Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2019:3793

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Ambtenarenrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 28-11-2019. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 28-11-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2019:3793, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 18/4879 AW


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2019:3793:DOC
nl

18


Datum uitspraak: 28 november 2019

Centrale Raad van BeroepMeervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 25 juli 2018, 17/2150 en 17/224 (aangevallen uitspraak)
Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Minister van Justitie en Veiligheid (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.M. Stalmeier hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend en, desgevraagd, nadere stukken ingezonden.

Appellante heeft nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 oktober 2019. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Stalmeier. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.B. Vermeulen, drs. M. Tonnen en Th. Wörgetter.
overwegingen

OVERWEGINGEN
1.1.
Appellante is sinds 1999 in dienst bij de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI). Zij was laatstelijk werkzaam in de functie van [naam functie] bij de Penitentiaire Inrichtingen (PI) [regio], locaties [locatie A] en [locatie B].
1.2.
Met het oog op bezuinigingen is bij Besluit inkoop artsenzorg (Besluit) van 23 november 2004 aangekondigd om met ingang van 1 januari 2008 de artsenzorg binnen de sector Gevangeniswezen volledig (extern) te gaan inkopen. Met de Richtlijn ambtelijke aanstelling (Richtlijn) van 7 januari 2008 is besloten vast te houden aan het uitgangspunt van het inkopen van artsenzorg bij nieuwe vacatures. Tevens is besloten om voor de zittende artsen niet over te gaan tot ontslag, maar te kiezen voor een sterfhuisconstructie.
1.3.
Als gevolg van Rijksbrede bezuinigingen is in het Masterplan DJI 2013-2018 (Masterplan) van 19 juni 2013 voor de DJI uitgewerkt dat DJI-breed een capaciteitsreductie zal plaatsvinden. In het Masterplan is besloten dat onder meer de locaties [locatie A] en [locatie B] worden gesloten.
1.4.
In het Personeelsplan DJI (Personeelsplan) van 1 juli 2013, dat de personele en organisatorische uitgangspunten en keuzen ten behoeve van de taakstellingen binnen DJI bevat, is neergelegd dat voor de uitvoering van het Masterplan in beginsel de vestiging/inrichting als reorganisatiebereik geldt. Als een locatie sluit wordt de boventalligheid binnen de verschillende functiegroepen bepaald over de hele vestiging/inrichting.
1.5.
Bij brief van 27 september 2013 is appellante geïnformeerd dat in het kader van de uitvoering van het Masterplan is besloten dat het Huis van Bewaring aan de [locatie A], onderdeel van de PI [regio], per 1 januari 2014 zal worden gesloten. Hiermee verdwijnt een deel van de functies van de PI [regio]. Binnen de functiegroep waarvan appellante deel uitmaakt, wordt boventalligheid verwacht. Dit betekent dat voor haar per direct de vrijwillige Van Werk naar Werk (VWNW)-fase start.
1.6.
Bij besluit van 26 november 2014 is appellante wegens het vervallen van haar functie per 1 december 2014 aangewezen als verplicht VWNW-kandidaat. Tegen dit besluit heeft appellante geen rechtsmiddelen aangewend.
1.7.
Bij besluit van 7 december 2015 is het VWNW-plan van appellante als bedoeld in artikel 49y van het Algemeen Rijksambtenarenreglement vastgesteld. Het daartegen gemaakte bezwaar heeft de minister bij besluit van 7 april 2017 (bestreden besluit 1) ongegrond verklaard.
1.8.
Op 12 april 2016 heeft appellante door middel van een zogenoemde open sollicitatiebrief gesolliciteerd naar de functie van [naam functie] in het toentertijd nog te openen Justitieel Complex [naam complex] (JCZ). Bij besluit van 2 mei 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 7 december 2016 (bestreden besluit 2), is deze sollicitatie afgewezen.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met bepalingen over griffierecht en proceskosten, het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en de minister opgedragen om een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar tegen het besluit van 7 december 2015 met inachtneming van de uitspraak. Het beroep tegen bestreden besluit 2 is ongegrond verklaard.

2.1.
De rechtbank komt ten aanzien van het VWNW-plan tot het oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de garanties die in het Besluit en de Richtlijn aan zittende artsen zijn gegeven, appellante niet vrijwaren van de rechtspositionele gevolgen van de reorganisatie van DJI. Het besluit om zittende artsen destijds, op het moment dat werd besloten de artsenzorg voortaan extern in te kopen, niet te ontslaan is in een heel ander kader genomen en staat los van de reorganisatie die met het Masterplan in gang is gezet. Door deze reorganisatie, die niet landelijk maar per vestiging/inrichting plaatsvindt, is de formatieplaats voor de door appellante vervulde functie als justitieel arts vervallen. Daarbij is de rechtspositie van appellante als verplichte VWNW-kandidaat als ambtenaar met een vaste aanstelling gewaarborgd, zoals voor iedere andere ambtenaar met een vaste aanstelling. Het Masterplan noch het Personeelsplan bieden aanknopingspunten dat ten aanzien van justitieel artsen met een ambtelijke aanstelling bij DJI in het kader van de reorganisatie aparte afspraken zijn gemaakt. Uit het Besluit en de Richtlijn is evenmin af te leiden dat de sterfhuisconstructie de garantie inhoudt dat zittende justitieel artsen gevrijwaard zijn van rechtspositionele gevolgen van toekomstige reorganisaties. De stelling van appellante dat zij een andere status heeft dan andere VWNW-kandidaten, onderschrijft de rechtbank dan ook niet. Het goed werkgeverschap gaat niet zover dat de minister gehouden zou zijn om appellante van de gevolgen van de reorganisatie van DJI te vrijwaren. De rechtbank komt daarmee tot de conclusie dat de minister de garanties die destijds zijn vastgesteld voor zittende artsen – geen ontslag en maatwerk – niet hoeft op te nemen in het VWNW-plan.
2.2.
De rechtbank is evenwel van oordeel dat de minister in het besluit tot vaststelling van het VWNW-plan ten onrechte niet is ingegaan op de vraag of en zo ja, wat in het VWNW-plan moet worden opgenomen over de huisartsenregistratie van appellante en de maximale reistijd bij het zoeken naar een andere functie. De besluitvorming is op dit punt onzorgvuldig. Bij het nemen van de nieuwe beslissing op het bezwaar zal de minister moeten bezien of en zo ja, hoe het VWNW-plan ten aanzien van deze punten moet worden aangepast.
3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
In hoger beroep is de bij bestreden besluit 1 gehandhaafde vaststelling van het VWNW-plan nog in geschil, met dien verstande dat appellante geen hoger beroep heeft ingesteld tegen het oordeel van de rechtbank zoals weergegeven onder 2.2. Ter zitting heeft de gemachtigde van appellante de beroepsgronden ten aanzien van bestreden besluit 2 laten vallen, zodat deze gronden geen bespreking meer behoeven.
4.2.
De thans te beoordelen vraag is of de rechtbank met juistheid heeft geoordeeld dat de minister de garanties voor zittende artsen die voortvloeien uit het Besluit en de Richtlijn niet behoefde op te nemen in het VWNW-plan.
4.3.
De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend. Na bezuinigingen, die vorm hebben gekregen in het beleid van 2008, hebben nieuwe bezuinigingen geleid tot de reorganisatie in 2013. Als gevolg van deze reorganisatie is de functie van appellante vervallen, op grond waarvan zij bij besluit van 26 november 2014 verplicht VWNW-kandidaat is geworden. Tegen dit besluit heeft appellante geen rechtsmiddelen aangewend, zodat dit besluit in rechte vaststaat. Dientengevolge is de rechtspositie van appellante gewijzigd; zij is sindsdien geen zittende arts meer, maar een verplicht VWNW-kandidaat. Het beleid van 2008, waarop alleen zittende artsen aanspraak kunnen maken, is dus niet meer op haar van toepassing en zij kon daaraan ten tijde van de bestreden besluitvorming dan ook geen rechten ontlenen. Dat het samenstel van werkzaamheden van een [naam functie] nog bestaat, kan daaraan niet afdoen. De uit het beleid van 2008 voortvloeiende garanties voor zittende artsen behoefden daarom niet in het VWNW-plan te worden opgenomen. Evenmin was de minister vanwege eisen van goed werkgeverschap, daarbij de in rechte vaststaande algemene en individuele reorganisatiebesluiten in aanmerking genomen, gehouden de waarborgen van de sterfhuisconstructie in het VWNW-plan te verankeren. Bestreden besluit 1 kan op dit punt dus in rechte standhouden.
4.4.
Uit wat onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen, volgt dat het hoger beroep niet slaagt. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

beslissing

BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma als voorzitter en J.C.F. Talman en G. Aarts als leden, in tegenwoordigheid van D. Bakker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 november 2019.

(getekend) C.H. Bangma

(getekend) D. Bakker