Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2019:3803

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Ambtenarenrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 28-11-2019. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 28-11-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2019:3803, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 18/3578 AW


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2019:3803:DOC
nl

18


Datum uitspraak: 28 november 2019Centrale Raad van BeroepMeervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 18 mei 2018, 17/3429 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de korpschef van politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C. Lamuadni hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 februari 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Lamuadni. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.A.M. Bot.
De Raad heeft het onderzoek heropend, omdat het onderzoek niet volledig is geweest. De Raad heeft appellant in de gelegenheid gesteld om een van de hoger beroepsgronden aan de hand van de door hem ingediende nadere stukken toe te lichten. Appellant heeft bij brief van 15 maart 2019 een toelichting gegeven. De korpschef heeft hierop bij brief van 19 april 2019 gereageerd.

De enkelvoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de meervoudige kamer.

Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 10 oktober 2019, waar de zaak gevoegd met een aantal soortgelijke zaken is behandeld. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. C. Lamuadni. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.A.M. Bot en C. Krooder-Tammer. In de gevoegde zaken wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.
overwegingen

OVERWEGINGEN

1.1.
Voor het kader en de van toepassing zijnde regelgeving betreffende deze hoger beroepen verwijst de Raad naar zijn uitspraken van 18 juli 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:2432, ECLI:NL:CRVB:2019:2506, ECLI:NL:CRVB:2019:2507, ECLI:NL:CRVB:2019:2508 en ECLI:NL:CRVB:2019:2573).
1.2.
Appellant was werkzaam in de LFNP-functie van Operationeel Expert TactischeOpsporing, gewaardeerd in salarisschaal 9. Hij heeft op 20 juni 2016 een aanvraag ingediend om ontheffing van werkzaamheden (18-maandenregeling/remplaçantenregeling) als bedoeld in artikel 55aa van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp), zoals dit luidde direct voorafgaand aan 1 juni 2016.
1.3.
Bij brief van 16 december 2016 is aan appellant medegedeeld dat zijn aanvraag nietverder in behandeling wordt genomen omdat het aantal lege plekken groter is dan het aantal herplaatsingskandidaten waarvoor nog een passende functie moet worden gevonden. Bij besluit van 29 december 2016 heeft de korpschef de aanvraag van appellant om de hiervoor genoemde reden afgewezen. Bij besluiten van 12 juli 2017 (bestreden besluiten) is het daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en heeft de korpschef de aanvraag om ontheffing van werkzaamheden afgewezen op de grond dat niet aan de voorwaarden daarvoor is voldaan, omdat op de peildatum 1 juni 2017 sprake is van overbezetting (van 0,06 fte).
1.4.
Bij tussenuitspraak van 20 december 2017 heeft de rechtbank, kort samengevat en voor zover hier van belang, overwogen dat de korpschef heeft medegedeeld dat de afwijzingsgrond niet langer wordt gehandhaafd en in zijn nadere reactie van 10 november 2017 heeft laten weten dat onderzoek heeft uitgewezen dat er in november 2017 geen herplaatsingskandidaat was die op de door appellant vrij te maken plaats geplaatst kon worden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de korpschef nagelaten onderzoek te doen naar de vraag of de aanvraag van appellant op een eerder moment had kunnen worden ingewilligd. De rechtbank heeft de korpschef in de gelegenheid gesteld dit gebrek te herstellen. De korpschef moet dan onderzoeken of in de periode van de aanvraag op 20 juni 2016 tot de primaire besluitvorming, derhalve op 16 en 29 december 2016 en op 12 juli 2017, de mogelijkheid bestond de aanvraag van appellant in te willigen.
1.5.
Bij brief van 4 januari 2018 heeft de korpschef de rechtbank geïnformeerd over de uitkomsten van het onderzoek naar herplaatsingskandidaten in de periode 1 juli 2016 tot en met 31 december 2016 en juli 2017.
1.6.
Appellant heeft hierop bij brief van 9 februari 2018 gereageerd.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met bepalingen over proceskosten en griffierecht, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de rechtsgevolgen van dat besluit in stand gelaten. Daartoe heeft de rechtbank, kort samengevat, overwogen dat de korpschef voldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat niet aannemelijk is dat er in de periode tot de primaire besluitvorming een herplaatsingskandidaat was die op de door appellant of met een driehoeksruil vrij te maken plaats herplaatst had kunnen worden. Ook de conclusie van de korpschef dat er ten tijde van het besluit van 12 juli 2017 geen mogelijkheid bestond een herplaatsingskandidaat op de door appellant vrij te maken plaats te plaatsen, acht de rechtbank voldoende onderbouwd.
3. Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank met de vaststelling van de proceskosten in eerste aanleg ten onrechte heeft nagelaten om een vergoeding voor de nadere zitting van 27 november 2017 toe te kennen. Deze beroepsgrond slaagt. De zitting van 27 november 2017 is een nadere zitting die is gehouden voorafgaande aan de tussenuitspraak. Volgens de Bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht bedraagt de vergoeding voor een nadere zitting 0,5 punt. Dit betekent dat de rechtbank een proceskostenvergoeding had moeten toekennen voor in totaal 3 punten in plaats van 2,5 punt.
4.2.
Appellant heeft zich verder, onder verwijzing naar de uitspraken van 18 juli 2019, op het standpunt gesteld dat, anders dan hij eerder heeft betoogd, de aanvraag om ontheffing van werkzaamheden in de beslissing op bezwaar dient te worden beoordeeld naar de situatie op de peildatum 1 juni 2017. Appellant heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de korpschef voldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat er geen mogelijkheid bestond een herplaatsingskandidaat op de door appellant vrij te maken plaats of de door middel van een driehoeksruil vrij te maken plaats te plaatsen en op grond daarvan ten onrechte de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand heeft gelaten. Deze beroepsgrond slaagt, reeds nu de korpschef ter zitting heeft erkend dat het onder 1.5 genoemde onderzoek onvolledig is geweest. De korpschef zal conform de in de uitspraken van 18 juli 2019 gegeven maatstaven onderzoeken of op de peildatum een herplaatsingskandidaat kon worden geplaatst op de plek van appellant en een nieuwe beslissing op bezwaar nemen. De korpschef heeft daarbij toegezegd dat in het nieuwe onderzoek ook de door appellant genoemde kandidaten uit de door hem ingediende Excel‑overzichten en de mogelijkheid van een driehoeksruil met de door appellant genoemde collega zullen worden betrokken.

4.3.
Uit wat in 4.1 en 4.2 is overwogen volgt dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover deze betrekking heeft op de hoogte van de proceskostenveroordeling en voor zover de rechtbank heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven. De Raad bepaalt dat de proceskosten in beroep worden vastgesteld op € 1536,-. Verder dient de korpschef een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. De Raad zal met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepalen dat een beroep tegen het nieuwe besluit slechts bij de Raad kan worden ingesteld.

4.4.
Appellant heeft ter zitting verzocht om schadevergoeding op grond van artikel 8:88, eerste lid, van de Awb. Hierover wordt overwogen dat niet zeker is hoe het nieuw te nemen besluit zal luiden. Het is daarom nu niet mogelijk om vast te stellen of, en zo ja in welke omvang, door appellant schade is geleden. Het verzoek om schadevergoeding zal daarom worden afgewezen. Dit betekent dat het verzoek om schadevergoeding mede ter beoordeling voorligt bij de nadere besluitvorming.
5. Aanleiding bestaat om de korpschef te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze worden begroot op € 1.792,- voor verleende rechtsbijstand.

beslissing

BESLISSING

- vernietigt de aangevallen uitspraak, voor deze betrekking heeft op de hoogte van de - draagt de korpschef op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;- bepaalt dat beroep tegen de nieuwe beslissing op bezwaar slechts bij de Raad kan worden ingesteld;- wijst het verzoek om schadevergoeding af;- bepaalt dat de proceskosten in beroep worden vastgesteld op € 1.536,-;- veroordeelt de korpschef in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.792,-.
De Centrale Raad van Beroep

proceskostenveroordeling en voor zover de rechtbank heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
bepaalt dat de korpschef aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 253,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma als voorzitter en H. Lagas en K.H. Sanders als leden, in tegenwoordigheid van Y. Itkal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 november 2019.

(getekend) C.H. Bangma

De griffier is verhinderd te ondertekenen.