Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2019:3794

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Ambtenarenrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 28-11-2019. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 28-11-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2019:3794, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 18/3022 AW


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2019:3794:DOC
nl

18/3022 AW, 19/540 AW en 19/610 AW

Datum uitspraak: 28 november 2019

Centrale Raad van BeroepMeervoudige kamer
Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 19 april 2018, 17/5086 (aangevallen uitspraak 1) en van de rechtbank Noord-Holland van 20 december 2018, 17/4122 en 18/1024 (aangevallen uitspraak 2)
Partijen:
[Appellant 2] te [woonplaats 2] (appellant 2)[Appellant 3] te [woonplaats 3] (appellant 3)
de korpschef van politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten 1 en 2 heeft mr. N.D. Dane, advocaat, hoger beroepen ingesteld.Namens appellant 3 heeft mr. M. van Breenen hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting in de gevoegde zaken heeft plaatsgevonden op 17 oktober 2019. Namens appellanten 1 en 2 is mr. Dane en namens appellant 3 is mr. Van Breenen verschenen. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.S. Tibben, mr. J.P.M. op den Camp en drs. H.G.D.M. Kiezebrink.
overwegingen

OVERWEGINGEN
1.1.
Appellant 1 is werkzaam bij de politie als [naam functie] met als plaats van tewerkstelling de [plaats A], locatie [locatie]. Zijn hoofdtaak is het verlenen van ondersteuning aan de noodhulpsurveillance waarvoor hij overal binnen de eenheid [eenheid 1] wordt ingezet. Voor het werk in de late diensten, dat wil zeggen van

15.00
uur tot 24.00 uur, heeft appellant 1 voor de maand februari 2017 verblijfkosten gedeclareerd vanwege gemaakte dienstreizen. Bij e-mailbericht van 14 maart 2017 heeft de leidinggevende dit verzoek afgewezen. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 13 juli 2017 ongegrond verklaard (bestreden besluit 1).
1.2.
Appellant 2 is als politieambtenaar werkzaam bij de [eenheid 2], Dienst [dienst], afdeling [afdeling]. Hij verzorgt Informatie Gestuurde Projecten op de autosnelweg en verricht controlediensten bij het Domein Water. Zijn plaats van tewerkstelling is [plaats]. Appellant 2 heeft over de maanden juni tot en met oktober 2016 verzocht om vergoeding van verblijfkosten vanwege gemaakte dienstreizen. Bij besluiten van 11 november 2016 en 5 december 2016 zijn deze verzoeken afgewezen. Bij besluit van 3 augustus 2017 (bestreden besluit 2) heeft de korpschef het bezwaar tegen de besluiten van 11 november 2016 en 5 december 2016 ongegrond verklaard.
1.3.
Appellant 3 is als politieambtenaar in de rang van hoofdagent werkzaam bij de [eenheid 2], Dienst [dienst], afdeling [afdeling]. Hij verzorgt met name gerichte IGP- en ANPR-controles op de autosnelweg. Zijn plaats van tewerkstelling is [plaats]. Appellant 3 heeft over de maanden juni en juli 2016 verzocht om vergoeding van verblijfkosten vanwege gemaakte dienstreizen. Bij e-mailberichten van 11 en 21 november 2016 zijn deze declaraties afgewezen. Bij besluit van 3 augustus 2017 (bestreden besluit 3) heeft de korpschef het bezwaar ongegrond verklaard.
1.4.
De korpschef heeft bij de bestreden besluiten zijn opvatting gehandhaafd dat appellanten geen dienstreizen hebben gemaakt op de dagen waarover zij de declaraties voor verblijfkosten wegens gemaakte dienstreizen indienden. Daarom hebben zij geen aanspraak op de gevraagde vergoedingen. Het subsidiaire verzoek van appellanten 2 en 3 om een afbouwregeling te treffen vanwege de lange periode waarover appellanten voor vergelijkbare reizen wel de vergoedingen van een dienstreis kregen is eveneens afgewezen.
2.1.
Bij de aangevallen uitspraak 1 is het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. De rechtbank oordeelde dat appellant 1 geen dienstreizen maakte op dagen waarover hij de declaraties indiende, omdat de verplaatsing in de dienstauto onderdeel uitmaakt van de surveillancetaak en het verlenen van ondersteuning. De reisbewegingen vinden niet plaats ‘in het kader van’ de werkzaamheden maar betreffen de werkzaamheden zelf.
2.2.
Bij de aangevallen uitspraak 2 zijn de beroepen tegen de bestreden besluiten 2 en 3 ongegrond verklaard. De rechtbank oordeelde dat structurele reisbewegingen in het kader van de reguliere dienstverrichting moeten worden onderscheiden van dienstreizen die een incidenteel karakter hebben. Voor een afbouwregeling is geen reden. Appellanten kunnen bij hun uitgaven rekening houden met de regeling.
3. In hoger beroep hebben appellanten zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraken gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Ingevolge artikel 8, eerste lid, van het Besluit reis-, verblijf- en verhuiskosten politie (Brvvp) wordt onder dienstreis in deze paragraaf verstaan: het door de ambtenaar, in het kader van zijn werkzaamheden, reizen en verblijven binnen Nederland en buiten zijn plaats van tewerkstelling.
4.2.
Op grond van artikel 13, eerste lid, van het Brvvp wordt aan de ambtenaar bij een dienstreis langer dan vier uren een vergoeding toegekend voor tijdens die dienstreis gemaakte verblijfkosten. In het tweede lid worden de onderscheiden componenten vermeld die voor vergoeding in aanmerking kunnen komen, waaronder een lunch- en een dinercomponent en een dagcomponent voor kleine uitgaven. In het derde tot en met vijfde lid worden nadere voorschriften gegeven met betrekking tot de onderscheiden componenten.
4.3.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat appellanten op de dagen waarvoor zij verzocht hebben om vergoeding van verblijfkosten wegens gemaakte dienstreizen werkzaamheden hebben verricht buiten hun plaats van tewerkstelling. Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag of sprake was van gemaakte dienstreizen
4.3.2.
Bij de beantwoording van de vraag of de interpretatie door de korpschef van artikel 8, eerste lid, van het Brvvp gevolgd kan worden stelt de Raad voorop dat de bewoordingen van die bepaling op zich en ook gelezen in combinatie met de bijbehorende nota van toelichting geen aanwijzing geven voor wat hiermee exact bedoeld is. Appellanten kunnen dus niet gevolgd worden in hun stelling dat de tekst van de bepaling helder en eenduidig is. De Raad ziet, evenals de rechtbanken hebben gedaan, aanleiding om terug te grijpen op het Besluit vergoeding dienstreizen politie (Bvdp), gepubliceerd in Staatsblad 1994, 217, de voorganger van het Brvvp, nu de nota van toelichting bij het Brvvp naar dat Bvdp verwijst. In de nota van toelichting bij het Bvdp (onderdeel Algemeen) is vermeld dat de regeling toegespitst is op incidentele dienstreizen. Naar het oordeel van de Raad past dat incidentele karakter bij de definitie van dienstreis in artikel 1, aanhef en onder e, sub 1, van het Bvdp, luidende ‘een naar het oordeel van het bevoegd gezag noodzakelijke verplaatsing van een ambtenaar tot het verrichten van dienst buiten zijn plaats van tewerkstelling’. De nota van toelichting bij het Brvvp (onderdeel Algemeen) vermeldt onder de daarin opgesomde meest in het oog springende wijzigingen ten opzichte van de voorheen geldende regelingen voorts niet de omschrijving van dienstreis en de voorwaarden voor de aanwezigheid van een dienstreis. Dit leidt de Raad met de rechtbank Noord-Holland tot het oordeel dat de regelgever met het Brvvp op dit punt geen wijziging ten opzichte van het Bvdp heeft beoogd en dat dienstreizen als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van het Brvvp incidentele reizen zijn en niet het reizen dat onderdeel is van de normale dienstverrichting. Deze uitleg wordt niet belemmerd door de eerdere opmerking in de nota van toelichting bij het Brvvp (onder Algemeen) dat het besluit de vergoeding regelt voor alle verkeersbewegingen die door de ambtenaar in het kader van de uitoefening van zijn taak worden gemaakt. De uitleg van de korpschef van artikel 8, eerste lid, van het Brvvp, dat geen sprake is van een dienstreis wanneer de politieambtenaar zijn reguliere werkzaamheden ook buiten de plaats van tewerkstelling uitoefent en wanneer geen sprake is van een incidentele reis, is daarom aanvaardbaar. De hoger beroepen slagen in zoverre niet.
4.3.3.
Appellanten 2 en 3 hebben in hoger beroep herhaald dat een afbouwregeling aangewezen is omdat zij gedurende vele jaren de verblijfkosten van artikel 13 van het Brvvp onder de vigeur van deze regeling wel vergoed kregen. De Raad is ook op dit onderdeel niet tot een ander oordeel gekomen dan de rechtbank bij aangevallen uitspraak 2. Binnen de [eenheid 2] is op 21 april 2016 bekendgemaakt dat er vanaf 1 juni 2016 uniforme toepassing zal worden gegeven aan de regels voor vergoeding van dienstreizen. Daarbij is de inhoud van de regels weergegeven en met voorbeelden toegelicht. Ook is aandacht geschonken aan toen voorkomende onjuiste praktijken. Appellanten 2 en 3 waren daardoor bijtijds op de hoogte van het nieuwe regiem. Zij waren dan ook in staat om met dit regiem rekening te houden en geen kosten te maken die niet vergoed zouden worden. Daarbij is van belang dat zij voor de lunch, indien nodig, een lunchpakket konden meekrijgen. De kosten van bijvoorbeeld toiletbezoek en parkeergeld konden vergoed worden onder de noemer operationele kosten. Zoals de korpschef desgevraagd ter zitting heeft meegedeeld geldt dat laatste ook voor de avondmaaltijd indien deze nodig is.
5. Uit 4.3.1 tot en met 4.3.3 volgt dat dat de hoger beroepen niet slagen. De aangevallen uitspraken moeten daarom worden bevestigd
6. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.
beslissing

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma als voorzitter en J.C.F. Talman en G. Aarts als leden, in tegenwoordigheid van D. Bakker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 november 2019.

(getekend) C.H. Bangma

(getekend) D. Bakker