Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2019:3801

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Ambtenarenrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 28-11-2019. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 28-11-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2019:3801, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 18/4509 AW


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2019:3801:DOC
nl

18


Datum uitspraak: 28 november 2019Centrale Raad van BeroepMeervoudige kamer
Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 18 juli 2018, 18/346 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

de korpschef van politie (korpschef)

[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

De korpschef heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. drs. P.W. Kuijper een verweerschrift ingediend en incidenteel hoger beroep ingesteld. Daarbij is verzocht om vergoeding van schade.

De korpschef heeft hierop een zienswijze gegeven.

De korpschef heeft op 7 november 2018 ter uitvoering van de aangevallen uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar genomen (nader besluit). Betrokkene heeft hierop gereageerd.

Beide partijen hebben een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met een aantal soortgelijke zaken, plaatsgevonden op 10 oktober 2019. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.A.M. Bot en C. Krooder-Tammer. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. drs. Kuijper. In de gevoegde zaken wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

overwegingen

OVERWEGINGEN

1.1.
Betrokkene was werkzaam als [naam functie] bij het [onderdeel]. Betrokkene heeft op 12 september 2016 een aanvraag ingediend om ontheffing van werkzaamheden (18-maandenregeling/remplaçantenregeling) als bedoeld in artikel 55aa van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp), zoals dit luidde direct voorafgaand aan 1 juni 2016.
1.2.
Bij brief van 16 december 2016, aangevuld bij brief van 3 maart 2017, is aan betrokkene medegedeeld dat zijn aanvraag niet verder in behandeling wordt genomen omdat het aantal lege plekken groter is dan het aantal herplaatsingskandidaten waarvoor nog een passende functie moet worden gevonden. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 12 juli 2017 gegrond verklaard. Hierbij is medegedeeld dat alsnog inhoudelijk op de aanvraag van betrokkene wordt beslist.
1.3.
Bij besluit van 12 juli 2017 heeft de korpschef de aanvraag om ontheffing van werkzaamheden afgewezen op de grond dat niet aan de voorwaarden daarvoor is voldaan, omdat op de peildatum 1 juni 2017 sprake is van een onderbezetting van 0,06 fte. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 7 december 2017 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Hierbij heeft de korpschef vastgesteld dat ten tijde van het bestreden besluit sprake is van een onderbezetting van 2,16 fte. Daarmee is niet voldaan aan de voorwaarde dat bij het vertrek van betrokkene een formatieplaats vrijkomt.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met bepalingen over proceskosten en griffierecht, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de korpschef opgedragen een nieuw besluit te nemen. Daartoe heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, overwogen dat de korpschef bij de beslissing op bezwaar terecht conform de hoofdregel van artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ex nunc heeft beslist, dat wil zeggen met inachtneming van alle (gewijzigde) feiten en omstandigheden zoals die bekend zijn op het tijdstip van heroverweging in bezwaar. Door het vertrek van betrokkene zou ten tijde van de beslissing op bezwaar 3,44 fte aan formatieruimte beschikbaar zijn. De rechtbank acht het bij een formatieplaats van deze omvang niet op voorhand ondenkbaar dat hiervoor herplaatsingskandidaten kunnen worden gevonden. De korpschef zal daarom alsnog moeten onderzoeken of er een herplaatsingskandidaat beschikbaar is voor de vrijkomende formatieplaats.
3. Partijen hebben zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. Bij het nadere besluit van 7 november 2018 heeft de korpschef het bezwaar van betrokkene opnieuw ongegrond verklaard, omdat uit het onderzoek is gebleken dat de functie van betrokkene geen passende plek is voor een van de 55 herplaatsingskandidaten. Nu met het nadere besluit niet aan de bezwaren van betrokkene is tegemoet gekomen, zal de Raad, gelet op de artikelen 6:19 en 6:24 van de Awb dit besluit mede in zijn beoordeling betrekken.
5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Incidenteel hoger beroep

5.1.
Betrokkene heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat de korpschef bij de beslissing op bezwaar terecht op grond van artikel 7:11 van de Awb ex nunc heeft beslist. Deze beroepsgrond slaagt. De Raad heeft in zijn uitspraken van 18 juli 2019 het uitgangspunt onderschreven dat alle aanvragen op gelijke wijze worden beoordeeld en het niet onredelijk geacht dat daarvoor een peildatum wordt gehanteerd. Geoordeeld is dat de peildatum van 1 juni 2017 de rechterlijke toets kan doorstaan. Dit betekent dat de korpschef de aanvraag om ontheffing van werkzaamheden bij het nieuw te nemen besluit dient te beoordelen naar de situatie op de peildatum 1 juni 2017.
5.2.
Uit wat in 5.1 is overwogen volgt dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd voor zover de rechtbank heeft geoordeeld dat de korpschef bij de beslissing op bezwaar terecht op grond van artikel 7:11 van de Awb ex nunc heeft beslist.
Hoger beroep

5.3.
De korpschef bestrijdt uitsluitend nog het oordeel van de rechtbank dat bij de in het bestreden besluit geconstateerde onderbezetting een formatieplaats vrijkomt door het vertrek van betrokkene. De korpschef heeft ter zitting echter erkend dat, gelet op de uitspraken van 18 juli 2019, uitgegaan dient te worden van de situatie op de peildatum 1 juni 2017 en niet van de situatie ten tijde van het bestreden besluit. Niet in geschil is dat op de peildatum sprake was van een onderbezetting van 0,06 fte en dat in die situatie bij het vertrek van betrokkene een formatieplaats vrijkomt. Om die reden zal de korpschef conform de in de uitspraken van 18 juli 2019 gegeven maatstaven onderzoeken of op de peildatum een herplaatsingskandidaat kon worden geplaatst op de plek van betrokkene en een nieuwe beslissing op bezwaar nemen. Naar het oordeel van de Raad behoeft de beroepsgrond van de korpschef daarom, mede gelet op wat in 5.1 en 5.2 is overwogen, geen bespreking meer.
5.4.
Uit wat in 5.3 is overwogen volgt dat het hoger beroep van de korpschef niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor het overige, dient te worden bevestigd.
Nader besluit

5.5.
Uit 5.3 volgt eveneens dat het nadere besluit geen stand kan houden. Reeds hierom dient het beroep tegen het nadere besluit gegrond te worden verklaard en komt het nadere besluit voor vernietiging in aanmerking. De korpschef dient een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. De Raad zal verder met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb bepalen dat een beroep tegen het nieuwe besluit slechts bij de Raad kan worden ingesteld.
5.6.
Over het verzoek van betrokkene om schadevergoeding op grond van artikel 8:88, eerste lid, van de Awb wordt het volgende overwogen. Niet zeker is hoe het nieuw te nemen besluit zal luiden. Het is daarom nu niet mogelijk om vast te stellen of, en zo ja in welke omvang, door betrokkene schade is geleden. Het verzoek om schadevergoeding zal daarom worden afgewezen. Dit betekent dat het verzoek om schadevergoeding mede ter beoordeling voorligt bij de nadere besluitvorming.
6. Aanleiding bestaat om de korpschef te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand tot een bedrag van € 1.792,-.

beslissing

BESLISSING

- vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover de rechtbank heeft geoordeeld dat de korpschef bij de beslissing op bezwaar terecht op grond van artikel 7:11 van de Awb ex nunc heeft beslist;- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;- verklaart het beroep tegen het besluit van 7 november 2018 gegrond en vernietigt dat besluit;- draagt de korpschef op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;- bepaalt dat beroep tegen de nieuwe beslissing op bezwaar slechts bij de Raad kan worden ingesteld;- wijst het verzoek om schadevergoeding af;- veroordeelt de korpschef in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 1.792,-;- bepaalt dat van de korpschef een griffierecht wordt geheven van € 508,-.
De Centrale Raad van Beroep

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma als voorzitter en H. Lagas en K.H. Sanders als leden, in tegenwoordigheid van Y. Itkal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 november 2019.

(getekend) C.H. Bangma

De griffier is verhinderd te ondertekenen.