Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2019:3799

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Ambtenarenrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 28-11-2019. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 28-11-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2019:3799, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 18/5191 AW


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2019:3799:DOC
nl

18


Datum uitspraak: 28 november 2019Centrale Raad van BeroepMeervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 15 augustus 2018, 18/526 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de korpschef van politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. C. Lamuadni hoger beroep ingesteld.

Appellante heeft een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met een aantal soortgelijke zaken, plaatsgevonden op 10 oktober 2019. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Lamuadni. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.A.M. Bot en C. Krooder-Tammer. In de gevoegde zaken wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

overwegingen

OVERWEGINGEN

1.1.
Voor het kader en de van toepassing zijnde regelgeving betreffende deze hoger beroepen verwijst de Raad naar zijn uitspraken van 18 juli 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:2432, ECLI:NL:CRVB:2019:2506, ECLI:NL:CRVB:2019:2507, ECLI:NL:CRVB:2019:2508 en ECLI:NL:CRVB:2019:2573).
1.2.
Appellante is werkzaam in de functie van [functie] bij de eenheid [eenheid]. Zij heeft op 25 augustus 2016 een aanvraag ingediend om ontheffing van werkzaamheden (18-maandenregeling/remplaçantenregeling) als bedoeld in artikel 55aa van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp), zoals dit luidde direct voorafgaand aan 1 juni 2016.

1.3.
Bij brief van 16 december 2016, nader toegelicht bij brief van 3 maart 2017, is aan appellante medegedeeld dat haar aanvraag niet verder in behandeling wordt genomen omdat het aantal lege plekken groter is dan het aantal herplaatsingskandidaten waarvoor nog een passende functie moet worden gevonden. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 12 juli 2017 gegrond verklaard. Hierbij is medegedeeld dat alsnog inhoudelijk op de aanvraag van appellante wordt beslist.

1.4.
Bij besluit van 12 juli 2017 heeft de korpschef de aanvraag om ontheven te worden van werkzaamheden afgewezen op de grond dat niet aan de voorwaarden daarvoor is voldaan, omdat op de peildatum 1 juni 2017 sprake is van een overbezetting van 0,09 fte. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 6 december 2017 ongegrond verklaard. Hierbij heeft de korpschef vastgesteld dat ook op basis van de actuele situatie sprake is van een overbezetting van 0,09 fte.

1.5.
Bij besluit van 18 mei 2018 (bestreden besluit) heeft de korpschef het besluit van 6 december 2017 ingetrokken en het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. Hierbij heeft de korpschef erkend dat bij het vertrek van appellante formatieruimte ontstaat voor plaatsing van een herplaatsingskandidaat. Aan de voorwaarde dat op de vrijkomende formatieplaats een herplaatsingskandidaat kan worden geplaatst, wordt echter niet voldaan, omdat uit het onderzoek van het Landelijk Mobiliteitscentrum (LMC) is gebleken dat de functie van appellante geen passende plek is voor een van de twaalf herplaatsingskandidaten.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, kort samengevat, overwogen dat de korpschef bij het nemen van het primaire besluit ervoor heeft mogen kiezen om aanvankelijk 1 juni 2017 als peildatum te hanteren voor de beoordeling van de mogelijkheid een herplaatsingskandidaat te plaatsen, omdat daarmee bewerkstelligd is dat alle aanvragen voortvarend en op gelijke wijze zijn behandeld. In bezwaar heeft de korpschef terecht conform de hoofdregel van artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ex nunc beslist, dat wil zeggen met inachtneming van alle (gewijzigde) feiten en omstandigheden zoals die bekend zijn op het tijdstip van heroverweging in bezwaar. Verder heeft de korpschef naar het oordeel van de rechtbank voldoende inzichtelijk gemaakt op grond waarvan hij tot de conclusie komt dat er geen herplaatsingskandidaat was die in de door appellante vrij te maken plaats herplaatst kon worden. De rechtbank kan de korpschef volgen in het standpunt dat met het verstrekken van verdergaande informatie de persoonlijke levenssfeer van in het onderzoek betrokken herplaatsingskandidaten in het gedrang komt.
3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Appellante heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat de korpschef ex nunc mocht beslissen en dat het bestreden besluit voldoende is gemotiveerd. Deze beroepsgronden slagen. De Raad heeft in zijn uitspraken van 18 juli 2019 het uitgangspunt onderschreven dat alle aanvragen op gelijke wijze worden beoordeeld en het niet onredelijk geacht dat daarvoor een peildatum wordt gehanteerd. De korpschef heeft in dit verband ter zitting medegedeeld dat het onderzoek naar de situatie op de peildatum onvolledig is geweest. De korpschef zal onderzoeken of op de peildatum 1 juni 2017 een herplaatsingskandidaat op de plek van appellante kon worden geplaatst en een nieuwe beslissing op bezwaar nemen conform de in de uitspraken van 18 juli 2019 gegeven maatstaven.

4.2.
Gelet op wat onder 4.1 is overwogen slaagt het hoger beroep en dient de aangevallen uitspraak te worden vernietigd, voor zover aangevochten. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dit besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb. De korpschef dient opnieuw op het bezwaar te beslissen. De Raad zal verder met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb bepalen dat een beroep tegen de nieuwe beslissing op bezwaar slechts bij de Raad kan worden ingesteld.

4.3.
Appellante heeft ter zitting verzocht om schadevergoeding op grond van artikel 8:88, eerste lid, van de Awb. Hiertoe wordt overwogen dat niet zeker is hoe het nieuw te nemen besluit zal luiden. Het is daarom nu niet mogelijk om vast te stellen of, en zo ja in welke omvang, door appellante schade is geleden. Het verzoek om schadevergoeding zal daarom worden afgewezen. Dit betekent dat het verzoek om schadevergoeding mede ter beoordeling voorligt bij de nadere besluitvorming.
5. Aanleiding bestaat om de korpschef te veroordelen in de proceskosten die appellante redelijkerwijs heeft moeten maken voor verleende rechtsbijstand. Deze kosten worden vastgesteld op € 768,- in beroep en op € 1.024,- in hoger beroep, derhalve in totaal € 1.792,-.

beslissing

BESLISSING

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;- verklaart het beroep tegen het besluit van 6 december 2017gegrondvernietigt het besluit van 6 december 2017;- draagt de korpschef op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;- bepaalt dat beroep tegen de nieuwe beslissing op bezwaar slechts bij de Raad kan worden ingesteld;- wijst het verzoek om schadevergoeding af;- veroordeelt de korpschef in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.792,-;- bepaalt dat de korpschef aan appellant het beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 423,- vergoedt.
De Centrale Raad van Beroep

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma als voorzitter en H. Lagas en K.H. Sanders als leden, in tegenwoordigheid van Y. Itkal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 november 2019.

(getekend) C.H. Bangma

De griffier is verhinderd te ondertekenen.