Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2019:3796

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 28-11-2019. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 28-11-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2019:3796, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 18/6372 AW


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2019:3796:DOC
nl

18


Datum uitspraak: 28 november 2019Centrale Raad van BeroepMeervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 22 november 2018, 18/252 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

de korpschef van politie (korpschef)

[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

De korpschef heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. drs. P.W. Kuijper een verweerschrift ingediend. Daarbij heeft hij verzocht om vergoeding van schade.

De korpschef heeft op 6 maart 2019 ter uitvoering van de aangevallen uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar genomen (nader besluit). Betrokkene heeft hierop zijn reactie kenbaar gemaakt.

De korpschef heeft nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met een aantal soortgelijke zaken, plaatsgevonden op 10 oktober 2019. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.A.M Bot en C. Krooder-Tammer. Betrokkene heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. Kuijper. In de gevoegde zaken wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

overwegingen

OVERWEGINGEN

1.1.
Voor het kader en de van toepassing zijnde regelgeving betreffende dit hoger beroep verwijst de Raad naar zijn uitspraken van 18 juli 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:2432, ECLI:NL:CRVB:2019:2506, ECLI:NL:CRVB:2019:2507, ECLI:NL:CRVB:2019:2508 en ECLI:NL:CRVB:2019:2573).
1.2.
Betrokkene was werkzaam in de functie van [functie] bij de politie‑eenheid [eenheid]. Hij heeft op 27 september 2016 een aanvraag ingediend om ontheffing van werkzaamheden (18-maandenregeling/remplaçantenregeling) als bedoeld in artikel 55aa van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp), zoals dit luidde direct voorafgaand aan 1 juni 2016. Bij brief van 16 december 2016, aangevuld bij brief van 3 maart 2017, is aan betrokkene medegedeeld dat zijn aanvraag niet verder in behandeling wordt genomen omdat het aantal lege plekken groter is dan het aantal herplaatsingskandidaten waarvoor nog een passende functie moet worden gevonden. Bij besluit van 12 juli 2017 heeft de korpschef de aanvraag om ontheffing van werkzaamheden alsnog afgewezen op de grond dat niet aan de voorwaarden daarvoor is voldaan, omdat op de peildatum 1 juni 2017 sprake is van een overbezetting van 0,26 fte. Tegen dit besluit heeft betrokkene geen rechtsmiddelen aangewend.
1.3.
Op 14 augustus 2017 heeft betrokkene opnieuw een aanvraag ingediend om ontheffing van werkzaamheden als bedoeld in artikel 55aa van het Barp. Bij besluit van 30 augustus 2017 heeft de korpschef die aanvraag afgewezen op de grond dat niet aan de voorwaarden daarvoor is voldaan, omdat op 1 augustus 2017 sprake is van een overbezetting van 0,26 fte. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 7 december 2017 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met bepalingen over proceskosten en griffierecht, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de korpschef opgedragen een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak. De rechtbank heeft, kort samengevat en voor zover hier van belang, overwogen dat de korpschef 1 augustus 2017 niet als peildatum heeft mogen hanteren en had moeten uitgaan van de situatie op het moment van het indienen van de aanvraag, namelijk 14 augustus 2017.
3. Bij het nadere besluit heeft de korpschef het bezwaar van betrokkene opnieuw ongegrond verklaard, omdat uit het onderzoek is gebleken dat de functie van betrokkene geen passende plek is voor de op 14 augustus 2017 beschikbare herplaatsingskandidaten. Hiertoe is verwezen naar het bij het besluit gevoegde overzicht, waaruit blijkt waarom geen sprake is van een passende plek voor de herplaatsingskandidaten. In aanvulling op dit overzicht heeft de korpschef bij brief van 15 juli 2019 een overzicht ingezonden waarin per herplaatsingskandidaat een algemene onderbouwing is gegeven met zo mogelijk extra informatie.
4. Nu met het nadere besluit niet geheel aan de bezwaren van betrokkene is tegemoetgekomen, zal de Raad, gelet op de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dit besluit mede in zijn beoordeling betrekken.
5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
5.1.
Het hoger beroep richt zich uitsluitend nog tegen het oordeel van de rechtbank dat de korpschef had moeten uitgaan van de situatie op het moment van het indienen van de aanvraag. De korpschef heeft ter zitting aangevoerd dat ook in het geval van betrokkene dient te worden uitgegaan van de peildatum 1 juni 2017, omdat met de keuze voor die datum wordt bewerkstelligd dat alle aanvragen op gelijke wijze worden behandeld. Deze beroepsgrond slaagt. Hiertoe verwijst de Raad naar wat hierover is overwogen in de uitspraken van 18 juli 2019. Daarbij komt dat betrokkene een nieuwe aanvraag heeft ingediend binnen de bezwaartermijn.
5.2.
Uit 5.1 volgt dat het hoger beroep slaagt en dat de uitspraak dient te worden vernietigd voor zover de rechtbank tot het oordeel is gekomen dat de aanvraag van betrokkene dient te worden beoordeeld naar de situatie op de aanvraagdatum.
6. Tussen partijen is niet in geschil dat de situatie op de aanvraagdatum, die door de korpschef bij het nadere besluit is beoordeeld, feitelijk niet anders was dan de situatie op de peildatum. De korpschef heeft ter zitting desgevraagd medegedeeld dat het overzicht onvolledig is en onjuistheden bevat en dat daarom ook in deze zaak nieuw onderzoek zal plaatsvinden. Reeds hierom komt het nadere besluit voor vernietiging in aanmerking. De korpschef dient opnieuw op het bezwaar te beslissen. De Raad zal verder met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb bepalen dat een beroep tegen de nieuwe beslissing op bezwaar slechts bij de Raad kan worden ingesteld.
7. Over het verzoek van betrokkene om schadevergoeding op grond van artikel 8:88, eerste lid, van de Awb wordt het volgende overwogen. Niet zeker is hoe het nieuw te nemen besluit zal luiden. Het is daarom nu niet mogelijk om vast te stellen of, en zo ja in welke omvang, door betrokkene schade is geleden. Het verzoek om schadevergoeding zal daarom worden afgewezen. Dit betekent dat het verzoek om schadevergoeding mede ter beoordeling voorligt bij de nadere besluitvorming.
8. De Raad ziet aanleiding de korpschef te veroordelen in de kosten die betrokkene in verband met het nadere besluit redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden begroot op € 768,- voor verleende rechtsbijstand.
Het nadere besluit

Verzoek om schadevergoeding

beslissing

BESLISSING

- vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover de rechtbank daarin heeft geoordeeld dat de korpschef de aanvraag had moeten beoordelen naar de situatie op de aanvraagdatum;- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;- verklaart het beroep tegen het besluit van 6 maart 2019 gegrond en vernietigt dat besluit;- draagt de korpschef op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;- bepaalt dat beroep tegen de nieuwe beslissing op bezwaar slechts bij de Raad kan worden ingesteld;- wijst het verzoek om schadevergoeding af;- veroordeelt de korpschef in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 768,-.
De Centrale Raad van Beroep

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. Bangma als voorzitter en H. Lagas en K.H. Sanders als leden, in tegenwoordigheid van Y. Itkal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 november 2019.

(getekend) C.H. Bangma

De griffier is verhinderd te tekenen.