De gegevens in het rapport van de deskundige bevatten geen nieuwe medische gegevens ten opzichte van de beschikbare gegevens van de behandelaars.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.
Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde, deskundige volgt als de motivering van deze deskundige hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. Het deskundigenrapport geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. De conclusies van de deskundige zijn overtuigend onderbouwd op grond van het eigen onderzoek waarbij kennis is genomen van de beschikbare medische informatie. Er zijn geen aanknopingspunten om de conclusie van de deskundige dat appellant in de periode van 26 september 2008 tot en met 26 september 2010 veel klachten van de ziekte van Graves had (bestaande uit een tekort aan energie, prikkelbaarheid en gebrek aan focus en concentratie) en dat er sprake was van een continuüm, niet te volgen.
4.2.
Uit 4.1 volgt dat de wachttijd voor de WIA vervuld is en dat het Uwv zodoende dient vast te stellen of appellant na ommekomst van de wachttijd in aanmerking komt voor een uitkering op grond van de Wet WIA.
4.3.
Het voorgaande leidt ertoe dat de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komen. De Raad draagt het Uwv op met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen, een WIA-beoordeling te verrichten. Met oog op een voortvarende afdoening van het geschil bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen de door het Uwv te nemen nieuwe beslissing op bezwaar slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.
5. Over het verzoek van appellant om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt als volgt overwogen.

5.1.
Of de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) volgt dat daarbij van belang zijn de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van betrokkene (appellant) gedurende de gehele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van appellant.
5.3.
De redelijke termijn is in de rechterlijke fase met ruim vijf jaar overschreden. Ter zitting is vastgesteld dat deze overschrijding uitsluitend is toe te rekenen aan de lange behandelingsduur bij de Raad. Het op grond daarvan door appellant als vergoeding van immateriële schade gevorderde bedrag van € 5.000,- kan worden toegewezen.

6. Aanleiding bestaat het Uwv te veroordelen in de proceskosten die appellant in beroep en hoger beroep heeft gemaakt. Deze kosten worden begroot op € 1.024,- voor verleende rechtsbijstand in beroep (beroepschrift en zitting), € 1.536,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep (hoger beroepschrift, zitting, 0,5 punt voor schriftelijke zienswijze na verslag deskundigenonderzoek en 0,5 punt voor nadere zitting) en op een bedrag van € 120,59 voor reiskosten (openbaar vervoer bijwonen zitting bij de rechtbank, de zittingen bij de Raad en onderzoek deskundige). Tot slot wordt aanleiding gezien de Staat te veroordelen in de kosten die appellante in verband met het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft moeten maken tot een totaal bedrag van € 256,- (verzoekschrift schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, wegingsfactor 0,5). In totaal komt het bedrag aan door het Uwv te vergoeden kosten op € 2.680,59 en door de Staat op € 256,-.

beslissing

BESLISSING

- vernietigt de aangevallen uitspraak;- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 10 februari 2014;- draagt het Uwv op binnen twee maanden een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met - veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan appellant van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 5.000,-;- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2.680,59;- veroordeelt de Staat der Nederlanden in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 256,-;- bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van € 167,- vergoedt.
De Centrale Raad van Beroep

inachtneming van deze uitspraak en bepaalt dat beroep tegen dit besluit slechts bij de Raad kan worden ingesteld;
Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van J. Smolders als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 december 2019.

(getekend) J.P.M. Zeijen

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

VC